Dan maar binnen filmen

Geen stad die zo vaak als filmdecor dient als New York. Ook in ‘New York, I Love You’ nemen negen regisseurs de metropool als uitgangspunt....

Een mooie jonge vrouw zit op de achterbank van een gele taxi, die zich traag door down town New York wurmt. Uit de autoradio schallen Afrikaanse klanken. ‘Dat is toch Daby Touré?’ vraagt ze in het Frans. ‘Ja’, antwoordt de taxichauffeur, eveneens in het Frans. ‘Kent u ’m?’ ‘Ja’, zegt zij. ‘Ik ben ook geboren in Mali. ‘Dat is magnifiek’, reageert de chauffeur enthousiast. ‘Ik ben zelf geboren in Haïti. Ik houd erg van West-Afrikaanse muziek.’ Dan komt hij ter zake: ‘Oké sister, waar gaan we heen?’ ‘Blijf maar gewoon rijden’, zegt zij. ‘Ik wil filmen op jouw muziek. Is dat goed?’ Dat is goed. Ze klapt haar videocamera open en begint door het beregende zijraampje van de taxi te filmen.

De vrouw (gespeeld door de Frans-Amerikaanse, op Cuba geboren en in Ivoorkust opgegroeide actrice Emilie Ohana) is videokunstenares. Zij filmt het dagelijks leven op straat: de mensen uit alle windstreken, de smeltkroes die New York is. Ze filmt de skyline en de Brooklyn Heights Promenade; de hal van het Grand Central Station en de dampende roosters; het Vrijheidsbeeld en het Lincoln Center; Chrysler Building en Empire State Building; Central Park en de basketbalpleintjes; Broadway en 5th Avenue. Alle plekken, kortom, die op de ansichtkaarten staan die je op elke straathoek in New York kunt kopen. Alle plekken, kortom, die eigenlijk iedereen wel kent – óók diegenen die nog nooit in New York zijn geweest.

De filmflarden van de videokunstenares vormen het verbindend element in de omnibusfilm New York, I Love You. Ze leiden de kijker van de ene naar de andere buurt, van het ene naar het andere personage, en van de ene naar de andere wereld, in een film die door de producenten Emmanuel Benhiby en Marina Grasic wordt getypeerd als ‘een vernieuwende, panoramische en schaamteloos romantische kijk op New York’. In ‘the city that never sleeps’, de stad die nooit slaapt, is de liefde nooit ver weg, stellen Benhiby en Grasic. De grootstad en de liefde: cliché op cliché.

Schaamteloos romantisch, panoramisch en vernieuwend? Nee, niet bepaald. Maar wat valt er ook nog toe te voegen aan het beeld van een stad die op ieders netvlies staat gebrand? Aan een mythische stad, die het decor is van meer films dan welke andere stad dan ook? Want dat is New York. Sinds William Heise, een cameraman in dienst van de Edison Company, er op 11 mei 1896, om twee uur ’s middags vanuit een raam op het zuiden van Herald Square voor het eerst een filmpje opnam (het Herald Building, trams en paarden met wagens, gehaast wandelende mensen) heeft de stad ontelbare regisseurs geïnspireerd tot het maken van ontelbare films.

Wie voor het eerst naar New York gaat, kent daardoor de weg uit de bioscoop. En in de filmzaal herkent de kijker de (cliché)beelden van de stad, stelt James Sanders (architect, filmfanaat, Emmy Award-winnaar en zelf New Yorker) in zijn studie Celluloid Skyline – New York and the Movies. Het echte New York van staal en steen is nauwelijks meer te onderscheiden van de legende, die geboren werd in de ontelbare films die in en over New York zijn gemaakt.

De meeste regisseurs van New York, I Love You lijken niets op te hebben met de mythe. Die beginnen hun bijdrage met een aantal routineuze exterieurshots, om direct daarna voor de beslotenheid van een café of een appartement te kiezen. De Chinese acteur/regisseur Jian Wen, bijvoorbeeld, filmde in Chinatown, maar dat is niet of nauwelijks te zien; de locatie speelt ook geen enkele rol in het verhaal over een jonge zakkenroller (Hayden Christensen), zijn mooie slachtoffer en haar vingervlugge vriend (Andy Garcia). De buurt is een stuk beter herkenbaar in de bijdrage van de Duitser Fatih Akin, maar ook die had evengoed in Chinatown, Rotterdam kunnen spelen.

Het Diamond District (Midtown) is het voor de hand liggende, maar vrijwel onzichtbare decor voor een filmpje over een Indiase sieradenverkopen en een Joodse bruid van de Indiase regisseur Mira Nair; de bijdrage van de Japanner Sjuni Iwai is gefilmd in een appartement in de Upper West Side. De Israëliër Yvan Attal filmde op de hoek van een straat in nachtelijk SOHO; Allen Hughes op de stoep van een chique restaurant in Greenwich Village. Zijn landgenoten Natalie Portman en Brett Ratner (X-Men: The Last Stand) kozen het Central Park, de Pakistaan Shekhar Kapur opteerde voor een hotelkamer aan de rand van Central Park, in de Upper East Side.

De locaties van deze negen korte films lijken willekeurig gekozen, vaker op basis van de herkomst van de regisseur dan op basis van het script. De meeste hadden evengoed in een andere wijk kunnen spelen of in, pak ’m beet, Amsterdam. Anders dan de titel doet vermoeden is New York, I Love You geen ode aan de stad, maar een lofzang aan de liefde. De film maakt deel uit van de reeks Cities We Love. Het succesvolle, veel betere Paris je t’aime (2006, met bijdragen van onder anderen Joel en Ethan Coen, Olivier Assayas, Gus Van Sant en Alexander Payne) ging aan New York, I Love You vooraf; voor volgend jaar staan verzamelfilms op de rol gesitueerd in Rio de Janeiro en Shanghai, daarna volgen Jeruzalem en Mumbai.

Het verdient aanbeveling dat de makers het concept van de reeks nog eens tegen het licht houden en de formele richtlijnen uitbreiden met inhoudelijker regels. De stad kan namelijk veel meer zijn dan een decor; de stad kan een écht personage zijn. Een uniek personage. Ook de meest gefotografeerde, meest mythische stad ter wereld heeft het in zich de kijker steeds opnieuw te verrassen, zoals een groot actrice, die steeds weer een ander facet van haar persoonlijkheid laat zien. ‘Het geweldige aan New York is dat niemand de stad écht kent, omdat de stad veel te groot is’, zegt regisseur Peter Bogdanovich in Scenes From the City – Filmmaking in New York, een koffietafelboek uitgegeven door The Mayor’s Office of Film, Theatre and Broadcasting, met stills en werkopnamen van honderden grote én onbekendere producties. Sidney Lumet, in hetzelfde boek: ‘ In New York moet je een locatie kunnen vinden die je niet alleen geeft wat je nodig hebt, maar met een klein beetje geluk nog veel meer: een dimensie die je niet voor mogelijk had gehouden.’

Maar hoe kun je van outsiders verwachten dat ze in no time die spaarzame onontgonnen, doch fotogenieke plekken vinden (het maken van een bijdrage aan New York, I Love You is een haastklus, voor de opnamen stond maximaal twee dagen, en geen uur meer) en die vervolgens ook nog een passende functie in het verhaal geven? Dat is zelfs de grootste talenten niet altijd gegeven. De Chinese regisseur Wong Kar-wai bijvoorbeeld, die naam maakte met oorspronkelijke, visueel verbluffende films gesitueerd in Hongkong, vertilde zich enorm aan My Blueberry Nights, zijn eerste film gesitueerd in de nieuwe wereld. Daarin speelt zangeres Norah Jones een zwijgzame vrouw die aan een ernstige vorm van liefdesverdriet lijdt. In een New Yorks café vindt zij behalve een heerlijke bessentaart een luisterend oor bij de Britse barman (Jude Law). Hoewel de man en vrouw iets voor elkaar lijken te voelen, neemt zij de benen en begint ze aan een zwerftocht door de Verenigde Staten.

Wat volgt is een roadmovie die bol staat van de clichés; tijdens de reis naar zingeving stapelt Wong het ene overbekende beeld op het andere. Er wordt gescheurd over een verlaten Route 66 en gegokt in volle en tegelijk ijskoud ogende casino’s. Op vreemd terrein heeft Wong de grens tussen cliché en betekenisloosheid uit het oog verloren; zijn onuitgesprokenheid is verworden tot een plaatjesboek vol uitroeptekens.

Slechts sporadisch eist een stad of een gebouw nog op positieve wijze de hoofdrol op in een film. De 452 meter hoge Petronas Twin Towers in de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur bijvoorbeeld, ten tijde van de opnamen de hoogste bouwwerken ter wereld, vormen in Entrapment (Jon Amiel, 1999) het bloedstollende decor voor de acrobatische toeren van Catherine Zeta Jones en Sean Connery.

In de trailer van Sam Raimi’s Spider-Man (2002) berooft een groepje schurken met speels gemak een bank in New York. ‘Als snoepgoed van een baby’, grappen ze, als ze er in een helikopter vandoor gaan. Plotseling zwiept de helikopter achteruit. De mannen zijn eerst verbaasd, dan in paniek. Als de camera achteruit wijkt, wordt duidelijk dat de helikopter vastzit in een enorm spinnenweb tussen de twee torens van het World Trade Center. De verantwoordelijke, superheld Spider-Man, ziet het tafereel tevreden aan – de torens weerspiegelen in zijn ogen (na de aanslagen van 11 september werd de trailer overigens schielijk uit de bioscopen teruggetrokken door distributeur Columbia Pictures).

Het Solomon R. Guggenheim Museum op 5th Avenue vormt in The International van de Duitse regisseur Tom Tykwer is de unieke locatie voor een adembenemende shoot-out, waarin de (in een Berlijnse studio minutieus nagebouwde) oneindige spiraal van architect Frank Lloyd Wright, inclusief een speciaal voor de film gecreëerde video-expositie, finaal aan gruzelementen wordt geschoten.

Een andere recente film die vooral indruk maakt door de locaties is Fighting van Dito Montiel, wiens jeugd in de New Yorkse achterstandswijk Astoria al een vruchtbare bodem bleek in zijn speelfilmdebuut A Guide to Recognizing Your Saints (2006). Het verhaaltje, over een uit graniet gehouwen jongeman die zijn zelfrespect terugwint in illegale gevechten, hangt aan elkaar van clichés, maar uit ieder shot blijkt dat Montiel de stad kent als zijn broekzak; de opeenvolgende gevechten lijken vooral een excuus voor een boeiende stedentrip. In Brooklyn slaat de blanke reus een Russische mannetjesputter tot moes, in de ruige Bronx worstelt hij met een moddervette neger en in Chinatown neemt hij het op tegen een Chinees martial arts-expert. De snoeiharde tweegevechten worden onderbroken door wat poezelige romantiek rond een alleenstaande, hardwerkende Puertoricaanse serveerster. Ja, New York is een melting pot, blijkt ook uit de honingzoete Assepoester-variatie Maid in Manhattan (Wayne Wang, 2002), en op ieder potje past een dekseltje. Waar anders loopt een alleenstaande, hardwerkende moeder uit de Bronx – Jenny From the Block, zeg maar – een goed uitziende, blanke senaatskandidaat (Ralph Fiennes) tegen het lijf?

De enige bijdrage aan New York, I Love You die eigenlijk nergens anders had kunnen spelen is de tiende en laatste, geregisseerd door de Amerikaan Joshua Marston (Maria Full of Grace). Daarin schuifelt een ouder koppel op een grijze herfstdag voetje voor voetje door Brighton Beach naar Coney Island. Op de pier, tussen de vergane glorie en het reepje strand, verstomt hun liefderijke gemopper en gekissebis. Zij legt haar hoofd teder op zijn schouder, samen kijken ze uit over de oceaan. Dan scheert een skater voorbij over de reling; de oudjes schrikken zich rot. ‘Héé! Héé!’, roept de man. ‘Ze zouden ’m moeten arresteren.’

‘Laten we maar gaan lunchen’, zegt zijn vrouw met een blik van maak je niet druk. ‘Kom.’ ‘Ik kom al’, antwoordt hij. ‘Ik kom al.’ En dan lopen ze weg. ‘Til je voeten op’, zegt zij. ‘Ik til mijn voeten op’, riposteert hij. ‘Nee, je schuifelt’, weet zij, in een filmpje dat doordrenkt is van de liefde. Liefde van en voor de twee oudjes én liefde voor New York. Zowel de stad van steen en staal als de mythe had meer van zulks verdiend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden