Interview

'Dat bandje van ons begint een beetje in vorm te raken'

Een half uur alleen met Keith Richards op een hotelkamer - de droom van iedere popjournalist; nu werkelijkheid. Aanleiding: de levende rocklegende heeft een nieuwe soloplaat. Al komt ook het S-woord voorbij.

Keith Richards, 2015. Beeld Mark Seliger

Drie sigaretten, hebben we dat goed geteld? Niets laten ontsnappen, pak het notitieblok. Schrijf op: 'Drie sigaretten.' Ja, Keith Richards rookte tijdens een gesprek van ruim een half uur drie sigaretten. Welk merk? Shit, niet geregistreerd. Wel die aansteker, naast hem op dat bijzettafeltje. Een aansteker als een handgranaat. Overdreven groot. Stoer ding. Echt een Keith Richards-aansteker.

En dat longdrinkglas, dat nog bijna over het opnameapparaat viel, wat zat daarin? Was dat echt Orangina? Hing daar niet een donkerbruine, Jack Daniel's-achtige sluier in? Noteren. En schrijf ook de lullige opmerking van die bodyguard maar even op. Die kunnen we ook nog wel gebruiken.

Als je dan eindelijk, na een lange dag van opgebouwde spanning en minutieuze voorbereiding, kamer 332 van hotel George V weer uit wandelt, na je interview met Keith Richards (ja: je interview met Keith Richards!), moet het brein even doorracen om alles een plek te geven. Om de losse fragmenten van het plaatje 'Keith Richards in Parijse hotelsuite' in elkaar te steken, zodat je het beeld weer helder hebt. Want Keith Richards wil je wel vasthouden (vergeet dat zachte zijden hemd niet, met dat verfijnde rode ruitje).

'Als er een Mount Rushmore van de rock-'n-roll bestond, zou het hoofd van Keith Richards er zeker tussen zitten', zei de Oscarwinnende regisseur Morgan Neville onlangs, na het voltooien van zijn documentaire Under the Influence over de Stone-der-Stones. Keith Richards als een uit rots gehouwen kop, grijnzend in die beroemde heuvelen. Goed idee, eigenlijk. Je kunt je er iets bij voorstellen: zijn hoofd is al van het gebeeldhouwde soort.

Los Angeles, 1970. Beeld Getty Images

Rockgeschiedenis

Keith Richards is rockgeschiedenis - en zelfs dat klinkt als een understatement. Pure popadel. Oprichter van The Rolling Stones en in die hoedanigheid bedenker van de magistraalste rockriffs ooit uit een gitaar geramd. De man die zwarte gitaarblues en stuiterende rock-'n-roll van Chuck Berry tot onvergankelijke en hyperklassieke popmuziek wist te hameren. Die er op een asgrauwe zondagochtend, aan de schrijftafel met Mick Jagger, een wereldwonder als Jumpin' Jack Flash uit wrong, met een blik op de in de regen springende buurman 'Jack'.

Ach, wat moet je nog meer over de man opdreunen? Waar moet je beginnen, waar eindigen? Wat in elk geval is toegestaan: op Keith Richards het etiketje larger than life plakken. Als dat cliché voor iemand opgaat, dan toch voor Keith Richards. Het medische mirakel dat - ook volgens hemzelf- al drie keer dood had moeten zijn. Afgrijselijk rolmodel voor bezorgde ouders en het wereldwijde artsenvak, omdat de heer Richards (71) bewijst dat je met ontstellend veel drank en drugs toch een best respectabele leeftijd kunt bereiken.

En er ook de moed in kunt houden, zoals blijkt in kamer 332: 'Yeah, I'm doing fine. Splendid, actually!' Gevolgd door dat typische Keith Richards-lachje, waarin behalve veel lol om zichzelf ook nog altijd een hartelijk fuck you naar de wereld zit opgesloten: 'Hè hè hè.'

Busted
Opvallend: in veel teksten op Crosseyed Heart van Keith Richards figureert de politie, in nummers als het weinig verhullende Nothing On Me en Robbed Blind. Zit de man, die als pionierend harddrugsgebruiker herhaaldelijk werd opgepakt, soms iets dwars? Richards; 'Ja, gek, hè? Het viel mij ook op. Wat doen al die cops in mijn muziek, dacht ik toen ik de plaat zelf terugluisterde. Dat krijg je als je terugdenkt aan je leven. Je denkt aan je vrouw. Je kinderen. En in mijn geval: the cops. En al die keren dat je gepakt bent, met of zonder iets op zak.' life part II, nu nog openhartiger

Derde soloplaat

Overmorgen verschijnt een derde soloplaat van Keith Richards: Crosseyed Heart, de opvolger van Main Offender uit 1992. Na 23 jaar toch maar weer een serie sololiedjes, in een rafelig decor van rauwe al-wat-oudere-mannen-zang en lekker krakende gitaren. En over die plaat (en volgens zijn management over niets anders: 'Don't mention the Stones') wil Richards wel iets kwijt, aan een selectief gezelschap, op een nazomerdag in George V te Parijs - het hotel dat al bijna vijftig jaar dienst doet als Stones-residentie op het Europese vasteland. Waar in 1967 de verliefdheid tussen Richards en Brian Jones' vriendin Anita Pallenberg oplaaide, om maar eens een rockanekdote te noemen.

Vijf interviews doet Richards vandaag, en in buurkamer 331 zit het internationale persclubje dus heen en weer te schuiven, uit het raam te staren, toch ook maar een flesje Orangina weg te tikken. De jongen van een Frans dagblad heeft een T-shirt aan met de tekst: Keith Richards for president. 'Mijn eerste keer Keith Richards', verzucht hij. Een man uit São Paolo - 'net geland' - bladert door zijn blocnote, frummelt er nog een vraagje tussen.

Het duurt even, dat wachten. Maar het goede nieuws lekt onder kamerdeur 332 door. Keith Richards schijnt in een tophumeur te zijn. Thumbs up. Totdat de volgetatoeëerde lijfwacht, die de hele dag op een stoel naast de deur van zijn werkgever op nogal kolossale wijze zit wortel te schieten, probeert je een loer te draaien, tien seconden voor de deur naar het rockwonder openzwaait. 'Welk nummer ben jij? Vier? O mijn god, rot voor je. Keith haat nummers vier. Nummers vier komen altijd huilend naar buiten, wist je dat niet? Nou, succes man.'

Verenigde Staten, 1990. Beeld The LIFE Picture Collection/Gett
Chicago, 1979. Beeld WireImage

Hartelijkheid

Daar staat hij, op de rug gezien: klein van stuk en graatmager maar desondanks imposant - komt ook door die stijlvolle kleding. Keith Richards werpt tussen de bedrijven door een blik op het drukke stadsgedoe op de Avenue George V, drie verdiepingen lager. Dan draait hij zich om, en steekt die bekende, door artritis misvormde en dus nogal knokige hand uit, waaraan die al even beroemde schakelketting rinkelt. Richards straalt vooral hartelijkheid uit en vooralsnog geen haat. Gaat zitten en geeft met zijn pink aan dat wat hem betreft het gesprek kan beginnen.

Hoe het met hem gaat - uitstekend dus - en of hij zich eigenlijk nog echt druk kan maken over het uitbrengen van een nieuwe plaat. Gewetensvraagje. 'Nou, zoals je weet heb ik er al wat plaatjes op zitten en we zullen wel eens aankijken hoe dit album op de aarde inslaat. Maar toch, en dat meen ik serieus, ben ik zelf eigenlijk best geïntrigeerd geraakt door dat ding. Hij lag al even op de plank, omdat ik het juiste moment voor de officiële release wilde afwachten en zodoende heb ik er best vaak naar kunnen luisteren. Hem herhaaldelijk kunnen analyseren. En ja, weet je, ik vind het dus echt een leuke plaat. Hetgeen helpt. '

Crosseyed Heart laat zich beluisteren als een rough guide naar de muziek van Keith Richards en dus de Stones. Richards speelt een bluesnummer in de stijl van Robert Johnson, als een saluut naar een van de stamvaders van de popmuziek. Hij voert een cover van Lead Belly op, speelt een countrynummer aan de piano, zelfs een reggaeliedje. Een testament voor alle muziek die Richards vormde, een eerbetoon aan zijn helden.

'Ja, dat realiseerde ik me ook, maar eigenlijk pas toen de plaat klaar was. Het was geen vooropgezet plan.' Sigaret nummer één. Ook mooi: die gegroefde kop van Richards in een ijle rookwolk. 'Het schrijven van mijn biografie Life heeft het een en ander in gang gezet. Voor dat boek ben ik natuurlijk diep in mijn verleden gedoken en in de geschiedenis van de Stones. Zo werd weer heel duidelijk voor me waar alles vandaan was gekomen, hoe Mick en ik de zwarte blues uit Chicago gingen spelen, gewoon om die muziek in Engeland wat bekendheid te geven. En hoe ik later de country leerde waarderen door mijn vriendschap met Gram Parsons. Ja, en dan wil je weer aan het schrijven, hè? De vingers gaan jeuken. Maar ja, de Stones gaven weer eens niet thuis. You know. '

Verenigde Staten, 1987. Beeld Redferns

Life, nu nog openhartiger
Keith Richards Life uit 2010 is een van de mooiste rockautobiografieën van de afgelopen jaren. Goudeerlijk, en soms steenhard, zo heeft bijvoorbeeld Mick Jagger mogen merken. Life was bovendien een onverbiddelijke bestseller, en ook dat smaakt volgens Keith Richards naar meer. 'Al kostte me het een paar jaar, het schrijven van Life was geweldig om te doen. Maar goed dat ik al die aantekeningen had bewaard. Maar een vriend wees me onlangs op de eerste versie van dat boek, helemaal vol blauwe strepen, door passages die beter niet gepubliceerd zouden kunnen worden, je weet wel, vanwege legal issues en zo, hè hè. Daarom overweeg ik een Life deel twee, een soort onverkorte en dus echt ongecensureerde versie. Niet om mensen voor het hoofd te stoten hoor, maar gewoon, een leuk ideetje.'

Tweede thuis

En dus ging Richards het maar weer eens lekker zelf doen. 'Sowieso: lang niet in een studio geweest. En ik heb de opnamestudio toch altijd beschouwd als mijn tweede thuis.' Richards betrok een studio in New York, met drummer Steve Jordan van Richards' hobbyband X-Pensive Wino's. 'Ach, en zo begon het dan weer te lopen. Steve speelde een beat, en hop. In het begin was ik een beetje roestig, het gitaarspel vloeide niet vanzelf uit mijn vingers. Ik had lang niet gespeeld, ook weer door dat schrijfwerk aan mijn biografie. En je kunt het je op zekere leeftijd gewoon niet meer veroorloven te lang stil te staan, even twee jaar niet te spelen. Wel thuis hoor, ik pak altijd wel een gitaar, beetje pielen. Maar écht spelen, weet je? Als je thuis in afzondering bezig bent, speel je muziek in een vacuüm. Dan heb je de neiging jezelf voor de gek te houden, dingen goed te vinden die dat eigenlijk niet zijn.' Het kan de beste overkomen.

In de New Yorkse studio was het feest. 'Heerlijk vrijblijvend. Geen deadline. Als ik in New York was, belde ik Steve: ben jij toevallig in de stad? Zullen we even? En toen bekend werd dat wij samen muziek zaten te maken, kwam er steeds vaker onverwacht bezoek. Op straat kwam Steve toevallig Aaron Neville tegen (de Amerikaanse soul- en gospelzanger, van The Neville Brothers, red.). Neville tegen Steve: hé, man, wat ben jij aan het doen? Steve: ik ben aan het opnemen met Keith. Neville: wát? Ik loop met je mee. Even een achtergrondje inzingen. Voor het nummer Something for Nothing wilden Steve en ik een koor en dat stond toevallig in de ruimte naast ons te oefenen. Een koor uit Harlem. Wij staken ons hoofd naar binnen: euh, kunnen jullie even..? Zij: yeah, we love rock-'n-roll! Er gebeurden mooie, kleine, vreemde dingen.'

Uiteraard scheurt vooral de blues van Crosseyed Heart, in die kenmerkende gitaarsound van Richards: gemeen hard, krakend analoog opgenomen, het liefst akoestisch en geweven door een tweede en als het even kan een derde gitaar. De riffjes kwamen aanwaaien, zegt Richards. Zoals altijd: 'De liedjesantenne functioneert nog.' Maar op de gitaarblues van Robert Johnson, bijvoorbeeld in het titelnummer van de plaat, mocht Richards zich ouderwets stukbijten. 'Weet je, ik probeer het nog steeds in de vingers te krijgen. De gitaar: jongens, wat een instrument. Soms denk ik dat ik die gitaar nog niet eens écht ken. Hoe verder je komt, hoe meer je denkt te weten, hoe meer deuren er opengaan. Dat je zit te spelen en ineens: wát? O mán, na meer dan vijftig jaar spelen ontdek ik dít? En dat hele leerproces, die eindeloze reis op de gitaar, komt helemaal voort uit de blues. De basis van alles. Als je als gitarist de blues niet beheerst - ik heb het niet eens over de blues in de rauwste vorm - dan moet je je serieus afvragen of je jezelf wel gitarist mag noemen. Die jongens weten het zelf waarschijnlijk niet, maar zelfs in de liedjes van One Direction zit de blues. Het is een integraal onderdeel van de popmuziek.'

New York, 2000. Beeld NY Daily News via Getty Images

Uitgesproken karakter

Als gitarist gaf Keith Richards persoonlijkheid aan het instrument als hoofdrolspeler in de popmuziek, uit duizenden herkenbaar. Naar dat uitgesproken karakter van de gitaar in de popmuziek, en in de rock, is het tegenwoordig weleens zoeken. 'Ik snap wat je bedoelt. En dat probleem komt voort uit de huidige opnametechnieken. We leven in een hightechtijdperk: leuk natuurlijk, om op tv naar scherp beeld te kijken. Maar in de studio zou je toch op zoek moeten naar iets dat verborgen zit tussen de digitale enen en nullen. In muziek zit iets heel fysieks, dat nu eenmaal niet digitaal kan worden gevangen. Je ziet nu jongens drumbeats spelen op van die kleine padjes of, nog erger, op een keyboard. Hé gasten: get outta here! Gooi je gewicht eens in de strijd! We zijn met zijn allen gewoon een beetje bedonderd door dat digitale spul, dat stomme speelgoed.'

Sigaret nummer twee, en een moment van overpeinzing. 'Weet je - ik denk dat dat het is: ik zie gewoon graag dingen draaien. Rondjes draaien. Platen op de platenspeler. Analoge taperecorders. Wieltjes. Die vind ik leuk. Maar ja, ik ben ouderwets. Zoals je weet, heb ik me nooit erg bezig gehouden met mode.'

Tijd om de regels te overtreden en maar eens tegen het Stones-spreekverbod in te gaan. Trouwens, Richards heeft het S-woord toch ook al een paar keer in de mond genomen. Dus kom op: was de heer Richards van plan nog eens wat nieuw werk met zijn bandje The Rolling Stones op te nemen? Of moeten we het blijven doen met solo-avonturen? 'We hebben nu elf jaar geen plaat opgenomen. Elf jaar! Ik vind dat echt een beetje belachelijk voor een band die gewoon nog speelt. Ik wil graag, maar vang dus steeds bot: te druk, geen tijd, niet in de buurt. En bij mij begint de druk dan op te lopen, klapt op een gegeven moment het ventiel eraf. Eigenlijk maakte ik deze plaat om de jongens op te poken: hé, kijk eens, ík ben aan het opnemen, hoe zit het met jullie? Komt er nog wat? Ik weet zeker dat Mick een berg liedjes heeft liggen. En bij mij rolt er ook altijd wel wat uit, dat weten we inmiddels. Dus, ik weet niet of de Stones jouw verhaal lezen, maar just in case: jongens, ik vraag het jullie nog één keer, ik smeek jullie, nee, ik dreig: ga met mij die nieuwe plaat opnemen. Of anders...'

En mocht deze oproep inclusief dreigement niet helpen, snode en concrete plannen heeft Richards ook al. 'Volgend jaar vervolgen we onze tour, in Zuid-Amerika. En hopelijk spelen we dan ook in Cuba, dat zou ongelooflijk zijn. Daar wordt druk over onderhandeld. Maar als we terugkeren van die tour en de jongens zijn nog hot en lekker gesmeerd, dan trek ik ze direct uit het vliegtuig de studio in. Mijn grote opdracht voor komend jaar.'

New York, 2005. Beeld WireImage

Under the Influence op Netflix
Ter gelegenheid van de release van Keith Richards' nieuwe soloplaat is vanaf vrijdag de documentaire Under the Influence te zien, over Richards' zoektocht naar zijn muzikale bronnen. Regisseur Morgan Neville (van onder meer de Oscarwinnende documentaire 20 Feet from Stardom) volgt Richards bij een bezoek aan bluesmuzikant Buddy Guy, aan Nashville en countrypaleis The Grand Ole Opry, en laat de gitarist herinneringen ophalen aan zijn vechtpartij met Chuck Berry bij de opnamen van de film Hail! Hail! Rock-'n-roll (Richards, na door Berry te zijn neergeslagen: 'That was your greatest hit.') Het mooist zijn de beelden geschoten van Richards thuis, teruggetrokken in zijn landhuis, naast de platenspeler. Daar doet hij wat hij al zestig jaar doet: bluesplaatjes draaien. 'Luister dit dan! Als je toch zo kunt spelen.'

Topvorm

Want de band is in topvorm, dat kon de wereld vorig jaar constateren bij een serie spectaculair goede shows, bijvoorbeeld op Pinkpop. 'Pff, ja, dat is een van de redenen waarom ik nu zo graag wil doorgaan met de Stones, zeker na die onvoorstelbare reacties van publiek en pers, overal waar we speelden. Ik ging echt denken: dat bandje van ons begint werkelijk een beetje in vorm te raken. We gaan langzaamaan richting de top. Geintje. Steve Jordan kwam naar onze show in Nashville en zei na afloop: Jesus Christ, ik heb jullie nog nooit zo fucking groovy horen spelen. Wat is er aan de hand?'

Ja, wat is er aan de hand? 'Onze huidige geluidsman, Dave Natale, weet het perfecte Stones-geluid te vangen. Hij is de beste geluidsman die we ooit gehad hebben. Ik heb , misschien wel voor het eerst, het gevoel dat de Stones precies op de goede manier van het podium komen. Dat wat wij horen als we staan te spelen ook door het publiek wordt gehoord. Je kunt je dat misschien niet voorstellen, maar dat geeft een enorm zeker gevoel voor een band. En dan kom je los. En daarbij: the boys are in fine form. Charlie Watts, beste drummer van de wereld, nog steeds. En Mick Jagger, hé, met hem durf je James Brown uit te dagen: wie is de beste performer? En de beste mondharmonicaspeler? Ik blijf het erin wrijven: Mick speelt een ongelooflijk goede bluesharp. Ik zeg altijd: waarom zing je niet meer zoals je harmonica speelt? Ook om hem te zieken. Dan zegt hij: zingen is totaal anders, Keith, daar weet jij niks van. En ik: come on, het is allebei lucht naar buiten blazen, Mick. Hè hè hè. Ach, en dan bassist Darryl Jones. En Ronnie, ach Ronnie Wood... Ook hij heeft de laatste jaren compleet nieuwe gebieden op zijn gitaar gevonden.'

Laatste sigaret, althans: voor bij interview nummer vier. En nog één keer, voor het geval de interviewer de basisgedachte nog niet uit het hoofd van Keith Richards had weten te filteren: 'Weet je: The Rolling Stones is het mooiste bandje op aarde. Altijd geweest. En daarom wil ik ze terug.'

Keith Richards' Crosseyed Heart verschijnt vrijdag bij Republic Records/Universal.

Londen, januari 1967. Beeld Gamma-Keystone via Getty Images

Bobby Keys
Op Keith Richards' soloplaat Crosseyed Heart is de saxofoon van Bobby Keys te horen in een van zijn laatste opnamen: de vaste saxofonist van de Stones overleed eind 2014 op 70-jarige leeftijd. Richards: 'O man, Bobby Keys. Mister rock-'n-roll, groter dan Texas. Ik zal hem missen. Toch: als je zijn naam noemt, komt er meteen een lach op mijn gezicht. Het is het probleem voor mensen als ik, die zo lang blijven hangen. De mensen met wie je hebt gewerkt vallen weg. Dan kun je boos worden. Of verdrietig. Of je kunt denken: hé, ik heb gewerkt met de beste gasten die op deze aarde rondliepen. En ik heb lol met ze gehad.'

The Stones zónder the Stones: matige albums en lelijke hoezen

Ron Wood en Bill Wyman waren Mick Jagger al voorgegaan, met een aantal non-descripte soloalbums als Monkey Grip (Bill Wyman, 1974) en Now Look (Ron Wood, 1975). Maar toen Jagger midden jaren tachtig een moeizame Stones-periode, die door Keith Richards zou worden omschreven als 'de Derde Wereldoorlog' naar buiten trad met She's The Boss en Primitive Cool, kon Richards natuurlijk niet achterblijven (Talk Is Cheap, 1988). Wraak!

Keith Richards vreesde in die zware jaren het uiteenvallen van The Rolling Stones, vooral door het solowerk van Jagger. Zéker toen Jagger ook nog eens solo op tournee wilde gaan.

Hoe diep de pijn bij Richards zat, werd nog maar eens duidelijk in Richards' autobiografie Life uit 2010. Hierin beschreef hij de soloplaat Goddess in the Doorway van Mick Jagger uit 2001 als volgt: 'Zeer verleidelijk om die plaat niet om te dopen tot Dogshit In The Doorway.' Altijd in voor een geintje.

Maar naar verluidt is Richards hier met zijn dodelijke recensie voor Jagger echt een stap te ver gegaan. Wie weet richtte Jagger daarom, een jaar na het verschijnen van Life en dus als tegenstoot, de 'supergroup' SuperHeavy op, met onder anderen Dave Stewart en Joss Stone. Ook veelzeggend: Richards mocht in 2011 niet op Jaggers verjaardag komen.

De soloplaten van de Stones zijn geen standaardsuccesnummers, al verkopen ze gemiddeld nog vrij aardig. In de muziekpers werd nogal eens lacherig gedaan over inderdaad vrij lullige albumtitels als I've Got My Own Album To Do (Ron Wood, 1974) en Stone Alone (Bill Wyman, 1976). Het weerhield de Stones (én ex-Stone Mick Taylor) er niet van een uitbundige reeks solowerk te produceren, wat dit jaar nog titels als Crosseyed Heart van Keith Richards en Back to Basics van Bill Wyman opleverde.

Wie alle soloplaten van de Stones verzamelt, heeft dus echt een missie, en bovendien na een tijdje een flinke partij behoorlijk lelijke hoezen in de platenkast staan.

In tegenstelling tot de vaak geweldig vormgegeven hoezen van de Stones-albums, lijken de Stones solo genoegen te nemen met binnen een half uur in elkaar gefotoshopte covers.

Zie bijvoorbeeld Charlie Watts' jazzplaat Warm & Tender (1993), of het min of meer mislukte airbrush-experiment van Bill Wymans al genoemde Monkey Grip (1974).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden