Couperus dicht wuft én aards

Een jeugdzonde, de poëzie van Louis Couperus (1863-1923). Hoeven we het niet over te hebben, of misschien alleen nog in honende zin, door het aanheffen van de titel van zijn debuutbundel uit 1884: Een lent van vaerzen.

Tegen deze straffe reputatie komt Frans van der Linden in het geweer, de bezorger van een royale bloemlezing uit de poëzie van de Haagse schoonheidsaanbidder. Hij heeft argumenten, maar bovenal enkele klinkende bewijzen. De titel van de bundel, 'O gouden, stralenshelle fantazie!', helpt helaas niet mee, en natuurlijk komen we wufte aanstellerij tegen in de vorm van 'paerlenwemeling', 'mauve zonnesterven', en een 'beekjen' dat zich 'zangzoet-babblend' laat horen. Maar daarnaast is Couperus oprecht getroffen door naakt stoeiende baders aan het Lido van Venetië, getuigt de sonnettencyclus Nacht zonder effectbejag van een depressie, en in het historische epos Endymion slaat hij zowaar een blije toon aan. Maar ja, toen had hij het dan ook over een Alexandrijnse volksjongen.

'Mijn moeder Merope stalde uit haar vaten/ Tusschen barbier, ooftstal en koekekraam./ Pasteibakker, baardschrapper, fruitvrouw praatten:/ Marktbuurverkooperpraatjes: 'Morgen saâm!'

Die onverwacht aards dichtende Couperus wordt ons nu terug geschonken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.