Dag van vuur is een boek dat onrustig onder je huid gaat zitten

Beppe Fenoglio tekent met zijn magistrale ingetogen stijl (familie)geschiedenissen op uit Piemonte in de jaren dertig. Het wemelt van de zinnen die smaken als verrukkelijke kleine zoetigheden.

Beppe Fenoglio.Beeld Hollandse Hoogte

Toen het werk van Cesare Pavese (1908-1950) al voor een belangrijk deel in het Nederlands verkrijgbaar was, waren de boeken van streek- en tijdgenoot Beppe Fenoglio (1922-1963) hier nog vrijwel onbekend. Tot zo'n vijftig jaar na Fenoglio's dood was er maar één titel van hem in het Nederlands beschikbaar: De drieëntwintig dagen van de stad Alba, waarvan de vertaling in 1985 verscheen in De Italiaanse bibliotheek van Peter van der Velden, slechts vier delen welgeteld.

Inmiddels begint men ook bij ons te ontdekken dat het verzameld werk van Fenoglio een kleine schatkamer is. In 2012 kwam Een privékwestie uit, over een jonge partizaan die verblind door liefde en jaloezie het onheil over zichzelf en zijn kameraden afroept. In 2015 werd die roman gevolgd door het postuum verschenen De laatste dag, over een partizaan die zich na de oorlog geen raad weet met zijn idealen. En nu zijn er twee nieuwe vertalingen van werk van Fenoglio bij gekomen: Dag van vuur en Doem.

Dag van vuur, dat een paar maanden na de dood van de auteur verscheen, bevat zes verhalen die zich afspelen in de jaren dertig in de Langhe, de streek in Piemonte waar Fenoglio werd geboren en dat decor (en soms hoofdpersonage) is in veel van zijn werk. Verhalen over familieleden of verhalen die door hen werden verteld, en die door Fenoglio met die magistrale ingetogen stijl van hem werden opgetekend.

Vrolijke geschiedenissen zijn het niet, en Fenoglio rapporteert met een montere zwartgalligheid. In het titelverhaal jaagt de oude Pietro Gallesio uit woede en wanhoop zijn broer, een neef en de pastoor met een dubbelloops over de kling. De jonge ik-persoon, een 'stadsjongetje' uit Alba dat de zomer bij zijn halfoom en tante doorbrengt (Fenoglio zoals hij zichzelf als kind zag), hoort hoe er aan de andere kant van de heuvel, in Gorzegno, een ware veldslag wordt geleverd tussen Gallesio, die zich op zijn hooizolder heeft verschanst, en de massaal uitgerukte carabinieri. Het is zo'n beetje 'de belangrijkste gebeurtenis vóór de Abessijnse oorlog', maar zijn halfoom mag van zijn vrouw niet naar 'de slag van Gorzegno' gaan kijken om 'misschien de eerste verdwaalde kogel in z'n kop te krijgen'.

Dag van vuur staat vol van zinnen die smaken als verrukkelijke kleine zoetigheden. Als in de verte de bus uit Alba nadert, die bij de jongen steeds een smartelijk verlangen naar thuis losmaakt, schrijft Fenoglio: 'in de smalle bochten van de pas heupwiegde ze als een echte matrone en liet een stofwolk achter als een cavalerieregiment.' Je hoort er zó het klaaglijke knarsen van de vering bij. En als Gallesio's lot bijna is bezegeld: 'De zon ging tergend langzaam onder, als een oude man die om af te dalen trede voor trede aftast.'

Van de andere vijf verhalen gaat dezelfde duistere aantrekkingskracht uit als van de draaikolken in de rivier de Belbo, waar de 15-jarige Superino zich in verdrinkt nadat hij te horen heeft gekregen dat hij de geadopteerde zoon van de pastoor is. 'De oorzaak van al het kwaad dat ons in deze heuvels treft', verzucht de tante uit het eerste verhaal, 'is onze gruwelijke onwetendheid.' Dag van vuur is een boek dat onrustig onder je huid gaat zitten.

De korte roman Doem, uit 1954, kent eenzelfde somberheid: 'Het regende boven alle heuvels, daarboven in San Benedetto had mijn vader zijn eerste bui onder de grond te pakken.' Het gezin waarin Agostino opgroeit, is zo arm dat zijn broer Emilio in de winter naar de dichtstbijzijnde boerderij moet om de lamp aan te laten steken, om een lucifer te besparen. Agostino, de verteller, wordt naar elders gestuurd om als knecht te werken. Zijn leven is een rozenkrans van ellende: het werk is genadeloos zwaar en zijn loon een karige fooi, zijn vader sterft na een val in de waterput, Emilio gaat naar het seminarie in Alba maar heeft een dodelijke ziekte onder de leden, en het meisje op wie Agostino zijn zinnen heeft gezet, wordt op een dag door haar ouders uitgehuwelijkt aan een man met een eigen stuk grond. 'Die avond sloeg ik het eten over, zodat ze niet zouden zien dat ik niet eens meer de kracht had om te kauwen.'

Onder de brandende zon en in de snijdende kou van de Piemontese heuvels werken de mensen op het land tot ze kromgegroeid zijn en hun huid verschroeid is, en toont God weinig erbarmen. Fenoglio roept een wereld op die aan de andere kant van de heuvel ligt en waarvandaan alleen dank zij zijn sierlijke pen nog berichten tot ons doordringen.

Fictie. Beppe Fenoglio, Doem. Uit het Italiaans vertaald door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. De Bezige Bij; 128 pagina's; euro 15.

Fictie. Beppe Fenoglio - Dag van vuur. Uit het Italiaans vertaald door Frans Denissen, Karin van Ingen Schenau en Emilia Menkveld. Serena Libri; 167 pagina's; euro 18,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden