BOEKRECENSIErevolusi

David Van Reybrouck belicht de Indonesische ‘revolusi’ van alle kanten ★★★★☆

David Van Reybrouck houdt van oral history, en oral history houdt van hem. In zijn boek over de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd slaagt hij erin de opmerkelijkste getuigen te laten praten.  

null Beeld Deborah van der Schaaf
Beeld Deborah van der Schaaf

‘Het is een heel ingewikkelde affaire, dat Indonesië, zo’n verwarrende boel’, zegt Djajeng Pratomo tegen David Van Reybrouck, terwijl hij wat poedersuiker van zijn broek slaat. Pratomo is geboren in 1914, ‘het jaar dat het koloniale rijk voltooid werd’, schrijft Van Reybrouck met gevoel voor symboliek in Revolusi, zijn geschiedschrijving van de Indonesische onafhankelijksheidsstrijd. Raden Mas Djajeng Pratomo, die ook nog eens ‘de oudste zoon van de oudste zoon van een Javaanse kroonprins’ blijkt te zijn, spoorde hij op in Noord-Holland. ‘Hij had een Javaanse vorst kunnen zijn, maar hij zat in een rusthuis in Callantsoog poffertjes te kauwen.’ Waarna Van Reybrouck beschrijft hoe hij zelf een poffertje neemt, en hoe dat onbeduidende feit leidt tot een wonderlijke ingeving: ‘Terwijl ik op een lauwe deegbal kauwde, besefte ik dat het Nederlands koloniaal avontuur niet met een honger naar grond begon, maar met een verlangen naar smaak.’

Daar gaat Revolusi van start. Weg zijn we, helemaal terug naar het begin van de geschiedenis, in het kielzog van Da Gama, Columbus, Magelhães en Barentsz – die zochten naar de kortste weg naar de nootmuskaat en en passant ontdekten dat de wereld veel groter was dan ze dachten. Van Reybrouck sleept ons mee langs de geschiedenis van de VOC met haar schepen vol kanonnen, de keiharde strafexpedities, genocides en het overspelige ‘verstandshuwelijk tussen lokale adel en de koloniale machthebber’. Langs koning Willem I die eist dat zijn kolonie eindelijk eens winst gaat maken, het cultuurstelsel dat de boeren uitmergelt, de ethische politiek om dat weer goed te maken. Stappen die leiden naar het onontkoombare hoogtepunt: de kolonie. ‘In 1914 was de klus geklaard en wapperde de Nederlandse driekleur overal. De Oost werd een bron van nationale trots.’

Levende geschiedenis

Pas dan komt het onafhankelijkheidsproces op gang, op weg naar de revolusi. Dat is de periode waar het hem om gaat, en waarvan de allerlaatste ooggetuigen nog leven. Van Reybrouck interviewt een heel legertje 90-plussers die, terwijl hij aan zijn boek werkt, in ras tempo beginnen te overlijden. (Ook Djajeng Pratomo is er niet meer; hij is 104 geworden.)

Zij brengen de geschiedenis tot leven. Geen detail is te klein, geen citaat overbodig: ‘Getuigen die vinden dat ze niks te vertellen hebben zijn vaak de interessantste’, schrijft Van Reybrouck ergens, al is het natuurlijk wel altijd de schrijver die de kleine citaten van hun grote inhoud voorziet.

David Van Reybrouck houdt van oral history, zo bewees hij al in zijn veelgeprezen boek Congo – Een geschiedenis. En oral history houdt van hem. Revolusi moet de Nederlandse tegenhanger van zijn ‘Belgische’ boek zijn, en dat wordt het – in de tweede helft. In de eerste slaat hij zich dapper door de oude geschiedenis heen, die al door schrijvers en historici is uitgeplozen, geeft hij toe. Hij hervertelt, zoals Stephen Fry de klassieke mythologie hervertelt, en hij is een goede verteller, maar het had bondiger gekund.

Vanaf 1914 begint het boek steeds helderder te stralen. Van Reybrouck vindt de opmerkelijkste getuigen op de onwaarschijnlijkste plaatsen en slaagt erin mensen te laten praten, zelfs over de grootste smerigheden die ze hebben begaan of ondergaan. Hij spreekt dienstweigeraar Piet van Staveren, maar ook vrijwilliger Goderd van Heek, Indonesische oud-strijders, dwangarbeiders, troostmeisjes, hoogbejaarde Gurkha’s, Japanse veteranen en zelfs Soekarno’s Japanse weduwe Dewi. Hij voert Britten, Fransen, Japanners, Duitsers en Amerikanen op, want de revolusi was niet alleen mensenwerk, maar was ook nadrukkelijk ingebed in een groter, internationaal gebeuren: er zijn meer dan twee kanten aan dit verhaal.

Vrij

De revolusi zelf, de openlijke bevrijdingsoorlog die in 1945 begint, is nadrukkelijk een revolutie van de jeugd. Eerdere generaties hadden zich voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog beziggehouden met diplomatie en politiek. In 1945 namen niet zij, maar 15-, 16- en 17-jarigen het heft in handen in het land dat de vrijheid in de schoot geworpen kreeg: de Japanners hadden de wapens neergelegd en de Nederlanders waren weg. Van de ene op de andere dag waren ze dus ‘vrij van alles’, en die vrijheid lieten ze zich niet meer ontnemen, geen seconde: toen Soekarno en Hatta te lang aarzelden, werden ze door jongeren ontvoerd en gedwongen de onafhankelijkheid uit te roepen, op 17 augustus 1945. Indonesië werd daarmee het eerste land ter wereld dat zich aan het koloniale juk ontworstelde.

‘Het script’ voor hoe dat moest ‘was nog niet klaar’, schrijft Van Reybrouck. Nederland begon een taaie oorlog om ‘de orde te herstellen’, afgewisseld met de verdragen van Linggadjati, Renville en ten slotte Roem-van Roijen.

Het is de gevoeligste periode uit de recente Nederlandse geschiedenis, die begint met een Indonesische golf van geweld, in Nederland de Bersiap-periode genoemd. Van Reybrouck beschrijft die van binnenuit, en met empathie: zelfs voor slachtpartijen weet hij begrip op te brengen. Hij begrijpt de woede die de jonge Indonesiërs bekroop toen ze zagen hoe Nederlandse troepen in 1945 terugkeerden achter de ruggen van Britse soldaten. Hij snapt dat die jonge strijders zich ziedend stortten op alles wat Europees was en mannen, vrouwen en kinderen aan hun aangepunte bamboestokken regen ‘zoals je vlees op een satehstokje schuift’. Het werd ‘een waanzinnige geweldsorgie’, die aan 3.500 tot 12 duizend mensen het leven zou kosten.

In Indonesië heeft de episode nooit een naam gekregen; het geweld hoorde bij de omwenteling van de orde, die Van Reybrouck zelfs met de Franse Revolutie vergelijkt. Opdat we het belang van deze Indonesische revolutie niet onderschatten.

Onthutsend

Voor veel Nederlanders weegt de Bersiap op tegen de Nederlandse wreedheden daarna. Ook die beschrijft Van Reybrouck van binnenuit. Nederlandse soldaten vertellen hoe ze Indonesische gevangenen laten ‘pissen in de kali’ en op de oever doodschieten, hoe ze hun mitrailleur op een kampong leegschieten. Van Reybrouck noteert het zonder verwijt, en dat maakt het alleen maar onthutsender. Hij geeft bovendien genoeg voorbeelden om aannemelijk te maken dat die moordpartijen altijd en overal hebben plaatsgevonden, en niet alleen tijdens de beruchte ‘politionele acties’.

Hij verwijt het niet de soldaten zelf: zelfs de besten kunnen afglijden op ‘de trage helling’ die oorlog is. Als er schuldigen moeten worden aangewezen, wijst hij naar de superieuren. De wreedheden werden ‘bevolen en veroorzaakt’ door de directe commandanten, ‘gedoogd en oogluikend toegestaan door de hogere legerleiding’, en ‘het was bekend bij het burgerlijk bestuur en werd niet vervolgd’. Boven alles staan de politieke leiders in Nederland als hoofdverantwoordelijken. Zij hebben met hun gemarchandeer de strijd nodeloos verlengd, terwijl die al in 1945, en anders toch uiterlijk in november 1946 afgelopen had kunnen zijn (met de ondertekening van het akkoord van Linggadjati). Uiteindelijk waren het de Amerikanen die de Nederlanders in 1949 op de knieën dwongen door te dreigen met het intrekken van de Marshall-hulp. Langer vasthouden aan Indonesië zou domweg te duur worden.

Voor even een voorbeeld

Indonesië werd een voorbeeld voor andere koloniën in de wereld, die in rap tempo ook onafhankelijk werden. In 1955 schokte het land zelfs de gevestigde wereldorde met de ‘Asia-Afrika’-conferentie in Bandung – een evenement waarvan het belang volgens Van Reybrouck, niet kan worden overschat: het was de eerste internationale conferentie zonder het Westen, en deze verzameling van zelfbewuste, niet-gebonden landen zou niet alleen koloniën, maar zelfs de zwarte burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten inspireren.

Het was mooi zolang het duurde. Helaas was dat niet lang. ‘Het is allemaal niks geworden, natuurlijk’, zegt Cisca Pattipilohy – tolk en journalist in die glorieuze periode – aan het eind van het boek. In 1965 werd Soekarno afgezet en met goedkeuring van de Amerikaanse CIA vervangen door de rechtse militair Soeharto. Het was de eerste door de CIA gesteunde machtswisseling in de Koude Oorlog. Soeharto – die ruim dertig jaar als een dictator zou regeren – maakte een einde aan de intellectuele en politieke vrijheid in zijn land, en aan de geest van de revolutie.

Na alle strijd en bloedvergieten noteert Van Reybrouck Pattipilohy’s treurige conclusie: ‘Eigenlijk zijn we nooit onafhankelijk geworden.’

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

David Van Reybrouck: Revolusi. De Bezige Bij; 680 pagina’s; € 39,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden