Dansen op het graf van Peter Giele

'Peter Giele was wat de joden noemen een Mensch en had wat de moslims aanduiden als een ziel van een robijn.' Dat schreef Natasha Gerson drie weken geleden bij de dood van Peter Giele in haar column in Vrij Nederland....

De VPRO programmeerde die week een herhaling van een aflevering van Laat op de avond..., een gejaagd gefilmde video-documentaire uit 1997 over de alliantie tussen krakers en kunstenaars medio jaren tachtig, met Giele in een sleutelrol. Kunstcriticus Paul Groot kwam erin aan het woord en vergeleek Giele met Marcel Duchamp en Jeff Koons. Hij noemde het interieur van club Roxy, door Giele ontworpen, 'het belangrijkste Nederlandse kunstwerk van de jaren negentig.' In De Groene Amsterdammer legde René Zwaap de lat nóg een stukje hoger door Giele postuum uit te roepen tot 'de Andy Warhol van Amsterdam.'

Zoveel royale hulde, postume erkenning én liefdevolle in memoriams, dat kon natuurlijk niet goed gaan. En dat ging het ook niet. De cynici kwamen uit hun holen, de afgestompte loondienstjournalisten met hun verwaten het-zal-wel-weer-niks-wezen-instelling. Ze moeten hebben genoten toen later op de dag van de begrafenis de Roxy in brand vloog door een incident met verdwaalde sterretjes die waren ontstoken ter nagedachtenis van Giele. Sommige sterretjes waren in de airco-installatie terechtgekomen.

En zo kregen de journalistieke grafpissers via het koudvuur van de sterretjes hun munitie in handen om, nu de Roxy dan toch in de as was gelegd, ook maar meteen zijn creator af te branden. Ha! Wie was die Giele nou helemaal? En wat moest ons land eigenlijk met die Roxy, dat bastion van ridicule, onhollandse flamboyantie? Videokunst en culturele innovatie, voorstrekkersrol in Europa? Ach welnee, alleen maar blote-tietenwerk en tongzoenende leernichten in die ballentent! Opgeruimd staat netjes!

NRC Handelsblad beet het spits af met een cartoon waarop de afgefikte Roxy in een Amsterdamse gracht dobberde. Een toeristenboot voer erlangs, en een gids legde uit: 'Ladies and gentlemen, on your right de eerste cultuur-vuilverbrandingsoven.' De exacte pointe van de prent bleef vaag; de Roxy was blijkbaar een vergaarbak van halftalenten wier werk het verdient om als afval te worden doorgedraaid. Evident was intussen in die cartoon de listig gesublimeerde haat jegens kunstenaars in het algemeen. De tekening appelleerde aan een ressentiment dat je totdantoe alleen had verwacht aan te treffen in de Telegraaf of Propria Cures.

Eén dag na de prent in NRC volgde Ruud Verdonck in Trouw: 'Even onder elkaar: had u dan wel de naam van de befaamde kunstenaar Peter Giele paraat? Dat is verder niet erg, want bij die naam trof ik in ons elektronisch archief precies twee artikelen aan.' Dat is me het archief wel bij Trouw, want hier voor me ligt een vuistdikke stapel met Giele-kopij, te beginnen met een paginagroot stuk uit een kunstkatern uit 1985 van de Volkskrant over het AORTA-complex. Maar dat doet er nu even niet toe. Waar het om gaat is dat volgens Ruud Verdonck die hele Giele niet veel kon hebben voorgesteld omdat híj, Verdonck, nooit van hem had gehoord. Voor Verdonck was het glashelder: de aandacht in de pers voor Gieles dood berustte op een 'dorpshype'. Zo gaat dat bij de christenen van Trouw. Als ze je niet in hun eigen krant hebben gezet en je verder nooit op tv hebben gezien in De plantage, dan verklaren ze je kunst en je overlijden doodgemoedereerd tot een hype.

Wat zegt het woord hype eigenlijk nog? Het wordt al lang niet meer gebruikt om de waan van de dag te typeren, maar is verschraald tot een chic klinkende stoplap ter geniepige maskering van xenofobie en aanverwante beschetenheid.

Het niveau kelderde definitief toen ook Henk Spaan in Algemeen Dagblad een mening bleek te hebben over Peter Giele. Spaan had een kunsttheorie. Ooit waren er échte kunstenaars. Dat waren Amsterdammers. Toen kwamen de provincialen. Dat waren alleen maar lawaaischoppers. Aan Giele is hooguit een domme provinciaal verloren. En zo waren we dankzij Spaan van de toppen van waardering en begeestering weer helemaal afgedaald naar het Nieuw Amsterdams Peil van afzeiken en kleiner maken, uitlachen en stuksneren, weghonen en natrappen.

Om Spaans historisch besef op te vijzelen: de Vijftigers waren vrijwel allemaal Amsterdammers én maakten erg veel lawaai. Zóveel dat Lucebert, voor de gelegenheid met kroon en cape gekleed als Keizer, in 1953 de toegang tot het Stedelijk Museum werd geweigerd. Over één van de optredens van Lucebert in het Stedelijk schreef Hans Andreus: 'Hij begon met een gedicht en (..) keerde vervolgens een glas water om over zijn hoofd, had intussen een zwart masker opgezet. (...) Tot slot brandde hij sterretjes en zei: 'Mooi hè.' De Telegraaf fotografeerde hem al sterretjes brandend en schreef een vuil stuk.' Wat zullen de Henken Spaan en Ruuds Verdonck van weleer het hebben betreurd dat er in 1953 nog geen airconditioning in het Stedelijk was. Hun 'vuile stukjes' waren er ongetwijfeld nóg een stukje vuiler van geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden