Daar komen de schutters LEON DE WINTER MAAKT PULPFICTIE VAN BOEVENVERHAAL OVER HOLLYWOOD

KALE KUT. Het valt je tamelijk rauw op je dak, doorgewinterd lezer die je dacht te zijn, als je een acteur in De hemel van Hollywood van Leon de Winter hoort verklaren dat je niet dik hoeft te doen over de condition humaine....

ARJAN PETERS

De acteur spreekt hier over het filmscript van collega Tom Green, die er de titel De hemel van Hollywood voor heeft bedacht, niet toevallig dezelfde die De Winter op zijn roman heeft geplakt. Op vele plaatsen laat hij doorschemeren dat we dit boek kunnen lezen als het script van een niet al te fijnzinnige film.

Neem de manier waarop mensen worden getypeerd: Ze kwam uit Ann Arbor, Michigan, verklaarde ze kettingrokend. Aan haar moederskant was er een Nederlandse lijn, Devries, waardoor ze een zwak had voor alles wat met kaas, klompen en tulpen te maken had.

De schaamteloosheid waarmee De Winter zo'n cliché op het papier smijt, geeft aan dat hij de goede smaak opzettelijk tart. Uit de boeken die hij in de afgelopen tien jaar schreef, blijkt zijn provocerende voorliefde voor uitgesproken kitsch. Weg met de rimram van de stilistische hoogstandjes, het diep-psychologisch geëmmer van de navelstaarders die zich schrijver noemen, en de dubbele bodems en diepere lagen die de critici en andere dienders van de literatuurpolitie believen bloot te leggen. Diepzinnigheid op welk gebied ook is toch allemaal kale - enfin, men kan de alliteratie zelf afmaken.

Robuust is de onverstoorbaarheid die Leon de Winter aan de dag legt, en die hem vooralsnog geen windeieren legt. Ten hemel schreiende lectuur als zijn Boekenweekgeschenk Serenade veroorzaakte geen boegeroep bij zijn trouwe aanhang, en het had een haar gescheeld of de AKO-jury van vorig jaar was zo leeghoofdig geweest het prul Zionoco de hoofdprijs te geven.

In De hemel van Hollywood gaat het wederom van dik hout zaagt men planken, maar nu heeft De Winter zijn voorkeur voor grove sentimenten, vette effecten, vuige psychologie en een zogeheten lekker verhaaltje tot onderwerp gemaakt van zijn roman. Vanzelfsprekend kampen alle personages diep in hun hart met hun verleden en hun jeugd, en daar mogen ze af en toe gerust een potje om blèren, maar lang en breed staan we er niet bij stil want we moeten ook denken om de spanning en het tempo van het verhaal.

Alle karakters zijn zo plat als een dubbeltje. Geen gelul in de ruimte: wanneer een vrouw ergens door haar familie een Nederlandse lijn heeft lopen, dan moet zij automatisch gek zijn op alles wat met kaas, klompen en tulpen te maken had. Zo doen we dat in een B-film.

De Winter zingt de lof van het platte dubbeltje, op een manier die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Zijn pulpfictie speelt zich af in Hollywood, het symbool van de American Dream: groot geld en illusies van bordkarton. Een plaats aan de top van de filmwereld is voor slechts weinigen weggelegd, en het gevaar voor de val in de ravijnen van verguizing, vergetelheid en verkeerde vrienden is levensgroot.

En als die val eenmaal is gemaakt, dan slinkt de hoop op hernieuwd succes tot een droom die een gevaarlijke verdwazing kan veroorzaken. Zeker in het continent dat geen stevige wortels in de geschiedenis heeft, en de nepwereld van Disney als een klassiek model omarmt.

Daarentegen is het voordeel van het Amerikaanse gebrek aan geschiedenis dat de ballast van het verleden waar zovele Europeanen onder gebukt gaan, er als een zak vol molenstenen kan worden afgeworpen.

Geen wonder dat De Winter gecharmeerd is van Hollywood, en dat de lui uit De hemel van Hollywood zich stuk voor stuk graag ophouden in die wereld van flinterdunne schijn, omdat ze daar de kwetsuren van vroeger kunnen wegspelen en niemand ze lastig valt met moeilijke woorden en vragen. Het klopt dus allemaal eens een keertje. Leon de Winter geeft de lezer precies wat die verwacht bij het zien van het smakeloze omslag.

De werkelijkheid kan vervangen worden door een aangenamer product, staat in het motto uit The Unreal America van ene A.L. Huxtable. De illusie is een verbeterde versie van het origineel, zegt ook het personage Paula. Of dit waar is, doet niet ter zake. Het gaat erom, dat de drie aan lager wal geraakte acteurs die De Winter opvoert, uit geldnood besluiten hun speeltalent aan te wenden in het echte leven.

Ze beramen het plan om verkleed als detectives een huis vol gangsters binnen te komen, teneinde er een kluis vol geld te kraken. Met brillen, nepsnorren en flauwekulwapens stappen ze in de auto. Daar komen de schutters. De drie musketiers anno 1996. De situatie doet sterk denken aan Pastorale 43 (1948) van Vestdijk, waarin een overval van het verzet er even onbeholpen uitziet.

Alleen is de grap van De Winter natuurlijk, dat de drie stoethaspels die thuis met een lijk in een vrieskist zitten en bij god niet mee weten wat ermee te doen (een variant van het lijk in de kast, uit menige klucht), wél slagen in hun opzet en er met de poen vandoor gaan naar het zonnige buitenland.

Dat is het slot van het script van Tom Green. De Winter heeft er nog twee epilogen aan vastgeknoopt. De eerste is een biografietje van Green, de zoveelste man uit De Winters oeuvre met een haat-liefdeverhouding ten opzichte van zijn joodse vader. De tweede epiloog is een warrige goochelarij met alibi's en pogingen van derden de waarheid achter het Hollywood-script te onthullen.

De roman wordt daar even oninteressant als een doorsnee thriller waarvan de schrijver denkt dat wij willen weten wie het heeft gedaan, wie er een waterdicht en wie een lekkend alibi heeft. Maar dat is van geen importantie vergeleken bij de boeiende vraag waarom iemand iets heeft gedaan.

Daar geeft De Winter een antwoord op, zo eendimensionaal als zijn verhaal. De acteurs gingen op geldjacht om met behulp van acteursfoefjes weg te kunnen raken uit de wereld van de illusie. Om met het droomgeld hun ultieme doel - op zo'n manier leven dat je nooit meer hoeft te acteren, dat je de gekmakende schijn weer voor de rustgevende echtheid kunt verruilen - binnen bereik te brengen.

De Winter manifesteert zich als een adequate pulpschrijver. De kerels in zijn boek praten over kutwijven en iemand mollen, of ze roepen: 'Ga slapen. Je ziet eruit als een bak met kak.' De enkele keer dat er een beeldende zin dreigt, gaat De Winter de fout in, alsof hij niet weet hoe het literair zou moeten.

Iemand heeft bijvoorbeeld 'de gestalte van een wandelende peer'. Is dat een andere gestalte dan die van een peer die in een fruitmand ligt? Ander citaat: 'De vraag die Kage op tijd had ingeslikt, echode echter meteen door Bensons hoofd.' Dat kan alleen in de film; een ingeslikte vraag die door andermans hoofd echoot. Nog een opmerkelijk geluid: 'Ik liet me op een ochtend door de sneeuw naar de notaris rijden voor het beluisteren van het testament.' En deze is ook sterk: 'Hij had geprobeerd wraak op haar te nemen door zoveel mogelijk vrouwen te versieren, te verleiden, te naaien. Impotent gedrag.' In Amerika kan veel, dat wisten we, maar impotent naaien is voorwaar een nouveauté.

De Winter verkoopt je geen knollen voor citroenen. Op de gevel van zijn nering staat immers met schreeuwletters de vermaning 'Knollen te koop' gekalkt. Wie voor een plat dubbeltje de somma van vier tientjes over heeft, weet verdomd goed wat hij in huis haalt. Dus niet achteraf gaan zaniken dat je je geld terug wilt.

Arjan Peters

Leon de Winter: De hemel van Hollywood.

De Bezige Bij; 329 pagina's; ¿ 39,50.

ISBN 90 234 3626 1.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden