Collectie souvenirs uit een grappige tijd

Ze had niet zo'n beroemde rug als Kiki de Montparnasse, de rug die met vioolsleutels tot een fotografie-icoon is geworden....

Van onze verslaggever

Bob Witman

ROTTERDAM

Het was voor de surrealisten dat de negentienjarige Meret Oppenheim (1913-1985) twee jaar eerder van Zwitserland naar Parijs was gekomen. Ze had de brandende ambitie om kunst te maken en stapte een van die cafés in Montparnasse binnen waar alle kunstenaars uit die tijd leken te komen. In Café du Dome maakte ze kennis met beeldhouwer Alberto Giacometti, met wie ze een Zwiterse achtergrond gemeen had. Hij zou haar voorstellen aan Man Ray. 'Meret is een van de ongeremdste vrouwen die ik ooit heb ontmoet', zou de Amerikaanse foto-artiest later schrijven.

Meret Oppenheim ontmoet Man Ray is de titel van een kleine expositie die de Kunsthal in Rotterdam uit Duitsland heeft gehaald. Het werk (litho's, tekeningen, multiples, collages, objecten en nauwelijks foto's) is opgehangen in een zaaltje van twee bij twaalf meter. Soms driehoog boven elkaar zodat het lijkt op de uitstalling in een negentiende eeuws museum.

Het is niet duidelijk waarom de Zwitserse en Amerikaan samen zijn gebracht. Ze hadden wat met elkaar, hun werk niet. Behalve dan dat ze beiden deel uitmaakten van de surrealistenbeweging, die in de jaren twintig en dertig op zijn hoogtepunt was. Ray (1890-1976) was in 1921 van New York naar Parijs gereisd, achter zijn vriend en mede-dadaist Marcel Duchamp aan. Hij verdiende geld met mode- en portretfoto's die hij voor Harper's Bazaar en Vogue maakte, maar hij stelde de camera niet boven het penseel, zoals een briefje getuigt dat in de Kunsthal is opgehangen: 'Ik schilder wat niet kan worden gefotografeerd. Ik fotografeer wat ik niet wil schilderen.'

Uitgangspunt van Oppenheim ontmoet Ray is de complete fotosessie, waarvan één foto op 5 mei 1934 in het tijdschrijft Minotaure verscheen, bij een artikel van de aanvoerder van de surrealisten André Breton: La beauté sera convulsive, de schoonheid wordt krampachtig. De foto's zijn gemaakt in het atelier van kubist Louis Marcoussis. Die staat ook zelf, met een valse baard aangeplakt, op een te scabreus bevonden exemplaar: Marcoussis buigt zich daarop voorover naar een geknevelde Oppenheim. De Zwitserse had een onbevangen pose, dat beviel Man Ray wel en hij zou haar in die jaren dertig nog veel vaker fotograferen.

In de tijd dat ze Ray leerde kennen, maakte Oppenheim 'winterjuwelen', sieraden met bont bekleed. Dat leidde tot het werk Pelztasse dat haar in 1938 doorbraak bezorgde. Na een middagje brainstormen met Pablo Picasso, kocht ze bij de Monoprix een kopje, schotel en lepel en bekleedde deze met Chinees gazellebont. Dit 'pelsservies' maakte haar in één klap beroemd.

Het servies is niet alleen in Oppenheims oeuvre belangrijk. Pelztasse wordt beschouwd als een archetypisch object uit de surrealistenschool. André Breton sloot het direct in zijn hart. Hij noemde het Déjeuner en fourrure, een kennelijke verwijzing naar Manets Déjeuner sur l'herbe. Met het bontservies, het vervreemden van alledaagse gebruiksvoorwerpen door een simpele ingreep, raakte Oppenheim aan het hart van het surrealisme.

Het stempel van surrealisme is Oppenheim blijven achtervolgen, alhoewel haar latere werk zeer divers is. Het zijn wat dromerige tekeningen en objecten, gekenmerkt door uiteenlopende materiaalkeuze, veelheid van stijlen en bijna onbeheerste experimenteerdrift. In zo'n mini-overzichtje op zo weinig vierkante meters blijft daar weinig van overeind. Het gemeentemuseum in Arnhem heeft voor september een groter overzicht van haar werk in petto.

Van Man Ray zijn slechts een paar foto's te zien, het gaat hier om zijn beeldende werk, zoals Pin up (1970), een collage van speldenverpakkingen. En een metronoom met een oog (van Lee Miller) bevestigt op de slinger: Perpetual Motiv (1972). Het is een afgeleide van het vergelijkbare Object of destruction dat Man Ray in de jaren dertig maakte toen Miller hem verliet. 'Cut out the eye from a photograph of one who has been loved but is seen no more', luidde het lugubere bijschrift dat de eerste schets van het object vergezelde. De oorspronkelijke versie werd in de jaren zestig vernield door anti-surrealisten.

De statuur van Ray is zo veel groter dan de relatief onbekende Oppenheim, dat zijn werk minder heeft te leiden onder willekeurige selectie in de Kunsthal. Bij elkaar is het eigenlijk meer een collectie souvenirs van een tijd, een grappige tijd, dat wel. Eind jaren dertig dreef oorlogsdreiging de surrealisten uiteen. Oppenheim keerde in 1937 terug naar Zwitserland. Ray ging in 1940 naar de VS. Hij kwam na de oorlog nog wel terug, maar Parijs was dezelfde niet meer.

Meret Oppenheim ontmoet Man Ray, Kunsthal Rotterdam, t/m 14 sept.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden