Constant Hijzen doet een zwaar beroep op motivatie van lezer

Helder standaardwerk over de Nederlandse inlichtingendiensten is iets te zwaar beladen met methodische verhandelingen.

Beeld Hollandse Hoogte

De auteur heeft oog voor veelzeggende details, maar is schaars met anekdotes.

Nederland en z'n veiligheidsdiensten passen niet bij elkaar. Dat is wel de bondigste samenvatting van Vijandbeelden, de titel waaronder de handelseditie verkrijgbaar is van het proefschrift dat de Leidse historicus Constant Hijzen schreef over de moeizame verhouding tussen veiligheidsdiensten en democratie in Nederland. 'Legitimiteit' is het woord dat daarbij telkens opduikt. Mogen burgers tegen wie (nog) geen gegronde verdenking bestaat worden gevolgd? En in hoeverre mogen veiligheidsdiensten zich onttrekken aan ambtelijke en parlementaire controle?

Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de tijd waarin ze werd gesteld. In 1912, toen de eerste Nederlandse inlichtingendienst als 'derde sectie van de generale staf' (GS III) in het leven werd geroepen, was die vraag nog helemaal niet aan de orde. Het handjevol medewerkers verzamelde, met de schaar in de aanslag en de lijmpot binnen handbereik, gegevens over andere Europese legers. Ter bescherming van 's lands neutraliteit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog poogde GS III ook een indruk te krijgen van de moraal in het Nederlandse leger, en van de mate waarin Nederlanders bloot stonden aan 'buitenlandse invloeden' - een activiteit die in november 1918, toen ook in Nederland even revolutie dreigde, enige relevantie bleek te hebben.

De taakopvatting van de Centrale Inlichtingendienst - door Hijzen gekenschetst als 'een kleine, zeer geheime maar politiek verweesde inlichtingendienst' - spoorde nog met die van GS III. Maar onder invloed van de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Koude Oorlog groeide de maatschappelijke en politieke aandacht voor het inlichtingenwerk - achtereenvolgens uitgevoerd door het Bureau Nationale Veiligheid, de Centrale Veiligheidsdienst en de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en verbreedde de doelstelling van de diensten zich tot 'bestrijding van de subversieve mentaliteit'. Die werd vooral geacht aanwezig te zijn bij aanhangers van de Communistische Partij van Nederland (CPN), die zonder enige terughoudendheid werden geassocieerd met de 'vijfde colonne'.

In de jaren vijftig was die prioriteit onomstreden. Louis Einthoven heerste als 'diensthoofd, beleidsmaker en toezichthouder' over de BVD. Hij wist een vergaande meegaandheid af te dwingen bij journalisten en Kamerleden. En voor de regering was de BVD, volgens Einthoven, 'een bakje explosieven dat elk ogenblik kon ontploffen. Men wilde er dus zo min mogelijk over horen om steeds te kunnen zeggen: das habe ich nicht gewusst.'

Na het bewind van Einthoven, in de jaren zestig, legden media en volksvertegenwoordigers een levendige, overwegend kritische, belangstelling voor de BVD aan de dag. Zeker toen de dienst zich, niet van harte overigens, ook ging toeleggen op de screening van studentenactivisten, provo's en PSP'ers. Maar de nadruk bleef liggen op de bestrijding van het veronderstelde communistische gevaar. Ook toen daar naar de gangbare opvatting buiten de BVD geen aanleiding meer toe bestond.

Pas onder aanvoering van Arthur Docters van Leeuwen, ging de dienst - sinds 2002 AIVD geheten - aan de slag met een breed scala aan mogelijke 'bedreigingen van de democratische rechtsorde'. Daartoe rekende Docters van Leeuwen ook de 'actieve bemoeienis van buitenlandse inlichtingendiensten met hun emigrantenkolonies'. Ed van Thijn, de toenmalige burgemeester van Amsterdam, zei in het Algemeen Dagblad dat hij zich 'buitengewoon geërgerd had aan (deze) onverantwoordelijke stemmingmakerij'. En daar verbaast de hedendaagse lezer zich weer hogelijk over.

Vijandbeelden: De veiligheidsdiensten en de democratie

Non-fictie.
Constant Hijzen, 1912-1992.
Boom;493 pagina’s; €34,90.

Wie Vijandbeelden zou willen aanmerken als standaardwerk over de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, heeft daarvoor goede gronden. Hijzen schrijft helder en hij heeft oog voor veelzeggende details. Dat de anekdotes - waar de materie toe uitnodigt - schaars zijn, hangt vooral samen met de geheimhouding die de diensten per definitie hebben moeten betrachten.

Jammer is vooral dat Hijzen zijn proefschrift niet wat vrijer heeft willen bewerken. Nu doet hij een zwaar beroep op de motivatie van de lezer met methodische verhandelingen, verantwoordingen, tussenconclusies en eindconclusies die in een handelseditie beter hadden kunnen ontbreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden