Recensie Ik bestaat uit twee letters ***

Dautzenberg schreef een tragisch en vreemd dagboek met voorbedachten rade


Op verzoek hield A.H.J. Dautzenberg een jaar lang een dagboek bij. Om het boeiend te houden, neemt hij de relatie met zijn tweelingbroer onder de loep.

Foto Silvia Celiberti

Een dagboek is privé. Veel dagboeken zullen vol staan met geheime liefdesverklaringen, uitroeptekens, tirades en teleurstellingen, gevat in kromme zinnen en veel ‘en toen en toen’. Er zijn ook dagboekschrijvers die de hoop koesteren dat er op een dag een geïnteresseerd publiek zal zijn. Zij beschrijven hun dagelijkse sores net even wat poëtischer – je weet maar nooit. En dan is er nog een aparte categorie: de schrijver die in opdracht een dagboek bijhoudt, met publicatie als doel, zoals Anton H.J. Dautzenberg (1967) afgelopen jaar deed voor de Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers. Hij beschrijft in Ik bestaat uit twee letters het jaar waarin hij 50 wordt.

Het is een vreemde en paradoxale dagboekvorm omdat het essentiële van een dagboek – het absolute privéaspect dat schaamteloze ontboezemingen mogelijk maakt – afwezig is. Dautzenberg schrijft anders omdat hij weet dat het gelezen zal worden. Sterker nog, hij belééft de dingen anders omdat hij er later verslag van zal doen. ‘Door de dagboekblik worden mijn voetstappen uitvergroot, voortdurend volgt een spotlicht mijn handelingen.’

Specifiek doel

In dit dagboek ontbreekt het dus aan de pikante charme van het lezen van iets dat oorspronkelijk niet voor jouw ogen bedoeld is; eroverheen ligt de vervormende lens van de publieke blik. Wat overblijft zijn de notities van een man die erom bekendstaat niet bang te zijn het achterste van zijn tong te laten zien, maar ook de reputatie heeft te fabuleren. Maakt het uit wat waar is en wat niet? Nee, we lezen wat Dautzenberg ons wil vertellen, en of dat waardevol is zit hem niet in het waarheidsgehalte, maar in de manier waarop hij de regie voert over zijn dagboek. (Overigens beweert Dautzenberg niet veel waardoor de leugendetector aanslaat. Het meest curieuze is dat Arie Boomsma desgevraagd zijn piemel aan hem laat zien. Zou het?)

Door te bepalen wat wij te lezen krijgen, accepteert de schrijver automatisch de verantwoordelijkheid er dan ook iets lezenswaardigs van te maken. Dautzenberg probeert dit door zichzelf een specifiek doel te stellen: hij wil de relatie met zijn tweelingbroer Hub verbeteren. Met zo’n missie creëert hij een houvast, zowel voor zichzelf als voor de lezer: Dautzenberg kan gericht ergens over schrijven en de lezer krijgt het gevoel dat ‘het ergens heen gaat’ – geen overbodige luxe bij een boek van ruim zevenhonderd pagina’s.

Het is een slimme ingreep, maar de kunstmatigheid ervan laat zich zien in formele beschrijvingen van zijn broer. Hub heeft ‘veel bevestiging nodig’, kan ‘niet goed omgaan met intimiteit’, heeft ‘zijn hele leven geworsteld met een minderwaardigheidscomplex’. Een toenaderingspoging beschrijft Dautzenberg als volgt: ‘Ik ga proberen om vooral positieve gevoelens op zijn gedrag te projecteren.’ Hier spreekt geen broer maar een maatschappelijk werker. Het is zoeken naar een persoonlijke typering die wél een levendig beeld geeft van Hub. Want alleen daarmee kan de moeizame dynamiek tussen de twee broers invoelbaar worden gemaakt en alleen dán zal de lezer Dautzenbergs frustraties en verlangens begrijpen en daarover willen lezen.

We vinden die levendigheid gelukkig in de vele jeugdherinneringen, vaak opgetekend in korte verhalen, vol treffende details. Neem de anekdote over Hub die zich tijdens een voetbalwedstrijd laat inlijven in het team van de tegenstander, dat met 15-0 wint. ‘Hub juicht bij elk doelpunt alsof hij wereldkampioen geworden is.’ De lul. Aan de andere kant: wanneer Hub en Anton bruidsjonkertjes zijn – compleet met stropdasje, korte broek en lakschoentjes – geeft Hub Anton tijdens de plechtigheid een kusje. Lief.

Ik bestaat uit twee letters

***

A.H.J. Dautzenberg

De Arbeiderspers

720 pagina's

€ 27,99

Spiegeling

Prachtig zijn ook de verhalen Graven 1 t/m 4. In het eerste verhaal weet de kleine Anton een rode schep te bemachtigen. Hub, die er geen heeft, staat beteuterd te kijken hoe zijn broertje ermee graaft. Daarop geeft Anton zijn schep aan Hub. Het tweede verhaal is precies hetzelfde, alleen zijn de rollen omgedraaid. Het derde eindigt anders: Hub heeft de schep maar deelt die niet met Anton. ‘Hub lacht me uit en steekt zijn schep diep in het zand.’ In het vierde verhaal zijn de rollen weer omgedraaid. Zeer korte verhalen die in hun eenvoud de complexiteit van de tweelingrelatie laten zien: het staat niet vast wie goed is en wie slecht, want de aan tweelingen zo inherente spiegeling draait alles even vlug weer om.

Hoe Dautzenberg met eindeloos veel geduld de rol van verzoener blijft uitvoeren is ontroerend. Hij neemt zijn taak met een bijna kinderlijke plechtigheid serieus. ‘Ik hoop dat ik straks voldoende energie heb om mijn familie te helpen.’ Geen dautzenbergiaanse snedigheid bij familieaangelegenheden.

Toch komt zijn broedermissie steeds vaker in het gedrang door vergaderingen, stress, een begrafenis, vrienden in nood, reisjes en werk; Dautzenberg beschrijft het allemaal zó uitgebreid dat het afleidt. Wat kan ons het schelen met wie hij op een borrel heeft staan kletsen, hoe de onderhandelingen over een bepaalde opdracht verlopen, wat er in het jaarverslag staat van een culturele instelling in Heerlen? Probeert Dautzenberg op deze manier te vergeten dat zijn verzoeningspoging met Hub is mislukt?

‘De afstand is alleen maar groter geworden’, concludeert hij. Tragisch, maar zo hoort het wel een beetje, in een dagboek, zelfs als het met voorbedachten rade is geschreven. ‘Eind goed, al goed’ laat zich niet zomaar verzinnen.