Coltrane's solo's als tegengif voor demper van Davis

Miles Davis and John Coltrane: The Complete Columbia Recordings 1955-1961. Columbia (zes cd's)...

De klassiek geworden opnamen op deze zes cd's werden oorspronkelijk gemaakt onder Miles Davis' naam, maar het is niet verwonderlijk dat Columbia in de heruitgave ook John Coltrane noemt. Diens schroeiend hete tenorsolo's domineren bijna elke sessie, en jutten de opwinding en het energieniveau voortdurend op. Coltrane was nog geen bekende naam toen Miles Davis hem in 1955 in zijn band vroeg (beiden waren 29 jaar), maar daar zouden platen als 'Round about Midnight en Milestones verandering in brengen.

Het Miles Davis kwintet (met pianist Red Garland, bassist Paul Chambers en drummer Philly Joe Jones) speelde state of the art hardbop, en het was nagenoeg de laatste maal in zijn carrière dat Davis een trend volgde in plaats van er één te vestigen. Het groepsgeluid werd zorgvuldig gepolijst en geslepen, zoals ook blijkt uit het dozijn alternate takes in deze box. Verbluffende momenten zijn bijvoorbeeld Red Garlands lineaire, slangachtige pianosolo in Little Melonae (een Lennie Tristano op halve snelheid), en Philly Joe Jones' stuwende double time in Straight, No Chaser. Maar paradoxaal genoeg kan de muziek door al die verfijningen ook wat gemakkelijk en gladjes klinken, zoals in het wiegeliedje Billy Boy.

Coltrane's zoekende, nerveuze solo's vormen een tegengif, al leverden ze ook nieuwe problemen op. De twee blazers waren een bijzondere twee-eenheid: een schreeuwende, harde tenor gecombineerd met een gereserveerde, met demper bespeelde trompet. Davis mag hier nog zo zelfverzekerd klinken (ook zonder demper), je hoort ook hoe Coltrane zich niet naar het tweede plan laat duwen. Meteen na hem een solo inzetten moet niet altijd makkelijk zijn geweest.

In 1958 formeerde Davis een nieuwe groep met Cannonball Adderley. De jonge ster-altist kon het gat tussen trompet en tenor vullen, en niet alleen wat timbre betreft. De Charlie Parker-discipel begon al gauw een en ander van Coltrane over te nemen, maar had ook vooruitstrevende ideeën van zichzelf: in een versie van On Green Dolphin Street uit 1958 wijst zijn opgewonden solo vooruit naar de late Eric Dolphy.

Jones en Garland waren intussen vervangen door Jimmy Cobb en Bill Evans, die net als Coltrane als relatief onbekende bij Davis begon. Omdat de leider meende dat beide nieuwkomers slecht overweg konden met hoge tempo's, verschoof de nadruk naar peinzende, contemplatieve stemmingen. Milestones uit 1958 klonk hier en daar nog wat slapjes, maar met Kind of Blue maakte het sextet een onbetwiste jazzklassieker. Het betekende de doorbraak van de zogeten modale jazz, met langgerekte improvisaties op toonreeksen, in plaats van op steeds wisselende akkoorden. Kind of Blue steunde op Evans' hang naar tere kleuren en introverte stemmingen (in de gospelachtige stukken werd hij vervangen door de meer funky spelende Wynton Kelly) én op Coltrane's vermogen zelfs van het simpelste motief iets meeslepends te maken.

De triomf van Kind of Blue was tevens het begin van het einde: de pianist en de beide saxofonisten verlieten het sextet om eigen groepen te beginnen (Coltrane zou in 1961 nog even terugkeren).

Aan de tien studio-sessies in de box zijn ook twee live-registraties uit 1958 toegevoegd. De ruim 100 pagina's tellende toelichtingen (van criticus Bob Blumenthal en Davis' voormalige producer George Avakian) zijn aangenaam ter zake, en tevens wordt een verbijsterende hoeveelheid fouten in titels, data en personele bezettingen uit vroegere uitgaven rechtgezet.

Net als Columbia's voorgaande Miles Davis-boxen zit deze editie in een pretentieuze, niet erg handige verpakking; in dit geval een nodeloos zwaar metalen ding, dat makkelijk deuken en krassen oploopt.

Goedbeschouwd heeft Columbia het succes van deze set zelf ondermijnd, door hem twee jaar na de box van Davis' briljante kwintet uit 1965-1968 uit te brengen. Die avontuurlijke groep realiseerde nog veel beter wat Davis op Kind of Blue probeerde - in de woorden van Bill Evans: muziek als een Japanse pentekenaar in één ononderbroken lijn neerzetten (een techniek waar cartoonisten trouwens ook weg mee weten).

De kneedbare vorm en één-take-esthetiek van Davis' latere kwintet waren in zeker opzicht een reactie op het perfectionisme van de band met Coltrane. De muziek van dat kwintet werd ontegenzeglijk rafeliger, maar ook riskanter - en nog waardevoller.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden