CULTUREEL MONOPOLY

Theaters, concertzalen: Amsterdam bouwt maar door, ondanks tekorten. Wethouder Gehrels zoekt naar oplossingen. ‘Het blijft schipperen.’ Door Joost Ramaer..

Hoog in de nok van het Amsterdamse Muziektheater trekt Frans Huneker een deur open en loopt een smal plateau op. Beneden hem tegen de zijwand van het toneel staat een rij imposante elektromotoren keurig in het gelid. Dikke kabels lopen van de motoren via katrollen naar een reusachtig grid van stalen balken, rolbruggen en nog veel meer katrollen: de gloednieuwe trekkeninstallatie. ‘Helemaal geautomatiseerd’, zegt de technisch directeur van het Muziektheater. ‘Aan de verplaatsing van decorstukken komt geen mensenhand meer te pas.’

Dat is maar goed ook. Wagners Lohengrin vereiste een stellage die een honderdkoppig koor kon torsen. ‘Ik heb een bouwvergunning moeten aanvragen bij het stadsdeel Centrum’, vertelt Huneker. Het decor van de recente productie van Mozarts Da Ponte-cyclus draait, letterlijk, op een schijf die 25 ton weegt. Toen het ding vastliep, viel met de zaaluitvoering ook een live tv-uitzending in het water – het pijnlijkste incident dat Huneker in zijn lange loopbaan meemaakte met de even ontzagwekkende als kwetsbare operatechniek.

Het publiek kent het Muziektheater van de feestelijke voorkant – van de opera’s in de grote zaal, van de foyer met zijn hoge ramen die een schitterend uitzicht bieden over de Amstel. Maar een rondgang met Frans Huneker door de ingewanden van het gebouw vertelt een ander verhaal: over de tekortkomingen van de eigenaar, de gemeente Amsterdam. Net als iedere woningbezitter moet die ervoor zorgen dat de verwarming het blijft doen, dat het dak niet lekt, dat de ramen op tijd worden geverfd. Maar de gemeente is geen gewone eigenaar, en het Muziektheater geen gewoon gebouw. Aan de opening in 1986 ging een decennialange politieke loopgravenoorlog vooraf. Het was al een wonder dat Nederlands enige echte operahuis verrees. Voor up to date toneeltechniek was geen geld meer – zelfs voor onderhoud was niets opzij gezet. Huneker: ‘Men dacht destijds: ach, we zien over tien jaar wel weer.’ Al na vijf jaar dienden de eerste slijtages zich aan, mede door het onverwachte succes: de voorstellingen van huisbespeler de Nederlandse Opera halen al jaren een gemiddelde bezettingsgraad van tegen de 100 procent.

Pas in 1994 begon een moeizame discussie met de gemeente over het achterstallig onderhoud. Na rekensommen van Bureau Berenschot en twee jaar onderhandelen kreeg het Muziektheater een jaarlijkse extra bijdrage van één miljoen euro om de ergste nood te lenigen. Intussen liep de achterstand verder op. In 2004 rekende het Muziektheater met hulp van het technisch adviesbureau GTI de gemeente voor dat er 38,6 miljoen euro nodig was om het gebouw helemaal in orde te maken. De gemeente wilde daar niet aan, waarna het theater een andere firma om een second opinion vroeg. Uitkomst: 38,8 miljoen. Pas toen een derde bureau, nota bene in opdracht van de gemeente, de kosten becijferde op 39,8 miljoen, ging de onderhoudsbijdrage van één naar 3,1 miljoen euro per jaar.

In 2001 kon eindelijk worden begonnen met de aanschaf en installatie van de nieuwe trekken en bijbehorende moderne apparatuur. Kosten: 14,2 miljoen euro, waarvan 2,2 miljoen door het Muziektheater zelf werd opgebracht en twaalf miljoen door de gemeente.

Ondanks al deze investeringen komt het Muziektheater nog altijd acht ton per jaar tekort om het achterstallig onderhoud in te lopen. De gemeentelijke Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, die over de gesubsidieerde kunsten gaat, wil de bijdrage graag verder verhogen, maar Financiën geeft tot dusver geen krimp. ‘Tja’, zegt Huneker, ‘we schipperen vrolijk verder.’

Het Muziektheater staat niet op zichzelf. Landmarks als Carré, het Concertgebouw, de Stadsschouwburg, het Stedelijk, Van Gogh en Rijksmuseum maken Amsterdam ook tot de kunstenhoofdstad van Nederland. Maar de gemeentelijke zorg voor cultuurgebouwen houdt geen gelijke tred met dat artistieke prestige. Per jaar investeert de gemeente ongeveer tachtig miljoen euro in kunst en cultuur uit hoofde van het vierjaarlijkse Kunstenplan, dat binnenkort moet worden vernieuwd. Dat geld is vooral bedoeld voor de bespelers en gebruikers van de cultuurpanden. Voor de gebouwen zelf komt de stad eeuwig geld tekort.

Vandaag behandelt de gemeenteraad Cultuur onder dak, een nota van wethouder Kunst en Cultuur Carolien Gehrels over het cultuurvastgoed. ‘Bij een bloeiend cultuurklimaat in de stad hoort zorgvuldigheid en zorg voor de culturele infrastructuur’, schrijft zij. ‘We staan voor een historische beslissing om het pad van reactief ad-hocbeleid te verlaten en de weg in te slaan naar een lange-termijnbeleid voor cultureel vastgoed.’ Gehrels streeft naar ‘versterking van de regie’, ‘professionalisering van het beheer’ en oppert een ‘fonds onderhoud cultureel vastgoed’ als onderdeel van het Kunstenplan. De wethouder laat onderzoeken of ‘samenwerking met andere maatschappelijke partners meerwaarde kan opleveren’. Lees: gedeeltelijke privatisering van cultuurgebouwen, zoals met het Stedelijk Museum gebeurde, waar particuliere geldschieters 17,6 miljoen bijdroegen aan de renovatie en uitbreiding.

Cultuur onder dak schat alleen al de kosten voor regulier onderhoud van alle gesubsidieerde Amsterdamse cultuurgebouwen tezamen op jaarlijks 15,3 miljoen euro. Zaken als tweede zalen of nieuwe foyers komen daar nog bovenop. Gehrels gaat ervan uit dat de gebruikers zelf opdraaien voor de bulk van die rekening: 12,3 miljoen. De instellingen halen die jaarlijkse investering vrijwel zeker op geen stukken na – zie daar het ‘onderhoudsgat’. Hoe groot dat is, wordt nu onderzocht – de gemeente weet het eenvoudigweg niet.

‘Een verrassend goede, heldere nota’, is niettemin de eerste indruk van Bert Janmaat, secretaris van de Amsterdamse Kunstraad, Gehrels’ onafhankelijke adviseur in kunst- en cultuurbeleid. ‘Het kwartje is gevallen. Eindelijk wordt er iets gedaan met onze herhaalde waarschuwingen.’ Iets, ja. Het stuk van Gehrels kwam een jaar nadat de Kunstraad in het eigen rapport Tot hier, en nu verder de alarmklok luidde over het gemeentelijk beheer van musea, theaters, film- en concertzalen. De teneur: Amsterdam bouwt zonder plan, en zonder na te denken hoe al die kunsttempels zichzelf moeten bedruipen als ze er eenmaal staan.

Het artistieke aanbod waarvoor ze zijn neergezet, komt daardoor in de knel. Het Muziekgebouw aan ’t IJ – bouwkosten, geheel betaald door de gemeente: 52 miljoen euro – heeft sinds de opening in juni 2005 onvoldoende geld voor zijn eigenlijke missie: de internationale top in oude en hedendaagse muziek. Noodgedwongen biedt het gedurende een derde van het seizoen onderdak aan aandeelhoudersvergaderingen en congresserende chirurgen. Ondanks de drie ton die daarmee jaarlijks wordt verdiend, komt de ‘concertzaal van de 21ste eeuw’ nog steeds tekort.

De beheerders en gebruikers van het Muziekgebouw komen uit de IJsbreker, niet veel meer dan een verbouwde woning. Zo’n verhuizing brengt veel meer mogelijkheden, media-aandacht en publiek, maar ook veel hogere kosten die de gemeentelijke bouwplannen plegen te negeren. Voor het vernieuwde Stedelijk Museum, dat eind 2009 eindelijk opengaat, schatte de Kunstraad deze zogenoemde exploitatiekosten vorig jaar op drie miljoen per jaar, waarvan slechts twee miljoen zijn gedekt. Ook met de bouw van de nieuwe vlakke-vloerzaal voor Stadsschouwburg en Melkweg, en van nieuwe zalen voor de filmhuizen Rialto en Het Ketelhuis, is begonnen onder de aanname dat er straks ‘geen sprake zal zijn van een verhoogde subsidiebehoefte’, aldus de Kunstraad.

En daarbij blijft het niet. Politieke ambities om Amsterdam te veranderen in een woon- en werkparadijs voor de ‘creatieve klasse’ en de ‘creatieve industrie’, en het weggeven van bestuurlijke en beleidsmatige regie aan de stadsdelen, leiden tot een schijnbaar ongecoördineerde culturele bouwwoede. Noord krijgt het nieuwe Filmmuseum, Oud-West het multiculturele theater Cosmic, Zuidoost wordt verrijkt met het uitgaanscentrum GETZ en de Musicdome, een evenementenhal die plaats biedt aan 15 duizend bezoekers – de laatste twee gebouwen vergen een investering van 300 miljoen euro. Alleen al de reeds goedgekeurde nieuwbouw- en uitbreidingsplannen leiden tot een Amsterdams totaal van 77.100 podiumstoelen in 2015, tweeënhalf keer zoveel als in 1995.

Gevolg is, zo rekent de Kunstraad voor, een extra subsidieberoep op de gemeente Amsterdam van jaarlijks 7,2 tot 10,4 miljoen euro (zie inzet), bovenop Gehrels’ 15,3 miljoen voor ‘gewoon’ onderhoud. Als dat geld zou moeten komen uit het Kunstenplan, zou dat met 12,5 tot 16 procent moeten worden verhoogd. Gesteld dat de overige kunstenplan-uitgaven gelijk blijven, wat niet realistisch is. Het is bovendien de vraag in hoeverre deze meerkosten zullen worden gecompenseerd door hogere publieksopbrengsten uit alle extra stoelen. ‘Het wonder van de wonderbaarlijke publieksvermenigvuldiging zal zich niet voltrekken’, concludeert Tot hier, en nu verder.

De Kunstraad adviseerde een culturele bouwstop totdat de gemeente in kaart heeft gebracht ‘wat wordt gebouwd, tegen welke kosten, met welk doel, voor welke doelgroep en met welk resultaat’. Gehrels laat dat nu inderdaad uitzoeken, maar de bouwstop gaat haar te ver: ‘Dan zet je de stad op slot. Neem Noord. Dat is een stad op zich, met 80 duizend inwoners, waar nu nog helemaal niks te doen is. Jongeren vervelen zich daar kapot.’ De wethouder lijkt het uitdijende Amsterdamse cultuur-Monopoly vooral beheersbaar te willen houden door nog meer private partijen naar de speeltafel te halen.

Projectontwikkelaar MAB hielp het Stedelijk Museum aan zijn huidige tijdelijke onderkomen, het voormalige hoofdpostkantoor op het Oosterdokseiland naast Amsterdam CS. De VandenEnde Foundation bouwt de Nieuwe de la Mar Theaters met twee zalen op de plek van het oude De la Mar en twee bioscopen, en nam ook het aangrenzende theater Bellevue van de gemeente over. In GETZ en het nieuwe Filmmuseum participeren projectontwikkelaars als ING Real Estate, BAM Vastgoed en Ballast Nedam. En de Beurs van Berlage, een van de grootste hoofdpijndossiers in het cultuurvastgoed, verhuist eind dit jaar naar een bv waarin de gemeente, Rabo Bouwfonds en de woningcorporaties Amvest en De Key ieder een kwart van de aandelen nemen.

De privatisering van cultuurpanden is een onvermijdelijke ontwikkeling die geen heilig huisje uit de weg gaat – zelfs de nieuwste kunsttempels niet. Als de gemeente niet wil betalen voor een programmering ‘van wereldklasse’ in het Muziekgebouw, zei Gehrels in maart tegen Het Parool, dan moet zij de parel aan het IJ maar verkopen ‘aan Krasnapolsky of zo’.

Maar de grens van de opmars komt wel in zicht. Ondernemers moeten een keer winst maken, en lang niet ieder cultuurproject biedt dat uitzicht. Veel van haar problemen zal de gemeente zelf moeten oplossen. Anders, zo schrijft de Kunstraad, biedt kunstenhoofdstad Amsterdam in 2015 een sombere aanblik: ‘Theaters waar te vaak geen licht brandt, musea die er niet in slagen om grootser en wereldser te zijn.’

Na een omzwerving langs trappen en gangen staat Frans Huneker ineens op het dak van het Muziektheater. Onzichtbaar vanaf de straat, in de oksel van het halfronde gebouw achter de toneeltoren, prijkt de repetitiezaal van het koor van de Nederlandse Opera. ‘Voor het laagst mogelijke bedrag gebouwd, op eigen initiatief’, vertelt Huneker.

Hij wijst naar de muur van het aanpalende stadhuis van Amsterdam. Daarachter ligt de Boekman-zaal, een vergaderruimte van de hoofdstedelijke gemeenteraad. Geknipt voor de kleine zaal met 600 stoelen waar het Muziektheater al jaren naar smacht. ‘Wij runnen het duurste publieke gebouw van Amsterdam na het AMC-ziekenhuis’, legt Huneker uit. ‘Nu zijn wij 150 avonden per jaar dicht voor repetities en de opbouw van voorstellingen. Met een kleine zaal erbij zouden we dan kunnen doorspelen en deze peperdure faciliteit beter kunnen benutten.’

De gemeente doet nu onderzoek. Maar geld is er niet voor zo’n zaal. Niemand weet of, en zo ja wanneer, dat op tafel komt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden