David Bades goede daden

Een tentoonstelling die niet beweegt en toch een parade is? In het GEM in Den Haag gebeurt het. Kunstenaar David Bade trekt voor zijn overzichtstentoonstelling werkelijk alles uit de kast....

De herinnering aan de tentoonstelling Catch of The Day is ook dagen later nog als een optocht die over je heen walst. Muzikanten en dansers en praalwagens komen aan in de verte, nemen dan de hele weg in beslag. Je raakt verstrikt tussen de mensen, ze laten je even meedeinen, boem-pada-boem, de open mond van de bombardon, de wiebelende metallofoon, daar is de praalwagen... Dan laten ze je achter op het asfalt, te midden van de confetti en serpentines en brokstukken die van de wagen vielen, en de muziek die langzaam weer oplost.

Een tentoonstelling die niet beweegt en toch een parade is? In het GEM in Den Haag gebeurt het. En het kon ook niet anders of op de opening van de tentoonstelling klonk de muziek van een echte drumband, de Rhythm Allstars Brassband, door het gebouw.

Het effect is niet alleen te danken aan het werk van kunstenaar David Bade dat hier te zien is. Jazeker, dat is los en lenig, improviserend, van de hak op de tak. Het is ook véél – op zijn overzicht van zeventien jaar tekeningen en sculpturen heeft hij alles, maar dan ook werkelijk alles uit de kast getrokken. Bovendien betrekt David Bade de afgelopen jaren grote groepen mensen bij zijn werk. Hier staat het resultaat van vele handen.

Het komt ook door de royale opstelling. Voor de tentoonstelling Catch of The Day zijn voor het eerst alle zalen van dit museum door één kunstenaar in gebruik. Begin bij het begin, want de opstelling bouwt zich zorgvuldig in crescendo op.

In de eerste zaal staan de stukken nog netjes door de ruimte verdeeld op de parketvloer en hangen de tekeningen en schilderijen aan de wand. Concentratie hier. Op de gang wordt het al drukker en in de grote zaal barst het echt los: kunst tot aan het plafond. Een trapje leidt naar een hoog zitje waar de onderdelen als kruiend ijs omheen kruipen. Bergen van pur- en piepschuim, stoelen, zakken, stangen, klokken, kooien, kleisels, tekeningen, borstels, windsels, snoeren, klei, stof, planken en overal woorden opgekalkt en ingekerfd – er komt geen einde aan. Drie grote ensembles, ‘workshop-stations’ zoals Bade ze noemt, domineren de ruimte. Ze werden gebouwd door mensen uit een ruige wijk van Liverpool, door vastgoedmannen van de Zuidas, door academiestudenten – allemaal met Bade als regisseur.

Dan de kelder in, ‘het depot’, waarvoor alles wat nog over was in het atelier van Bade in Zaandam overgeheveld is: een uitdragerij van werken en materialen. Hiphop weerklinkt, en in een zithoek kun je zappen door foto’s van Bades werk.

In de laatste zalen, de kabinetten in het souterrain, is er ook nog een webcam-verbinding met de andere Haagse tentoonstellingslocatie, Gemak, waar scholieren van de Hofstede Praktijkschool bezig zijn met een Bade-projekt, een ‘hangplek’ voor hun nieuwe school. Dan leidt een stortvloed van tekeningen je naar de uitgang. Op=op, staat er op het laatste werk geschreven. BOEM paukeslag.

Als David Bade voorop loopt, daags voor de opening, lijkt het een ontdekkingsreis. Hij prikt in piepschuim, veegt over een tekening, laat een ketting over zijn hand rollen, bladert door tekeningen. ‘Net als je denkt: Jezus wat een zooi, stuit je toch op details’, zegt hij tevreden. De begeesterde reisgids (rode wangen, pasklaar antwoord, grote gebaren, uitbundige giechel) vertelt over de herkomst van ‘spulletjes’. Hier, het salontafeltje van zijn ouders. Daar een reuzenplumeau die als een roeispaan uit de Bade Chairity Boat steekt – de boot zelf bestaat uit stoelen. Over de keukensnijplank waar hij ‘moeder’ in kerft, omdat de handen van zijn ‘moeder-van-zes’ altijd naar uien roken.

Over een workmate vertelt hij, die nu dient om de paal van het beeld Paaldanseresje op zijn plaats te houden. Over een patatzak, zo eentje die voor een snackbar buiten staat met van die dikke frieten eruit, en die ondersteboven zijn goudgele zegen uitstort boven een verbouwde preekstoel. De patatgeneratie, ‘daar wilde ik altijd iets mee doen.’

Het klinkt allemaal heel swingend en dat is het. Met hetzelfde recht kun je zeggen: in GEM heerst chaos. Want dat is het óók. Om gek van te worden, visuele teringherrie.

Er zijn weinig kunstenaars te verzinnen die in hun werk zo ontzettend toegankelijk en tegelijk zo ontzettend óntoegankelijk zijn – sommigen zullen GEM weer uitrennen. Hoewel je alle materialen herkent en alle teksten kunt lezen die Bade in een onophoudelijk schriftelijk flux de bouche door zijn werk laat lopen, is er vaak geen touw aan vast te knopen. Het klinkt tegenstrijdig maar het is wel zo: David Bade gebruikt in zijn sculpturen zulk alledaags materiaal dat ze je juist daarom lijken te ontglippen. Hoe krijg je hier vat op? Of, zoals een vertwijfeld rondschuifelende bezoeker zich hardop afvroeg: is het kunst?

Kunst is eigenlijk een woord dat betrekkelijk weinig valt in alles wat er over David Bade gezegd en geschreven wordt – het woord ‘energie’ des te meer. ‘David Bade komt voor mij dicht bij de essentie van het scheppen van beeldende kunst’, zegt Edwin Jacobs in de catalogus. Andere auteurs reppen over ‘de volheid van het leven’ of nemen de woorden stralend, verfrissend, spontaan, krachtig, geinig, opgewekt, barok en provocerend in de mond.

‘Hier sta je dan, oog in oog met Pietje Bell’, schrijft Jan Dibbets, zijn voormalige docent op De Ateliers. Het bedachtzame, sacrale werk van Dibbets kon bijna niet harder botsen dan met de ‘gerecyclede toverkunsten’ (Dibbets) van zijn leerling. Bade zelf, intussen, kan er ook wel mee spotten. Op de tekening Wat een energie (1998) springt een robuuste sportvrouw over de finish – of nee, het is het gapende gat van een graf waar ze, als je goed kijkt, vanuit een kruiwagen overheen gekieperd wordt.

Bades generatiegenoten begin jaren negentig zijn Erik van Lieshout, Charlotte Schleiffert en Honore d’O: kunstenaars van het grote gebaar en de grote bek. Het trashy materiaal van Bade valt op, maar burgert ook heel snel in. Folkert de Jong verheft een paar jaar later het piep- en purschuim tot het nieuwe marmer en de Zwitser Thomas Hirschhorn wordt de koning van het karton en plakband – om er maar een paar te noemen. Historisch gezien gaat Bades materiaalgebruik al terug tot de kubisten die een echte krant in hun schilderijen plakten. Het gebruik van alledaags materiaal – van Picasso tot Jason Rhoades en een heleboel anderen – heeft iets animistisch. Het blaast nieuw leven in dat wat je dacht te kennen.

Wie zich een weg baant door het GEM zal zien dat Bade-de-animist bestaat uit de schilder en de beeldenmaker. Enerzijds de tekenvirtuoos met enorm taalgevoel, die taalvondst op taalgrapje stapelt en daarbij soms inventief, soms provocerend en soms flauw is. Alles, van jeugdherinnering tot nieuwsfeit, de Catch of the Day, kan de aanleiding zijn. Er zijn een paar terugkerende kapstokken: bureaucratie, seks, macht, geld, taal, jeugdherinneringen, religie en het onderbewuste. Racisme ook, vooral sinds Bade weer op Curaçao is gaan wonen.

Daarnaast is hij de beeldhouwer, die een paar stringente technieken hanteert in zijn uitdragerij. Er zijn de stapelingen, waar totaal verschillende elementen als in een totem op elkaar worden gezet. Er zijn de spiezen, waarbij een metalen staaf of pin de meest onwaarschijnlijke voorwerpen met elkaar verbindt. En er zijn – en daarin is Bade een meester – de balanceer-acts, waarbij een overhangende hengel, een dunne driepoot of een opgeknoopte stoeptegel evenwicht brengt in het geheel. Heel af en toe zet Bade zelf zijn vingers in de klei en is dan oppnieuw een virtuoos.

Maar er valt nog iets op: Bade vond die vorm op heel jonge leeftijd. Het oeuvre is inmiddels enorm uitgedijd, maar vooruitgang is eigenlijk nauwelijks zichtbaar. Er komen geen nieuwe wendingen, geen nieuwe thema’s, geen nieuwe stijl – alles was er al en is er nog en groeit en groeit in de breedte. De ontwikkeling zit ergens anders in.

Wie Bade hoort praten ziet meteen nog een derde kant: die van de docent. David Bade vertelt niet alleen heel gemakkelijk, hij enthousiasmeert onmiddellijk. Zet je in de actie-stand. Hij merkte het zelf door een project met scholieren in museum Jan Cunen in Oss, meer dan tien jaar geleden. De kinderen, die aanvankelijk niets dachten te kunnen, stonden binnen no time structuren in piepschuim te drukken met hun hakken.

Bade kwam met engagement. Hij wijst op een oude tekening, waar twee kinderen met het syndroom van Down en een geketende bejaarde in een rolstoel staan. ‘Dit is geen engagement, om een mongool te tekenen. Als je het meent, moet je iets doen.’ Put your money where your mouth is. In de kunst had hij binnen korte tijd alles bereikt. Er moest toch meer zijn?

Uiteindelijk richtte hij stichting ArteSwa op, die verschillende groepen in workshops samen brengt. Ze maken een beeld- of beeldengroep, waarover Bade de regie voert. Inmiddels leidt hij ook een kunstopleiding in zijn geboorteland Curaçao. Op het (internationale) kunsttoneel zagen we hem bijna alleen nog maar in groepsverband.

‘Ik zeg niet, met Joseph Beuys, dat iedereen een kunstenaar is’, legt hij uit. ‘Maar iedereen heeft wel verbeelding. Alleen: dat vergeet iedereen zo jong. Ik probeer dat naar boven te halen. Niet per se kunst, maar verbeelden, daar gaat het over.’ In een uitzending van Kunststof Radio ziet hij in die verbeelding zelfs een vervanger voor het socialisme. ‘Het oude rechtstreeks verheffen van de mens bestaat niet meer’ zei hij. ‘De arbeider kijkt nu naar SBS6.’ Er moet een andere manier van verheffen komen, volgens Bade: een omweg die via de verbeelding loopt.

Op de gang hangt de grote tekening It’s about... (2007) vol portretten uit de Nederlandse kunstwereld: Sjarel Ex, Wim van Krimpen, Saskia Bos, Rudi Fuchs, Ann Demeester, Mascha Roesink en meer. Bovenaan, vanuit de hemel grijnst Frans Haks. ‘De sterfelijkheid regeert...’ staat erop, met een aantal zinsneden die Bade vaak gehoord moet hebben. ‘Ons tentoonstellingsbudget is...’. Of: ‘Wij kochten al een..., toen niemand...’. De ijdele kant van het kunstbedrijf staat er mooi op. David Bade tapt daarna uit een heel ander vaatje en schrijft er zinnen onder als: ‘Als apen hoger klimmen willen, ziet men vaak hun blote billen.’ En Hollandse spreuken, al dan niet verbasterd, die verrassend Bades calvinistische aard tonen.

Die calvinist zit als een dun rood draadje in heel veel werk verstopt. Vermomd als de wellustige rebel, de grootse-daden-man, de ja-zegger, heeft David Bade (‘Bade geeft genade’) heel veel van zijn protestantse moeder meegekregen. De spreuk ‘Niet klagen, maar dragen’ keert vaak terug, al dan niet geschreven op een reuzenpleister.

De Pietje Bell van de kunstwereld werd volwassen door met één been uit de knuffel-kunstwereld te stappen en goede daden te gaan verrichten. En dat niet eenmalig, zoals collega’s wel eens doen, als project in de sloppenwijk bij een Biënnale. Niet verpakt als ‘relational esthetics’, een alweer overgewaaide mode. Nee, structureel, met een school en leerlingen en geld en mensen die op hem rekenen. Het heeft hem offers gekost, ontwikkeling en roem waarschijnlijk, maar veel meer voldoening opgeleverd.

Dat deelnemers zich zo aan laten steken dat ze zich zonder uitzondering ook zijn ruige stijl aanmeten, zal hem doen grinniken. Bade ging heen en vermenigvuldigde zich.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden