DAVE BRUBECK

Zijn tachtigste verjaardag valt in het 250ste sterfjaar van Bach, dus heet de wereldtournee van Dave Brubeck 'From Bach to Brubeck'....

Dave Brubeck bezit een villa met een elektrisch aangedreven watervalletje in de tuin. Bezoek dat zich in Wilton, Connecticut komt vergapen aan stijlkamers vol koel sixties-meubilair - een collectie Baldwinvleugels vindt er ook nog onderdak - roept oooh en aaah als de gastheer met een zwierige druk op de knop, à la Mon Oncle, het tuinornament aan het klateren brengt.

Nederlandse journalisten zijn voor zover bekend nog niet in huize Brubeck doorgedrongen, maar hun reactie laat zich eenvoudig voorspellen: kitsch natuurlijk, foute smaak, verkeerd begrepen chic. Maar stel nu dat bij de avant-gardeheld Cecil Taylor óók een watervalletje in het prieel wordt aangetroffen. Alle kans dat die er afkomt met een vertederd: gut, wat is het toch een speelse geest.

Nee, Dave Brubeck heeft bij zijn critici nooit op een welwillend oor hoeven rekenen. Zijn werklust heeft er niet onder geleden (de 79-jarige onderneemt deze maand zijn zoveelste turbulente wereldtournee), evenmin als zijn hartelijke relatie met het publiek, die de man van Take Five toch ook maar heeft omarmd als serieus componist van koorwerken, oratoria, cantates en de roomskatholieke mis To Hope! A Celebration, onlangs nog met succes uitgevoerd in Moskou.

Zijn lidmaatschap van de oudste jazzgeneratie verplicht Brubeck inmiddels van elk concert een evenement te maken. En gelukkig blijkt er altijd wel iets te vieren. Zo wordt aanstaande maandag in Carré stilgestaan bij zijn 'bijna tachtigste' verjaardag, terwijl het gelukkige toeval wil dat die samenvalt met het 250ste sterfjaar van J.S. Bach: From Bach to Brubeck dus.

Sympathiek aan de hoogbejaarde muzikant is, dat hij op het podium helemaal niet zo'n feestnummer is. Hij hangt niet erg aan zijn oude successen en speelt net zo lief nieuw werk, dat hij in een schrikbarend tempo uit zijn mouw blijft schudden. Brubeck is een jazzmiljonair die het allereerst om de muziek blijft gaan.

Of bedriegt de schijn? Wie kennis neemt van de processen-verbaal die de pers door de jaren heen over de pianist heeft opgesteld, wrijft zich de ogen uit: zoveel afkeer en misprijzen, zoveel onverbloemde haat, is maar weinig zwarte schapen in de jazzhistorie ten deel gevallen.

Wie er niet bij is geweest, kan zich moeilijk voorstellen waarom de opgeruimde, fris in elkaar gestoken Brubeckmuziek zo'n weerzin opriep. Natuurlijk, een erg subtiele pianist is hij nooit geweest, en swingen ging hem ook slecht af, maar daar stond veel aardigs tegenover: de bravoure waarmee hij zijn vierkante akkoorden uit de toetsen hamerde (een voorbeeld voor de jonge Cecil Taylor), het kwartet met drumfenomeen Joe Morello, de slimme contrapuntische spelletjes met altist Paul Desmond.

Brubeck studeerde compositie bij Darius Milhaud in Californië (een blauwe maandag ook bij Arnold Schönberg, maar dat liep op ruzie uit), en die klassieke basis gaf zijn jazzopvatting van meet af aan een eigen kleur: complexe harmonieën, rondo- en fuga-experimenten, hier en daar een snufje Bach, en later ook 'verknipte' maatsoorten als 11/4 of 9/8 (Blue Rondo A La Turk). Het was luistermuziek die toch opwindend was, serieus en toch licht beatnikachtig-subversief; geknipt voor het jonge volk aan de Amerikaanse universiteiten, waar Brubeck begin jaren vijftig een gretig publiek aanboorde.

In Nederland verliep de kennismaking aanvankelijk in opperbeste stemming. In 1958 schreef Dick Hendrikse in zijn boek Twintig Reuzen van de Jazz: 'De moderne, serieuze jazz van Brubeck (. . .) ontmoet allerwegen vele tegenstanders. Hun aantal slinkt echter even snel als de inkomsten van het Dave Brubeck kwartet stijgen. Zegt het u niets, dat zelfs de nachtclubs hun dansvloeren volzetten met tafeltjes en stoelen om de mensen doodstil naar deze wonderlijke nieuwe muziek te laten luisteren?'

Twee jaar later, als Brubeck in Den Haag en Amsterdam is langs geweest, gooit Anton Kop er in het tijdschrift Rhythme een deftig schepje bovenop: 'Wij aarzelen niet beide concerten een gebeurtenis van de allereerste orde te noemen' [. . .] 'Dave Brubeck en Paul Desmond behoren tot de meest grandioze improvisatoren die wij ons herinneren ooit op een jazzkonsert in ons land gezien te hebben. In vele opzichten staan zij zelfs onbedreigd aan de top diergenen.'

Tieners krassen Brubecks naam op hun schooltassen, als in 1960 de lp Time Out verschijnt. De in 5/4-maat gespeelde Desmond-compositie Take Five blijkt ook geschikt als single, groeit uit tot de eerste miljoenenhit in de jazz en zal tot ver in de jaren tachtig het enige jazznummer in het AVRO's ijzeren Arbeidsvitaminen blijven.

'Een zijden sjaal die wurgt', noemt het weekblad De Linie Brubecks succesnummer, 'een gepijnigd stuk, onderworpen aan een sadistische 5/4-maat.' De recensent voelt kennelijk ook iets anders wringen: 'Time Out is een minderheidsmotie in de jazz, en het zal gemakkelijk wezen bij acclamatie van meerderheid die motie uit de weg te ruimen.'

Het blijkt een profetisch zinnetje, want even later zal een nieuwe generatie critici Brubeck bij het vuilnis zetten. De jonge garde van het blad Jazzwereld hoort geen 'grandioze improvisator', maar een vertegenwoordiger van het 'establishment', die geen benul heeft van de 'permanente revolutie' van de jazz. Zoals Frank Visser in een concertverslag van 1967 schrijft: 'Daar waren ze weer, de welgestelde Californische veertigers, die kennelijk het devies never change a winning team in het blazoen voeren, (aangevoerd door) verkoopleider Brubeck, die nootjes maakt, oneindig veel lieve, beschaafde jazzy nootjes, zo precies op hun Music College-plaats, dat het principiële doel van muziek maken met voeten wordt getreden.'

Jazzwereld blijft Brubeck vol wantrouwen volgen. In januari 1968 signaleert Simon Korteweg een 'verwelkt klavertje vier' in het Concertgebouw: 'Als vier vermoeide lopendebandwerkers zaten ze met het voorbewerkte materiaal verveeld de vereiste productie te halen. Het onderlinge contact leek geheel geautomatiseerd.'

Het dieptepunt lijkt bereikt met Martin Schoutens morbide tekst van een paar maanden later, die terugblikt op hetzelfde concert (door een, mogen we aannemen, uitgeblust kwartet): 'Het laatste concert in Nederland was wat het gehalte van de muziek betreft niet anders te karakteriseren dan: vier doodzieke mannen staan langzaam te kotsen hoewel ze daar eigenlijk ook al te ziek voor zijn.'

Was het echt zo erg? Ja, zo erg was het, zegt Pé Hawinkels vijf maanden later, na een Brubeck-show in de Doelen: 'Grijzende slapen, gepolitoerd uiterlijk, gemanicuurde handen, gepolitoerde melodische trucjes en smakeloosheden, gemanicuurde melodieën, waarvan de herkomst trouwens lang niet altijd helemaal safe zit. . . Vooral zijn misselijke harmonieën, die maken dat ik Louitje van Dijk naast deze eigenheimer een komeet acht, hebben mij verhinderd objectief naar dit zoetgevooisde manspersoon te luisteren.'

Bert Vuijsje, zelfde tijdschrift, zelfde maand: 'Brubecks pianospel is hier weer eens zo grof, verkrampt en volstrekt onswingend, dat je je langzamerhand afvraagt hoe de man samen met echte jazzmusici op één podium durft te gaan zitten.' De slachtpartij wordt begin 1973 afgemaakt door Pierre Courbois, die de live-lp Brubeck in Berlin bespreekt: 'Ik vind hem walgelijk, en mijn mening baseer ik niet op onkunde. (. . .) Indien ooit de konsumentenbond zich met jazz gaat bezighouden, dan zou Brubeck moeten worden gekenmerkt als valse voorlichter.' (De Penguin Guide noemt dezelfde plaat in 1998 'one of the legendary concerts of the period, with both Dave Brubeck and Gerry Mulligan on top form, playing with great spontaneity and charm.')

De eenstemmige klaagzang is nog altijd niet verstomd, maar eensluidend is de kritiek al lang niet meer. De ban op Brubeck lijkt wel zo'n beetje opgeheven. Een belangrijk tegengeluid kwam in 1987 van pianist Misha Mengelberg: 'De echte boppers hadden natuurlijk altijd een ontzaggelijke hekel aan Brubeck, maar mij kon het geen bal schelen of iemand zich aan de bebopbijbel van Charlie Parker hield of niet. Brubeck wilde zelf waarschijnlijk ook zo'n jazzmuzikant worden, maar daar had hij de knack niet voor. Een beetje swingen, dat is net als op je vingers fluiten; je kunt het of je kunt het niet. Brubeck kon niet op z'n vingers fluiten, volgens mij. En dat wist hij zelf ook, want het is een heel muzikale man. Leuk improviseren kon hij wel. Een beetje aap-noot-mies-achtig, maar redelijk eigenwijs. Om kort te gaan: ik vond Brubeck veel leuker dan allerlei derdehands Charlie Parkers.'

Ook de cd-box Time Signatures (een retrospectief vol Brubeck-klassiekers en curieuze combinaties met Louis Armstrong en Charles Mingus) heeft links en rechts een herwaardering van zijn oeuvre op gang gebracht. Brubeck zelf lijkt zijn rol als mikpunt doorgaans gelaten te hebben aanvaard, gesteund door de opbeurende woorden van Lennie Bernstein: 'Jongen, ze hebben nog nooit een standbeeld voor een criticus opgericht.'

Gene Lees, veteraan onder de Amerikaanse jazzcritici, mag in zijn boek Jazz, Black and White als wijze rechter het eindoordeel vellen. Was Brubeck een houten klaas? Geenszins, zegt Lees, en hij houdt het vonnis kort: 'The public was right, the critics were wrong.'

Dave Brubeck en Kammerorchester Schloß Werneck met 'From Bach to Brubeck', maandag 24 april in Carré, Amsterdam.

Time Signatures - A Career Retrospective, bloemlezing uit 1946-1991 op 4 cd's. Sony/Columbia Jazz Legacy.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden