Dat is Sneeuwwitje, of toch niet... Lidwien van de Ven gunt de toeschouwer nauwelijks rust

Niets aan de reusachtige foto's van Lidwien van de Ven is fake. Maar wat is die werkelijkheid nu precies? De aanblik van de Rijksdag, met puin op de voorgrond, kan een ontluistering zijn, maar ook een glimp van een hoopvolle toekomst....

DE MONUMENTALE en reusachtige foto van de Reichstag in Berlijn toont het gebouw in een ontluisterende, onttakelde staat. Van de koepel resteert slechts het geraamte. De gevels en de torens gaan schuil achter met zeil en netten bedekte steigers, als voiles die rouw en schaamte aan het zicht moeten onttrekken. Rondom is het een moddervlakte met bergen betonbrokken, verwrongen vlechtwerk. Er staan hijskranen, cementhouders en bouwketen, maar er is geen mens te zien - nergens is enige activiteit te ontdekken. Het beeld laat de stilte horen.

De foto op billboardformaat van Lidwien van de Ven maakt deel uit van de installatie die zij maakte voor de Amsterdamse Galerie Paul Andriesse. In dezelfde ruimte hangen - alle op groot formaat en in zwartwit - twee, bij de eerste aanblik identieke, haarscherpe portretten van het meisje Judith, een overzichtsfoto van het Olympisch Stadion in Berlijn, een foto van een vrouw achter een wit laken dat ze met gestrekte armen voor zich houdt, en nog een van Judith. Dit keer is haar beeltenis duister en onscherp, zodat het enige moeite kost om te ontdekken wat het meisje in haar handen houdt. Het blijken pistolen te zijn.

'Sinds mijn werk wordt tentoongesteld, vanaf 1985, heb ik gemerkt dat de toeschouwers op mijn foto's andere dingen zien dan er op stonden. Het is onwil, of onvermogen, de werkelijkheid te zien', zegt Van de Ven (1963). Zo waren er die zeker meenden te weten dat de kleine Judith geen pistolen vasthoudt, maar de handvatten van een springtouw. Misschien omdat we gewend zijn zo'n meisje, in haar mooie, met rouches afgezette jurk, te associëren met vrolijk kinderspel. We zijn niet gewoon in zo'n symbool van onschuld een gevaarlijk wezen te zien, dat de wijsvinger op de trekker van het vuurwapen laat rusten.

De verbeelding van de toeschouwer is sterk. Wie bepaalt eigenlijk dat de aanblik van de Rijksdag op Van de Vens foto ontluisterend is? Dat het puin op de voorgrond doet denken aan het naargeestige Duitse verleden, dat wordt blootgelegd zodra een bulldozer een bodemlaagje wegschuift? Een optimistische geest kan de werkzaamheden aan het Duitse parlementsgebouw ook bezien als het begin van een hoopvolle toekomst. Die ziet niet de stilte op het bouwterrein, maar denkt aan de volgende dag, als het er een geratel, geboor en getimmer van jewelste zal zijn. Die denkt aan het moment van de oplevering, wanneer de koepel van de Rijksdag zal fonkelen als de kroon van het herenigde Duitsland. Die ziet geen modder maar het prachtige plein of park van straks.

Niemand ziet hetzelfde, iedereen schept zijn eigen werkelijkheid. En als er een bepaald gedeelte in de hersens is waar de werkelijkheid wordt verwrongen tot een eigen interpretatie, dan is dát het werkterrein van Lidwien van de Ven.

Al sinds begin jaren tachtig, toen Van de Ven naar de Akademie voor Beeldende Kunsten Sint Joost in Breda ging (en daarna naar de AKI in Enschede), is ze geïntrigeerd door de manier waarop mensen zien en waarnemen, hoe ze de werkelijkheid ervaren en vervormen. Zo kwam ze ook bij de fotografie en bij filmen terecht, 'omdat die media, anders dan bijvoorbeeld de beeldende kunst, werkelijkheid kunnen registreren en omdat ze putten uit de directe waarneming'.

De authenticiteit van het materiaal is cruciaal. Ter plekke verzamelt Van de Ven de beelden, niets op haar foto's is fake, er wordt niet geënsceneerd. Die instelling weerspiegelt zich nadrukkelijk in haar werk, waaruit een grote ernst spreekt.

Alleen bij hoge uitzondering neemt Van de Ven haar toevlucht tot het beeldmateriaal van anderen. Als ze voor een tentoonstelling een foto van een vermoorde vrouw nodig heeft, bijvoorbeeld, probeert ze die te krijgen uit een politiearchief. 'Een moord kan ik zelf alleen verbeelden door die in scène te zetten. Dan is het geen werkelijkheid meer. Ik zou echt een moord kunnen plegen, maar dan moet ik iemand doden. Moord fotograferen is een onmogelijkheid.'

Aan het maken van een installatie gaat een langdurige periode van selecteren vooraf. Foto's en filmbeelden, de titels die ze er soms aan geeft, maar ook boeken en meubelstukken, kunnen deel gaan uitmaken van het verhaal dat Van de Ven wil vertellen. Of nee: van het verhaal dat ze juist niet vertelt. 'Mij gaat het er niet om hóe je een goeie roman schrijft, maar wat de basis is die daaraan ten grondslag ligt.'

Welk verhaal zich in het hoofd van de toeschouwer ontspint, dat laat van de Ven aan de menselijke geest over. Het is tegelijkertijd de enige vrijheid die ze ons gunt. Want van haar werk gaat - ook al vanwege dat reuzenformaat - een dwingende werking uit. De foto's vragen erom, éisen van dichtbij en verderaf te worden aanschouwd, en nog eens. Het is als een trap tegen het achterwerk van de verbeelding.

Zo dwingt Van de Ven ons de twee bij eerste aanblik gelijke portretten van Judith te bekijken, die naast elkaar aan de wand hangen. Je voelt dat er iets mee aan de hand is, en alleen door de details te bestuderen en te vergelijken - de oogleden, de irissen, het oogwit - is het geheim te ontrafelen; zo geven de minuscule verschillen zich prijs.

Olympiastadion Berlin is van duizelingwekkende hoogte genomen, zodat het immense stadion zich bijna nederig voor de toeschouwer neervleit. Wie dat wil, kan de foto zien als een geruststellend bericht uit Duitsland. Waar bij de Olympische Spelen in 1936 tienduizenden nazi's hun kelen schor brulden, aanschouwt nu een handjevol toeschouwers hoe atleten - vermoedelijk - de laatste meters van een marathon afleggen. Toptijden worden er niet gerealiseerd, het scorebord staat op 2 uur, 53 minuten en 8 seconden.

Maar evenzeer is de foto in staat iemand van zijn stuk te brengen. Door haar camerastandpunt, precies tussen de twee zuilen die het stadion markeren, benadrukt Van de Ven de strenge en imposante architectonische symmetrie. Bovendien vertelt de foto dat dit pronkstuk van nazipropaganda een plaatsje heeft verworven in het leven van alledag - er wordt doodgewoon gesport.

Zo buitelen de gedachten over de toeschouwer heen bij het zien van één beeld. Als hij dan andere foto's ziet, van Judith (een joodse naam), de mysterieuze vrouw achter het witte laken ('cinema') en van de Rijksdag, zwelt de gedachtenstroom aan.

Een en dezelfde foto kan deel uitmaken van verschillende installaties, en iedere keer zal de foto een andere uitwerking hebben op de toeschouwer. Zo was de foto van de naar de grond starende Judith met de pistolen eerder te zien in Cottbus in de voormalige DDR. Daar toonde Van de Ven beelden van vrouwen die gemeenschappelijk hadden dat ze geen van allen in de camera kijken. Op een foto knippert een vrouw net met haar oogleden, op een andere slaapt er een. Op weer een andere - uit een politiearchief - is het slachtoffer te zien van een moord. Ze ligt op de vloer van de woonkamer, het gezicht gaat schuil achter een tafelpoot.

Lang en zorgvuldig kijken naar Van de Vens werk loont de moeite. Ze laat een foto zien met de zijaanblik van een vrouw, in slaap verzonken. Alleen zij is helder verlicht, waardoor het lijkt alsof ze in een glanzende glazen kist ligt. Van de Ven: 'Wie oppervlakkig kijkt, is geneigd te roepen: ''Dat is Sneeuwwitje.'' Pas wanneer je beter kijkt, zie je dat het een filmprojectie is, een fragment uit Leaving Las Vegas.'

Ze maakte de foto tijdens een openluchtvoorstelling. Kijk nog eens goed, en je ziet in de duisternis achter het scherm het silhouet van een boom, en de verlichte ramen van een flatgebouw. Voor het doek worden de contouren zichtbaar van het publiek. Het is een verrassende ervaring, die onmiddellijk en opnieuw nieuwsgierig maakt naar het werk waaraan je eerder misschien enigszins achteloos voorbij bent gegaan.

'Door de reclame zijn we eraan gewend geraakt dat beelden iets van ons moeten, ons iets willen opdringen: wil je dat het publiek bij de les blijft, zorg dan dat je beelden catchy zijn. Dat is tegengesteld aan mijn werk. Om dat te ervaren heb je tijd en rust nodig. Je moet je ogen de kans geven om er aan te wennen.'

Lidwien van de Ven, t/m 14 oktober in Galerie Paul Andriesse, Prinsengracht 116, Amsterdam. Di-vr 11-18 uur, za 14-18 uur. Eerste zondag van de maand 14-18 uur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden