Dat zovelen zich Indiër voelen is al een wonder

Op 15 augustus 1947 gaven de Britten het kroonjuweel van hun wereldrijk op. De gouden toekomst die met de nieuw verworven vrijheid voor India leek te beginnen, is er niet gekomen....

SALMAN RUSHDIE

ALS JE vijftig wordt, kun je eigenlijk maar twee dingen doen: 1) je kop in de wind gooien, dat wil zeggen: een lange neus trekken naar Vadertje Tijd, het feest der feesten organiseren en luidkeels verkondigen dat je van plan bent om schandelijk oud te worden; of (2) kiezen voor de nurkse benadering, dat wil zeggen: je verzetten tegen elke vorm van feestelijkheid, je hoofd onder de kussens verstoppen en hopen dat de dag gauw voorbij is.

Toen onlangs mijn eerste halve eeuw erop zat, kon ik gezien mijn karakter niet anders dan kiezen voor optie 1). Nu is India aan de beurt. En hoewel overal ter wereld veel ophef wordt gemaakt over de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid, opteert India zelf voor een halfhartige, naar categorie 2) neigende ach-wat-stelt-het-allemaal-voor-en-waarom-zouden-we-het vieren-achtige houding, die veel internationale waarnemers de wenkbrauwen doet optrekken. Je krijgt de indruk dat de dame liever had gehad dat niemand wist dat ze al vijftig werd.

Anders dan westerlingen, hebben Indiërs sowieso minder op met dit soort herdenkingen. De jaarlijkse parades op Republic Day (26 januari), die erg populair zijn bij buitenlandse toeristen - vooral vanwege de kleurrijk opgetuigde olifanten - brengen de lokale bevolking bepaald niet massaal op de been. De viering van onafhankelijkheidsdag zelf (15 augustus) is traditioneel ook al een tamelijk matte bedoening.

Tien jaar geleden was ik ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van het vertrek van het Britse bestuur in het Rode Fort in Delhi om de toespraak te filmen van de toenmalige premier Rajiv Gandhi. Hoe groot de interesse van het volk was, bleek toen tijdens Rajiv's gloedvolle betoog de mensen in groten getale naar de uitgang liepen.

De regerende bovenlaag in India is er nooit echt happig op geweest om gemeenschapsgeld te besteden aan grootse festiviteiten. Men gaat er van uit dat de bevolking niets moet hebben van spectaculaire vuurwerkshows en dergelijke, omdat het geld veel beter besteed kan worden aan nuttige zaken als irrigatieprojecten.

Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat het Indiase volk vanwege de recente corruptieschandalen en het onuitroeibare kleinzielige gebakkelei tussen de politieke partijen al zo'n lage dunk heeft van zijn leiders, dat een feestje er ook nog wel bij kan.

Toen Nehru vijftig jaar geleden werd ingehuldigd als eerste minister-president van een onafhankelijk India, brak er volgens hem een nieuw tijdperk aan waarin de ziel van een eeuwenlang geknecht volk ten langen leste tot ontplooiing kon komen.

De collectieve tegenzin om ook nu weer uitgelaten het Nehru-mutsje (topi) in de lucht te werpen, kan dan ook verklaard worden uit de wrede wijze waarop de geschiedenis de pas bevrijde ziel op de proef heeft gesteld. Terwijl augustus 1947 voor vele Indiërs een nieuw begin was dat hen vervulde van hoop en verwachting, staat augustus 1997 in het teken van afsluiting.

Het eerste hoofdstuk van de geschiedenis van het postkoloniale India is geschreven. De gouden toekomst die met de nieuw verworven vrijheid leek te beginnen, is er niet gekomen. Nu, aan de vooravond van een nieuw tijdvak, overheerst bij de bevolking een gevoel van ontgoocheling.

Dat in India de hoop sinds 1947 langzaam heeft plaatsgemaakt voor desillusie, valt te verklaren uit een hele waslijst van oorzaken. De voornaamste daarvan is uiteraard de deling van het land, die plaatsvond toen de Britten zich terugtrokken en die de schaduwzijde van de onafhankelijkheid betekende.

De beslissing om een deel van het subcontinent te amputeren ten behoeve van een eigen vaderland voor de moslims (Pakistan) leidde tot bloedige slachtpartijen waarbij een miljoen hindoes, sikhs en moslims het leven verloren.

De deling heeft van begin af aan de betrekkingen tussen de beide jonge staten vergiftigd, en je kunt je dan ook afvragen waarom een van de grootste tragedies van deze eeuw in vredesnaam feestelijk herdacht zou moeten worden.

Net als vele andere liberale Indiërs verzet ik mij tegen de gedachte dat de deling onafwendbaar was omdat deze de verwezenlijking zou zijn van een diepgewortelde volkswil; ik zie de deling veeleer als een gevolg van de onoverbrugbare politieke tegenstellingen tussen Gandhi en de Congrespartij enerzijds, en M.A. Jinnah en diens Moslimliga anderzijds, die ertoe leidden dat Jinnah, aanvankelijk een fel tegenstander van een aparte moslimstaat, zich geleidelijk ontpopte als vurig pleitbezorger en later het eerste staatshoofd van Pakistan zou worden.

Het moet gezegd dat ook de Britten met hun verdeel-en-heers-tactiek bepaald niet hebben bijgedragen aan het voorkomen van de deling.

Mijn eigen familie viel - zoals vele moslimfamilies - door de deling min of meer in twee helften uiteen. Mijn ouders en twee ooms en hun gezinnen kozen ervoor om in Bombay te blijven, maar mijn tantes trokken met hun gezin naar West-Pakistan, zoals het huidige Pakistan tot 1971 werd genoemd, in welk jaar Oost-Pakistan zich afscheidde en Bangladesh ging heten.

Onze familie had in zoverre geluk, dat ze gevrijwaard bleef van de ergste gewelddadigheden, maar dat neemt niet weg dat de grens die ons van elkaar scheidde een onuitwisbaar stempel op ons aller leven heeft gedrukt. Wie zou het in zijn hoofd halen om het neerlaten van het IJzeren Gordijn of de bouw van de Berlijnse Muur feestelijk te herdenken?

De bloedige nasleep van de deling was het begin van een periode waarin India nog veel meer ellende te verduren kreeg, vooral in de vorm van immense sociale problemen, die nog altijd op een oplossing wachten.

Indira Gandhi's fameuze slogan garibi hatao, 'maak een eind aan de armoede', is een loze kreet gebleken; India's armen zijn nog altijd even arm, alleen zijn het er nu meer dan ooit, mede dankzij de gehate gedwongen-sterilisatiecampagne onder leiding van Indira's zoon Sanjay midden jaren zeventig, waardoor alles wat tot dan toe op het terrein van de geboortebeperking was bereikt teniet werd gedaan.

Analfabetisme, kinderarbeid, zuigelingensterfte, discriminatie van de lagere kasten en de kastelozen zijn structurele problemen die het land blijven teisteren. (Onlangs nog waren er in Bombay dagenlang rellen nadat om de nek van het standbeeld van Ambedkar, de leider van de kastelozen, een krans van schoenen was gelegd - in India een traditionele manier om iemand te vernederen.)

Traditionele vormen van geweld steken opnieuw de kop op. Dat geldt bijvoorbeeld voor de praktijk om getrouwde vrouwen te verbranden als de bruidsschat niet wordt betaald. Ook zijn er gruwelijke bewijzen gevonden van kinderoffers ter ere van de godin Kali.

Er vinden geregeld gewelddadige confrontaties plaats tussen de diverse bevolkingsgroepen. Sikh-terroristen, die streven naar een onafhankelijke staat, plegen bomaanslagen in Punjab en in Kashmir worden toeristen die deze paradijselijke vallei bezoeken door militante separatisten ontvoerd en gedood.

Grootschalig bloedvergieten heeft plaatsgevonden in Meerut, in Assam en in Ayodhya (Uttar Pradesh), waar in 1992 de Babri-moskee werd verwoest door fanatieke hindoes omdat ze meenden dat deze op de plek stond waar de hindoegod Ram werd geboren.

Mijn geboorteplaats Bombay waande zich lange tijd een stad waar de diverse bevolkingsgroepen min of meer vreedzaam konden samenleven. In 1993 maakte een golf van bomaanslagen een eind aan deze mythe. Het idealisme en het vertrouwen van vlak na de onafhankelijkheid leek definitief verdwenen.

Het bloedvergieten gebeurde in het hart van die veelzijdige en dynamische metropool, die staat voor zowel het beste als het slechtste dat het nieuwe, moderne India kenmerkt; voor vernieuwing en ondernemingsgeest zowel als voor achterlijkheid en uitzichtloze verpaupering, voor kosmopolitisme zowel als voor bekrompen sektarisme.

En dan is er natuurlijk de corruptie. In mijn roman De laatste zucht van de moor (The Moor's Last Sigh) typeert een van de personages de Indiase democratie als het systeem van 'een man, een steekpenning' en introduceert hij de Indiase relativiteitstheorie ('everything is for relatives').

Zoals veel van wat er over India geschreven wordt, klinkt dit als een overdrijving maar is het in werkelijkheid een understatement. De corruptie neemt zo langzamerhand hilarische vormen aan. Sinds het Maruti-schandaal in de jaren zeventig (waarbij enorme hoeveelheden belastinggeld, bestemd voor een 'volkswagen'-project geleid door Sanjay Gandhi, spoorloos verdwenen) is het van kwaad tot erger geworden.

In de jaren tachtig was er het Bofors-schandaal (grote bedragen uit de schatkist raakten zoek bij een internationale wapentransactie die de reputatie van Rajiv Gandhi bezoedelde), en in de jaren negentig het beursschandaal, waarbij - wederom - enorme hoeveelheden belastinggeld gebruikt werden om de koersen te beïnvloeden.

Tientallen politieke leiders worden beschuldigd van corruptie. Onder hen zijn de laatste premier van de Congrespartij, P.V. Narasimha Rao, en Laloo Prasad Yadav, premier van de deelstaat Bihar (een van de armste gebieden van India).

De laatste moet zich verantwoorden voor zijn aandeel in de affaire die bekend staat als de veevoederzwendel, waarbij - het wordt eentonig - geweldige sommen belastinggeld zijn aangewend om jarenlang grote, doch niet bestaande kuddes vee van voedsel te voorzien. Meer dan 150 miljoen dollar zou op deze manier zijn verdwenen in de bodemloze put van een opzetje dat zelfs aartszwendelaar Tsjitsjikov, de anti-held uit Gogol's Dode Zielen, niet had kunnen bedenken.

We kunnen nog wel even doorgaan in deze trant, want er valt nog genoeg te klagen. Zo is er de opkomst van het militante hindoe-fundamentalisme, de verloedering van het ambtenarenapparaat - de kurk waar de Indiase democratie op drijft - en, zeer recentelijk, de afkalving van de coalitie waarop de minderheidsregering van premier I . K . Gujral steunt.

Het afbrokkelingsproces lijkt niet meer te keren: de Yadav-factie is er al uitgestapt, en de DMK - die haar aanhang heeft in het zuiden - heeft gedreigd haar steun in te trekken. Dat de regering nog niet is gevallen, komt alleen omdat iedereen beducht is voor nieuwe verkiezingen.

Iedereen, behalve de militante hindoepartij BJP, de grootste partij in het parlement, die momenteel in de oppositie zit maar grote kans maakt de volgende keer forse zetelwinst te boeken, waardoor het nog moeilijker zal worden om deze partij met vereende krachten van regeren af te houden.

De traditioneel ingestelden onder ons kunnen bovendien klagen over de slechte invloed van de televisiezender MTV op de Indiase jeugd, en de sportliefhebbers kunnen terecht jammeren dat India op sportief gebied de laatste tijd niets meer voorstelt in de wereld. Et cetera, et cetera.

En toch heb ik een feestelijk gevoel. Er is heus niet alleen slecht nieuws. Zo heeft India met Narayanan voor het eerst een 'kasteloze' president, zodat er nu hoogstwaarschijnlijk een eind komt aan de grootste uitwassen van het kastestelsel.

Maar wat mij vooral in verrukking brengt, is datgene wat die bewuste 15 augustus om middernacht geboren werd en ondanks alle rampspoed tijdens de eerste vijftig jaar van zijn historie overeind is gebleven: het begrip 'India'.

Ik heb veel nagedacht en geschreven over de betekenis van dit begrip. In 1987, het vorige jubeljaar, heb ik het hele land doorkruist en aan allerlei gewone mensen gevraagd wat volgens hen het begrip 'India' inhield en wat het voor hen betekende.

Het mag opmerkelijk heten, gezien de grootte van het land, de heterogeniteit van de bevolking en de sterke verbondenheid met de eigen regio, dat voor iedereen die ik sprak 'India' een vertrouwd begrip was, dat iedereen wist waar het voor stond, en dat iedereen zich 'Indiër' voelde'.

Wel was het zo dat de definities van het begrip 'India' zeer uiteenliepen, evenals de ideeën over wat het precies inhield om Indiër te zijn. Maar die verscheidenheid behoort nu juist tot het wezen van India.

Salman Rushdie is schrijver.

Vertaling: Brigit Kooijman.

Los Angeles Times Syndicate.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden