BeschouwingW.F. Hermans

Dat waren nog eens tijden: Onno Blom leest de ongebundelde Hermans en krijgt heimwee naar de Grote Drie

Zelf zou W.F. Hermans het een ramp hebben gevonden, zo’n boek met ongebundeld werk. Onno Blom leest het ademloos uit.

Beeld Claudie de Cleen

Ik heb heimwee naar de tijd van de Grote Drie. Naar de tijd dat De aanslag van Harry Mulisch een aanslag was op de bestsellerlijst. Naar de tijd dat Het boek van violet en dood van Gerard Reve, dat alle boeken inclusief de Bijbel en het telefoonboek overbodig moest maken, nog moest verschijnen. Naar de tijd dat Hermans de voorpagina van het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad vulde – néé, geen tabloid, dat is een halve krant, gewoon een echte krantenpagina vol – met een ‘esseej’ over Schopenhauer of chicanes over de teloorgang van de Nederlandse taal. Of een schop onder de kont van ‘malle Hugo’ Brandt Corstius.

Ik heb heimwee naar een tijd waarin schrijvers een hele denkwereld met zich meetorsten op hun nek zoals Atlas de aarde, een oeuvre hadden als ‘één groot organisme, waarin elk onderdeel met alle andere verbonden is door ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen, waardoor onderling voeling gehouden wordt en geheimzinnige berichten heen en weer worden gezonden, stromingen, seinen, code…’ Schrijvers die over een mythische persoonlijkheid beschikten, wier biografie je meeleefde als je las. Boeken waarin geen mus van het dak viel zonder dat het betekenis had.

Waar is die tijd gebleven?

Reikhalzend kijk ik uit naar De jaknikker en Hysteria siberiana, deel twee en drie van de trilogie van Peter Buwalda, naar de nieuwe romans van Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer, naar de essays van Arnon Grunberg – die vrees en die vreet ik.

Toch is er iets veranderd. Zij slagen er niet in om op mij zo’n daverende indruk te maken als de Grote Drie, Vier of Vijf in de vorige eeuw. Want het gaat me niet alleen om die literaire veldheren, die elkaar continu onder schot hielden en zo hun eigen mythe gezamenlijk in stand hielden.

Jan Wolkers heeft tegen mij gezegd: ‘Je hebt de zogenaamde Grote Drie, en de Hele Grote Drie: Hugo Claus, Remco Campert en Jan Wolkers.’ Vervolgens stak hij de loftrompet over het werk van Hella S. Haasse, waarvoor hij de opera omnia van honderd andere collega’s in de papierbak wilde flikkeren.

Dat mijn getalenteerde generatiegenoten een minder overweldigende indruk maken heeft, denk ik, te maken met het feit dat de positie van de schrijver is veranderd. Het stempel dat zij op het publieke en intellectuele debat drukken, is kleiner geworden, hoe vaak ze ook mogen aanschuiven aan talkshowtafels. Twee weken terug wees de filosoof Maarten Doorman in de Volkskrant op de alarmerende ontlezing onder de jeugd, de deplorabele staat van het onderwijs, de concurrentie van de beeldcultuur.

De rol van de literatuur lijkt bijna uitgespeeld. Dubbelzinnigheid, fictie, de kracht van stijl tellen minder dan toen. Schrijvers van nu hebben ook minder op te lossen, van zich af te schudden en meegemaakt. Bijna allemaal zijn ze, net als ik, opgegroeid in weelde en vrede. In de boeken van de Grote Drie resoneert in elke zin de oorlog; zij werden geboren in de jaren twintig van de vorige eeuw en waren bloedjong tijdens de Duitse bezetting.

Maar dat is geen afdoende verklaring. Het heeft ook met mij te maken. De indruk die de eerste boeken op je maken gaat nooit verloren en kan ook nooit worden overtroffen. Omdat ik de Nederlandse letteren heb leren kennen uit de boekenkast van mijn ouders – die gevuld was met de helden van hun generatie en die ik als 11-, 12-jarige gymnasiast achter elkaar leeg las – gaat er voor mij niets boven Voer voor psychologen, De avonden en De donkere kamer van Damocles (in de gitzwarte, gebonden editie met de c in de titel).

De meest gevreesde schrijver van zijn tijd

Het geheugen vertekent. De invloed van grote schrijvers uit het verleden kun je gemakkelijk overschatten. Heimwee is een illusie, een verlangen naar een tijd die nooit heeft bestaan. Naar een tijd, om met Reve te spreken, dat kinderen nog eerbied voor hun ouders hadden en de dieren nog spreken konden. Was de betekenis van de Grote Drie wel zo groot?

Dat vroeg ik mij af toen ik de afgelopen weken het duizend pagina’s dikke deel 20 van de Volledige werken van W.F. Hermans zat te lezen, het eerste van vier kloeke boeken waarin al zijn ongebundeld werk chronologisch is samengebracht. Dit zojuist verschenen deel bevat verhalen, beschouwingen, gedichten, kritieken en ingezonden brieven vanaf Hermans’ allereerste publicatie in 1934 – een stukje in Suum Cuique, ‘Ieder het zijne’, de schoolkrant van het Amsterdamse Barlaeus Gymnasium – tot 1952, het jaar van zijn aanstelling als wetenschappelijk medewerker fysische geografie aan de universiteit van Groningen, een stad die hij in zijn werk verpulverde tot ruisend gruis.

Wat zou Hermans, de meest gevreesde schrijver van zijn tijd, van zo’n boek met ongebundeld werk hebben gevonden?

Een ramp. In 1972 stelden Frans A. Janssen en Rob Delvigne, twee bewonderaars en uiterst nauwkeurige speurneuzen, een bibliografie samen van Hermans’ verspreide publicaties. De samenstellers stelden de schrijver daarvan per brief op de hoogte. ‘Had ik maar nooit in mijn leven iets opgeschreven dat ik later niet meer belangrijk zou vinden’, schreef Hermans terug. ‘Had ik maar altijd precies gezegd wat ik bedoelde!’

Al die stukjes, vond Hermans, hadden spoorloos in het niet mogen verdwijnen. In een inleiding bij de bibliografie, die de schrijver desondanks bereid was te schrijven, ‘want ik ben, alles bij elkaar minder verbodvaardig dan met mijn autoritaire persoonlijkheid strookt’, verzuchtte hij: ‘Ik word doodmoe bij de gedachte dat deze of gene schriftgeleerde gewichtige maar foute exegeses zal weten te distilleren uit een terecht compleet vergeten verhaaltje.’

In die inleiding, die hij ‘De hollerithkaart’ noemde – wie weet nog wat dát is? –, stelde hij zijn allereerste publicatie als voorbeeld. Niemand zou daaraan iets belangrijks kunnen ontlenen. Aan een scholierenopstel over het ‘midwinterblazen’ dat hij op vakantie bij zijn oom en tante in Twente had gezien.

‘Midden in de winter blazen ze op een grote hoorn om de kwade geesten te verdrijven, met als klankbord een diepe put, meen ik me te herinneren. Ik kan niet beweren dat ik toen (twaalf jaar oud, geloof ik) als schrijver hetzelfde nastreefde als nu, al zal de een of andere essayist die tuk op symboliek is, beweren dat mijn prille studie van dit volksgebruik symbolisch is voor het feit dat ik nadien voortdurend in een barre winter geblazen heb zonder veel kwade geesten te verdrijven, maar wel met een diepe put als klankbord.’

Als zijn echte debuut beschouwde Hermans het verhaal ‘De uitvinder’, dat hij op 17-jarige leeftijd scheef op een typemachine in het notariskantoor van voornoemde oom in Almelo, en waarmee hij op het Barlaeus een opstelwedstrijd won. Vervolgens stuurde hij het vergeefs op naar allerlei literaire tijdschriften en ten slotte naar het Handelsblad. Drie maanden later, een maand voor het uitbreken van de oorlog, op 6 april 1940, stond het in de krant, zij het met een andere titel: ‘En toch… was de machine goed’. De jonge Wim gloeide van trots. ‘Zo heb ik sindsdien nooit meer van een publicatie genoten.’

‘Een groot man’ worden

Op het gevaar af te worden versleten voor deze of gene schriftgeleerde met een gewichtige maar foute exegese, trof het mij hoe belangrijke elementen uit Hermans’ sadistische universum al in zijn verhaal aanwezig zijn: een dwingende stijl, spookachtige details en een fascinatie voor de techniek. Een jonge bohemien wil ‘de gouddorst die de mensen ongelukkig had gemaakt’ lessen door een machine uit te vinden die erts volledig van goud ontdoet en zo de waarde van het edele metaal tot niets terugbrengt.

Hoe geniaal de uitvinder ook is, zijn missie is gedoemd te mislukken. Niemand ziet er iets in. De onafwendbare ondergang van de eenzame held van dit verhaal verbeeldt al de genadeloze levensvisie van Hermans, ‘de mislukkingskunstenaar’, zoals zijn biograaf Willem Otterspeer hem heeft getypeerd, die moest mislukken om te slagen, en die zijn houding ten opzichte van de wereld samenvatte als: ‘Scheppend nihilisme, agressief medelijden, totale misantropie.’

Het debuutverhaal bevat de droom om ‘een groot man’ te worden. Uit de jeugdpublicaties van Hermans spreekt de wil om de beste schrijver van Nederland te worden. Na de oorlog probeerde hij van de pen te leven. Als broodschrijver maakte hij ruimte voor zichzelf, door zijn collega’s af te schieten en de literaire traditie naar zijn hand te zetten.

Hermans voerde een hevige strijd tegen de epigonen, de tweederangsnavolgers van Menno ter Braak en E. du Perron, de belangrijkste schrijvers van vóór de oorlog. Ter Braak en Du Perron hadden in het tijdschrift Forum een lans gebroken voor de ‘vent’ boven de ‘vorm’ en waren de strijd aangegaan met het fascisme. Op een van de eerste oorlogsdagen waren beiden gestorven: Ter Braak pleegde op 14 mei 1940 zelfmoord uit angst door de SD te worden opgepakt, dezelfde dag overleed Du Perron aan een hartaanval.

Zo kan het gaan in de geschiedenis: Forum had slechts een paar honderd abonnees gehad, maar de status van beide redacteuren groeide na hun dood uit tot mythische proporties. In 1946 schreef Hermans: ‘Sedert Du Perron is heengegaan, lijkt een deel van onze letteren op een kinderkamer waar vader niet thuis is. Iemand doet wat, een ander zegt: ‘Oh, als vader dat eens wist!’’

Beeld Claudie de Cleen

Polemist

Je kunt dit zien als de eerste stap in de vadermoord die Hermans op de schimmen van het duo zou plegen – vooral Ter Braak zou het bij Hermans gaan ontgelden. Maar uit nogal wat van Hermans vroege stukken kan óók worden geconcludeerd dat Hermans juist heel goed naar de mannen van Forum heeft gekeken. Vooral Du Perron was een leermeester. Die had hem op Multatuli gewezen en kon geweldige scheldstukken schrijven. Ook Du Perron beschouwde een roman, gedicht of verhaal dat hem niet beviel als een persoonlijke belediging – en gaf de maker er vervolgens ongenadig van langs.

In zijn eerste polemieken speelde Hermans al op de man. Het gezicht van de dichter A. Marja (het pseudoniem van Theo Mooij) deed hem denken aan ‘een wassen pop die te dicht bij de kachel heeft gestaan’. Van die vergelijking werd schande gesproken. Godfried Bomans vond het zó erg dat hij het citaat voor de lezers van de Volkskrant niet wilde herhalen.

Omdat Hermans zijn scherpste stukken bundelde in Mandarijnen op zwavelzuur, ontbreken die in Ongebundeld werk. Al had het niet veel gescheeld: geen uitgever wilde in de jaren vijftig de kritieken van Hermans uitgeven, zowel Geert van Oorschot als Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij schrok ervoor terug omdat daarin al ‘hun’ auteurs dodelijk werden beledigd. Daarop gaf Hermans ze zelf uit in november 1963, in een boek op groot, vierkant formaat en voorzien van collages waarin hij het uiterlijk van zijn collega’s onherstelbaar had verknipt en beplakt.

Romanticus en bewonderaar

In dit deel van de Volledige werken komt óók een andere kant van Hermans naar voren: die van de romanticus en bewonderaar. In lovende stukken laat hij zien waarin de aantrekkingskracht van het surrealisme school en waarom Slauerhoff, Van Schendel en Multatuli belangrijke schrijvers waren. ‘Een literatuur is pas dan een literatuur te noemen, wanneer zij een maatschappelijke kracht betekent’, schreef hij in 1950 in Over Multatuli.

Over De avonden van – destijds nog – Simon van het Reve schreef hij, vóór de ontvangst van de roman uit, een heldere analyse. In ‘Het alziend oog in de nachtspiegel’ merkte Hermans op dat Van het Reve zijn personages als het ware van onderaf beschreef – ziedaar de titel van zijn stuk – en dat zijn jonge collega bovendien cruciale delen van het leven verzweeg. In de roman worden gevoelens, verwachtingen of hoop niet beschreven en juist daarom houdt het verhaal je als lezer in een angstige greep. ‘Van het Reve is iemand die een machine beschrijft, doch niet vermeldt waar deze voor dient, hoe zij is geconstrueerd enz. enz., maar hoe de raderen knarsen en hoe de olie uit de naven druppelt.’

Hermans raakte bevriend met Reve. Ze zagen veel in elkaars werk, correspondeerden, overwogen zelfs even samen een roman te schrijven. De vriendschap bekoelde aan het einde van de jaren vijftig, door de overgevoelige natuur van Hermans en zijn afkeer van Reves bekering tot het katholicisme. ‘Ik verbaas mij meer en meer dat ik je nooit meer zie’, schreef Reve. ‘Moet ik aannemen dat ik in ongenade ben?’ Op 20 februari 1959 schreef Hermans terug: ‘Hoe onbegrensd mijn medelijden ook moge wezen, mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dit overkomt jou dus bij dezen.’

‘Storm in een glas wijwater’

Opmerkelijk genoeg is het allerlaatste stuk in Ongebundeld werk, afkomstig uit het nummer van Podium uit april 1952, een aanvulling op een stuk dat Harry Mulisch had geschreven om zijn gevreesde collega bij te vallen. Op Oudejaarsdag 1951 had de openbaar aanklager laten weten dat Hermans zou worden vervolgd vanwege kwetsende passages in een hoofdstuk uit zijn roman Ik heb altijd gelijk, dat in Podium was gepubliceerd.

Lodewijk Stegman, de getraumatiseerde held uit Hermans’ roman, gaat tekeer tegen de katholieken: ‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien erop los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen!’

Hermans beriep zich op het recht van een schrijver om zijn personages te kunnen laten zeggen wat ze wilden. Mulisch – die nog niet was gedebuteerd, maar voor zijn roman archibald strohalm in november 1951 al wel de Reina Prinsen Geerligsprijs had gekregen – schreef een adhesiebetuiging: ‘W.F. Hermans en Priscillianus’. Daaraan voegde Hermans een stukje toe waarin hij zijn eigen pleidooi in de rechtbank citeerde en de katholieke pers verweet stemming te maken tegen justitie. Mulisch vond het vreemd genoeg goed dat Hermans’ toevoeging onder zijn naam in de polemische rubriek ‘De proppenschieter’ van Podium verscheen.

Aan Paul Rodenko had Hermans op 2 februari 1950 geschreven: ‘Wat mij in de eerste plaats in het redacteurschap van Podium bekoort, is het feit dat ik weer een moordwerktuig tot mijn beschikking krijg, al is het dan maar een proppenschieter.’

Tussen Hermans en Mulisch ging het al snel verkeerd. Vier maanden later waagde Mulisch het om in een recensie iets kritisch te zeggen over Het behouden huis. In Mandarijnen op zwavelzuur drukte Hermans die recensie integraal af en schreef eronder: ‘Hoe groen was mijn Harry.’

W.F. Hermans was met niemand solidair. Niets zag hij in het progressieve idealisme van Harry Mulisch, in de katholieke krullendraaierij van Gerard Reve. Mulisch was van het Grote Ja, Hermans van het Grote Nee. Hij stond alleen. In april 1953 werd Hermans vrijgesproken. De affaire rond Ik heb altijd gelijk deed hij later af als ‘een storm in een glas wijwater’.

Zijn pennestrijd, het gerommel in al die tijdschriftjes, de boutades tegen vergeten schrijvers lijkt van weinig betekenis. Toch heb ik veel stukken ademloos zitten lezen. Ze zijn lang niet allemaal goed, soms deprimerend, soms giftig. Maar ze geven je het gevoel dat de literatuur net zo belangrijk is als het leven. Dat alles nog moet beginnen.

Dat waren nog eens tijden.

Willem Frederik Hermans: Volledige werken 20 – Ongebundeld werk. De Bezige Bij; 1024 pagina’s; € 44,99.

Beeld De Bezige Bij

Volledige werken

In het najaar van 2005 verscheen het eerste deel van de Volledige werken van Willem Frederik Hermans. Sindsdien zijn twintig delen verschenen waarin de ‘Ausgabe letzter Hand’, de laatste, definitieve editie van zijn boeken, is te vinden met uitgebreid commentaar van de editeurs van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Het is ironisch dat juist voor de wetenschappelijke uitgave van het oeuvre van Hermans, die altijd het gebrek aan besef voor de waarde van de literaire traditie in Nederland hekelde, miljoenen euro’s overheidssubsidie zijn vrijgemaakt. De Volledige werken verschijnen in twee edities: een volkseditie en een luxe-editie, gemodelleerd naar de door Hermans geliefde Bibliothèque de la Pléiade van Gallimard.

De Bezige Bij laat weten dat van alle delen samen zo’n 45 duizend exemplaren zijn verkocht. ‘De afzet per deel verschilt nogal. De delen met romans zijn het populairst. Daarnaast lopen de aantallen in de loop der tijd wat terug. Dat komt mogelijk ook doordat de recente delen wat minder aantrekkelijk zijn voor een breed publiek.’

Deel 20 is het eerste van vier delen ongebundeld werk. Dit deel bevat Hermans’ vroegste ongebundelde publicaties, verschenen tussen 1934 en 1952. Het afsluitende deel 24, dat ‘overig werk’ bevat, met onder andere Hermans’ proefschrift, plezierdrukjes en drie van de vier thrillers die hij schreef onder het pseudoniem Fjodor Klondyke, wordt verwacht op Hermans’ honderdste geboortedag: 1 september 2021.

‘Verzamelde Werken? In nog geen jaren. Een paar weken geleden heb ik 248 verbeteringen in Nooit meer slapen aangebracht. Ik hoop nog eens te beleven dat ze in een herdruk kunnen komen. En zo krijg ik voortdurend spijt over allerlei oude publicaties. Misschien dat ik ook nog wel eens een paar honderd verbeteringen in Onder professoren aanbreng. En misschien zouden bepaalde passages in Damokles en Engelbewaarder het best totaal herschreven kunnen worden. Pas als ik in zulke dingen totaal geen zin meer heb, is de tijd voor Verzamelde Werken daar, denk ik.’ (Willem Frederik Hermans in een brief aan Frans A. Janssen, 23 juli 1978)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden