Cootie had het weer van Bubber

Ellingtons muziek moet blijven leven, maar over de manier waarop wordt hartstochtelijk gestreden. Transcriberen en naspelen, vindt componist en dirigent Gunther Schuller en dat is precies wat Wynton Marsalis deze week met zijn Lincoln Center Jazz Orchestra komt doen....

GHOST BANDS reizen in naam van hun overleden leiders de wereld rond. Jonge musici vullen hun cd's met tributes aan de groten uit lang vervlogen jaren. En ook de manier waarop de honderdste geboortedag van Duke Ellington gevierd dreigt te worden, getuigt van de geest van deze tijd: terugblikken en naspelen, waarbij eerbied voor het verleden de eigen ambities en individualiteit wegdrukt. Alsof er geen nieuwe grote jazzlegendes meer zouden ontstaan.

Op 24 april bracht de Matinee op Zaterdag een Ellington-programma dat bijna geheel bestond uit het spelen van transcripties, en van 22 tot 24 juni komt trompettist en bandleider Wynton Marsalis met zijn Lincoln Center Jazz Orchestra in het Amsterdamse Concertgebouw hetzelfde doen.

Componist en dirigent Gunther Schuller, gisteravond nog in het Concertgebouw met een reconstructie van Mingus' Epitaph, is een hartstochtelijk pleitbezorger voor de 'levende instandhouding' van Ellingtons muziek. Al meteen na diens dood in 1974 legde Schuller de grondslag voor de 'repertory bands'. Ellington is gelijkwaardig aan klassieke componisten als Stravinsky, Debussy of Schönberg, schreef hij in een artikel in 1974 dat onlangs is herdrukt in het bulletin van de Duke Ellington Music Society. Net als het klassieke repertoire, wordt Ellingtons muziek het best bewaard door het te spelen, is Schullers overtuiging.

De Amerikaanse orkestleider David Berger, die zowel Marsalis als de Matinee de transcripties leverde, is het daar roerend mee eens. Maar Walter van de Leur, musicoloog en leider van het Dutch Jazz Orchestra, ziet het nut niet in van al die reconstructies. Hij pleit voor een andere verkenning van de historie, door obscuur gebleven materiaal tot klinken te brengen, een aanpak die hij zelf toepast bij het ontsluiten van Billy Strayhorns nalatenschap.

Natuurlijk zijn er opnamen waarop 'his master's touch' in volle glorie is vereeuwigd met zijn allereigenste, onvervreemdbare sound, waarbij elke reconstructie - hoe goed ook - toch de charme van het origineel mist. Schuller is ook van mening dat de versie van de maker zelf per definitie de beste is, maar hij spreekt zich niet uit over de vraag waarom die opname niet genoeg zou zijn.

David Berger is, telefonisch vanuit zijn huis aan de Duke Ellington Boulevard (hij woont er écht), wel bereid wat argumenten aan te dragen. Ellington moet óók in de concertzaal gehoord worden, gelooft hij, omdat platen nooit de volledige akoestische ervaring kunnen weergeven. 'Naar platen luisteren is net zoiets als kijken naar een foto van iemand die een biefstuk eet.' Een concert beleven is ook een communal experience, gezamenlijk onderga je de spanning van het opgevoerde kunststukje: zal het de musici lukken of niet? Ten slotte vindt Berger dat het naspelen van Ellingtons partijen een onmisbare leerschool is voor jonge musici.

Ook Berger trekt parallellen met de klassieke praktijk. Repertory bands doen in wezen precies hetzelfde als symfonie-orkesten, en daar maakt al 150 jaar niemand bezwaar tegen, terwijl Beethoven net als Ellington schreef met specifieke solisten in gedachten. En vanzelfsprekend, vindt Schuller, moet je niet een halfuur durende solo van John Coltrane gaan naspelen. Maar Ellington schreef orkestrale composities waarin de rol van de improvisatie in feite ondergeschikt is, omdat de solo's vaak van te voren waren bedacht en in de partituur waren opgenomen.

Dat ze een integraal onderdeel van het stuk vormden, bleek volgens Schuller ook uit het feit dat nieuwkomers in het orkest deze solo's van voorgangers 'erfden': trompettist Cootie Williams werd verondersteld Bubber Miley na te spelen. Omdat je Ellington moet blijven spelen moet je hem blijven imiteren, zegt Schuller, want Prelude To A Kiss is meer dan een themaatje of een akkoordenschema; Prelude To A Kiss is een volledig doordachte, complexe structuur, en als je die aanpast, maak je de essentie kapot.

David Berger is ooit begonnen met het maken van transcripties om er kennis uit op te doen die hij wilde toepassen in zijn eigen muziek. Omdat hij in het begin nauwelijks de beschikking had over partituren was hij aangewezen op platen. Hij was dan ook dolblij met de uitvinding van de cd, die niet alleen vaak helderder klonk maar die hem ook beter in staat stelde bepaalde passages te isoleren en ontelbare malen te beluisteren. Want het viel vaak niet mee om een klank te herleiden tot de zes gespeelde noten.

Later, toen het grootste deel van Ellingtons bladmuziek wel toegankelijk was gemaakt, gebruikte Berger die om zijn reconstructies te controleren. Dan bleek geregeld dat de plaatversie ervan afweek, omdat er in de studio kennelijk nog wat aan gesleuteld was. Partijen voor de piano, de bas en de drums ontbraken geheel, vandaar dat Berger zich met zijn eigen orkest wat meer vrijheden veroorlooft dan Schuller, die bijvoorbeeld vindt dat Ben Webster's beroemde tenorsolo in Cotton Tail onderdeel is van de score, en dus noot voor noot moet worden nagespeeld. (Een spookachtige gewaarwording, te horen op de cd Ellington Masterpieces van het American Jazz Orchestra). 'Wat m'n eigen inbreng betreft zit ik tussen Schuller en Marsalis in', concludeert Berger.

Wynton Marsalis vertelt, eveneens telefonisch vanuit New York, dat hij er geen moeite mee heeft om de stukken op te rekken voor langere solo's. 'We spelen het als onszelf, we proberen niet te spelen als Johnny Hodges of Cootie Williams.' Maar van de arrangementen moet je afblijven, vindt ook hij, want iets beters verzin je toch niet.

De vraag waarom hij ze überhaupt uitvoert, levert een simpel antwoord op, waarin doorklinkt dat ook Marsalis de jazz ten dele tegemoet treedt met de mentaliteit van een klassiek musicus. 'Omdat het universele en tijdloze muziek is. Er moet wat Ellington in je orkest zitten, en wat Armstrong in je trompet, anders stelt het niks voor. Het is geen verouderd idioom, wij maken het idioom door het nu met hart en ziel te spelen. Dat doe ik met alles, ook als het in 1750 geschreven is.'

Eigen inbreng vindt Marsalis prima, maar: 'Cootie leerde het van Bubber, en wij moeten die lijn doortrekken.' Dankzij de platen en een cd-project (Portraits by Ellington) waarbij Marsalis' band samenspeelde met ex-leden van het Ellington-orkest, is te horen hoe het zou moeten. Maar 'Ellington bleef zichzelf, die ging Ornette Coleman niet nadoen, en zo ga ik ook niet rappen om de trend van de dag te volgen', stelt Marsalis.

Walter van de Leur is teleurgesteld dat er in het Ellington-jaar niets anders gebeurt dan omkijken en naspelen. 'Als er iemand was die dit in 1999 nooit zou doen, die stukken nooit zou spelen of in elk geval niet op die manier, dan is het Duke Ellington. Daar werd hij toch zo om geprezen, dat hij altijd vooruit wilde?

'Het is leuk en nuttig dat Schuller met een stapel bladmuziek onder z'n arm de conservatoria afreist om studenten te leren hoe die muziek in elkaar zat. Dan horen ze dat er vóór Kenny G. nog andere saxofoonstijlen zijn geweest, en leren ze omgaan met dempertjes. Maar artistiek brengt het ons totaal niet verder. Als je klakkeloos naspeelt ga je de concurrentie aan met een orkest dat minstens driehonderd concerten per jaar deed, met mensen die dertig jaar samen in een sectie zaten. Dan heb je op voorhand al verloren.'

Want de compositie ís niet hetzelfde als de interpretatie, vindt Van de Leur. Als je muzikanten nu in het keurslijf dwingt van een andere interpretatie, klinken ze onnatuurlijk en anachronistisch. Je kunt niet doen alsof je Coltrane nooit gehoord hebt. Het gaat in tegen de geest van de jazz, omdat alle keuzes al voor je gemaakt zijn. 'Johnny Hodges heeft niemand anders bestudeerd. Ben Webster heeft niet uitgebreid onderzoek gedaan voor hij die solo in Cotton Tail speelde, hij was zo en speelde zo, daar was voor hem geen noot Spaans bij.

'Er ligt enorm veel obscuur materiaal in de archieven, een hele show uit de Cotton Club bijvoorbeeld, allemaal nooit opgenomen. Dat is een veel leuker verjaardagscadeau. En dan boks je niet op tegen een bekend voorbeeld, en hoef je niet te klinken als een orkest uit de jaren '40.' Van de Leurs Dutch Jazz Orchestra had plannen in die richting, maar niemand bleek geïnteresseerd, en zelf kreeg het de middelen niet bij elkaar.

De gebruikte transcripties wemelen overigens vaak van de fouten, aldus Van de Leur, vooral die van Schuller. Passages in diens Sepia Panorama 'gepubliceerd en wel', hadden een foutenpercentage van meer dan de helft - van een zesstemmige lijn klopten alleen de onderste en de bovenste. Bergers biefstuk-analogie vindt Van de Leur zwaar gechargeerd, de kwaliteit van de cd is tegenwoordig zo goed dat het grootste deel van de muziek heus wel overkomt. 'En mijn mening is dat de meeste repertoire-orkesten ons een taaie, opgewarmde biefstuk voorschotelen, die ook nog eens royaal over de uiterste verkoopdatum heen is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden