Interview Lee Chang-dong

Cineast Lee Chang-dong verfilmde een verhaal van Murakami: ‘Ik vraag mij altijd af of mijn films een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving of niet’

Een scène uit de film Burning.

Critici zijn laaiend enthousiast over de nieuwe film van Lee Chang-dong, Burning. De Zuid-Koreaan bewerkte een verhaal van Murakami tot een thriller waarvan de kijker de geheimen zelf maar moet ontrafelen.

Wat maakt een film een Lee Chang-dongfilm? Een heldere vraag, gesteld door een van de journalisten tegenover de Zuid-Koreaanse filmer. Die zit aan een tafeltje onder de snikhete Zuid-Franse zon, om te praten over zijn nieuwe speelfilm Burning. Wie zijn eerdere films kent, zou kunnen antwoorden dat Lee daarin de nasleep van misdrijven ontgint, om zo vragen te stellen over de betekenis van schuld en boetedoening in de moderne samenleving. En dat niet enkel het individu, maar ook die samenleving in zijn films vaak tekortschiet. Zoals in Secret Sunshine (2007), over een jonge weduwe die haar kind ontvoerd ziet. Of Poetry (2010), waarin een oma met Alzheimer ontdekt dat haar kleinzoon schuldig is aan groepsverkrachting. Films die hier in Cannes bekroond werden (beste actrice, beste scenario), en waarin in het bijzonder de vrouwelijke hoofdrolspelers opvallen: steengoed zijn ze.

Maar wat acht de 64-jarige Koreaan zelf kenmerkend voor zijn films? Lee’s Engels is gebrekkig; voor de zekerheid wordt hij vandaag geflankeerd door twee tolken, helaas beiden ondermaats. ‘Ik heb geen specifiek thema’, frommelen ze een staccato-zinnetje in elkaar, namens Lee. ‘En ook geen specifieke boodschap aan het publiek.’

Het is daags na de wereldpremière van Burning en de op een kort verhaal van Haruki Murakami (uit de bundel Een olifant verdwijnt, 2005) gebaseerde mysterieuze thriller heeft het waarderingsrecord gebroken in de voornaamste journalistenpoll te Cannes. Aan Lee zie je dat niet af: de Zuid-Koreaan ondergaat het publiciteitscircus gelaten, zonder al te veel vreugd.

Een paar maanden later doet de Zuid-Koreaan Amsterdam even aan voor een bezoek aan zijn vriend en oud-Volkskrant-filmjournalist Peter van Bueren. Ook is de cineast bereid wat vragen te beantwoorden per mail. Zijn antwoorden komen met vertraging binnen daar de tolk (ditmaal een capabele) moet zwoegen op Lees ‘raadselachtige en poëtische’ woorden, zo laat de Nederlandse distributeur van Burning weten.

‘Ik vraag mij altijd af of mijn films een betekenisvolle bijdrage kunnen bieden aan de wereld of niet’, schrijft Lee als antwoord op de vraag hoe hij besluit welk afgerond script toe is aan een verfilming – hij schreef er meerdere die nog in zijn bureaula liggen te wachten. ‘Soms moedigen vrienden me aan: kies dit of dat script, maar ik heb een dwingende reden nodig voor ik aan het filmen begin. Kan een film een uniek bestaan verwerven? Zo’n vraag kun je niet beantwoorden op rationeel niveau. Ik moet het voelen in mijn lichaam.’

Lee Chang-dong Beeld Kazuko Wakayama

Burning, vanaf deze week te zien in de Nederlandse bioscoop, deed het met ruim 500 duizend bezoekers prima in de Zuid-Koreaanse bioscopen en werd gekozen tot de nationale Oscarinzending.

In het korte verhaal van Murakami dat als basis diende voor de film ontmoet de verteller een rijke man die zegt verlaten schuurtjes in de fik te steken, als hobby. Of hij dit écht doet, laat Murakami in het midden. Mogelijk, suggereert het verhaal, begaat de man veel ernstiger misdrijven dan brandstichting.

In Lees speelfilm zijn de schuurtjes ingeruild voor leegstaande plastic kassen – die zie je veel op het platteland van Korea, ze fikken ook fraai. Het hoofdpersonage in Burning is de bleue Jong-su, een veehouderszoon met literaire ambitie. Hij valt voor Hae-mi, een meisje dat hem vraagt haar kat te voeren als ze op reis gaat naar Afrika. Teruggekomen uit Afrika heeft ze ineens een nieuwe vriend: de nonchalante Porscherijder Ben, die een fetisj heeft voor brandende boerenkassen. Het trio trekt samen op, maar Jong-su voelt zich minderwaardig naast de rijke leeftijdsgenoot. Tot een reeks onverklaarbare gebeurtenissen hem doen twijfelen: er móet wel iets gruwelijk mis zijn aan die Ben.

Klassenstrijd

Lee, gevraagd naar de wrevel tussen de in Burning verbeelde sociale klassen: ‘Onze hedendaagse wereld is rijker, comfortabeler en verfijnder dan ooit tevoren, maar lang niet iedereen kan daaraan deelnemen. Vroeger bestond er een geloof in historische progressie, een geloof dat de wereld een betere plek zou worden. Die hoop is tegenwoordig verdwenen onder de jonge generatie. Jonge mensen geven zich over aan machteloosheid, hun boosheid brandt van binnen. Mijn protagonist Jong-su is precies zo iemand.’

Murakami refereert met zijn korte verhaal aan schrijver William Faulker; die publiceerde in 1939 een kort verhaal met dezelfde titel (Barn Burning) over schuurbrand en klassenstrijd op het Amerikaanse platteland. Lee: ‘Faulkers Barn Burning is een verhaal over een arme boer die de boerderij van zijn landeigenaar uit woede in brand steekt. Waar het branden bij Faulkner echt gebeurt, tilt Murakami het naar een imaginair niveau. Je weet bij hem niet zeker wat echt is. Mijn film vertrekt vanuit Murakami’s verhaal, maar voor de concrete boosheid en het leed putte ik meer uit dat van Faulkner. Je zou Burning kunnen zien als een verplaatsing van Faulkners wereld naar die van Murakami. Ik was in het bijzonder geboeid door Murakami’s open einde. In mijn film tracht ik het mysterieuze aspect in het boek verder te voeren met cinematografische middelen.’

Jeon Jong-seo (voorgrond) en Yoo Ah-in.

Het verhaal van Burning pendelt tussen de moderne wijken van Seoul en de half verlaten en vervallen boerenwoningen aan de rand van de stad Paju, vlak bij de grens met Noord-Korea. ‘Op de kaart ligt het niet zo ver van elkaar vandaan, maar gevoelsmatig is de afstand enorm. Tijdens de opnamen kon je de propaganda horen schallen uit de Noord-Koreaanse luidsprekers, zo luid dat het de geluidsopnamen bemoeilijkte. Paju is een voorbeeld van het snelle verval van het platteland: het werk wordt nu uitbesteed aan buitenlandse krachten. En die Koreaanse buitenwijken zijn weliswaar niet landelijk, maar ook niet echt urbaan. Ze zijn iets ertussenin, iets leegs.’

Een puur cinematografisch, onmogelijk in taal te vatten moment in de film is de wonderschone scène waarin Hae-mi een in Afrika opgepikte dans van de Kalahari-bosjesmannen uitvoert, gadegeslagen door de twee blowende jongemannen. Lee: ‘In die dans valt alles in de film samen: geluk en droefheid, het schone en lelijke, het waarlijk mysterieuze. Er is de zonsondergang, de wapperende Zuid-Koreaanse vlag in de wind, de jazzmuziek die klinkt, de vervallen tuin – en te midden van dat alles begint Hae-mi te dansen, onder het masculiene symbool van de nationale vlag. Ze doet haar kleren uit om terug te keren naar de voorwereldlijke vrijheid van de Bosjesmannen, maar Jong-su en Ben zijn niet in staat haar gebaar te begrijpen. Hun louter mannelijke blik geeft haar dans iets eenzaams en treurigs.’

Thriller?

Burning valt te omschrijven als thriller, maar tegelijk schiet die omschrijving tekort: mogelijk kneedt de veehouderszoon Jong-su dat wat hij niet begrijpt zélf tot thriller, in zijn hoofd. Lee: ‘Het meest waardevolle aan het thrillergenre is de eenvoudige vraag: waarom? Die vraag maakt dat je als kijker meegaat met het hoofdpersonage, op zoek naar antwoorden. Maar waar alles wat thrillers mysterieus maakt meestal tegen het einde wel verklaard is, probeer ik het geheim te behouden. Er is ook veel onverklaarbaar en mysterieus aan de wereld. Mijn doel was een nieuw soort mysterieuze thriller’ te maken, waarin alledaagse zaken de harten van het publiek sneller doen kloppen, zoals katten of rinkelende telefoons.’

Mogelijk is de kern van zijn thriller even leeg als de verlaten plastic kassen, suggereert Lee. ‘Wat is realiteit? Wat is illusie? Is die Ben een seriemoordenaar of een genereuze vriend? Wat wil je zelf als kijker van deze film? Wat ís film eigenlijk? Het is aan het publiek om de gaten in Burning te vullen met betekenis.’ 

Jeon Jong-seo als Hae-mi in de film Burning. Beeld Flimstill Burning

Ex-minister

De Zuid-Koreaan Lee Chang-dong (64) was op jonge leeftijd al een bekend romanschrijver in eigen land, voor hij overstapte naar de filmwereld. Vijftien jaar geleden was hij ook nog even minister van cultuur van Zuid-Korea, maar de politiek beviel hem slecht. In twintig jaar tijd regisseerde hij zes speelfilms: Green Fish, Peppermint Candy, Oasis, Secret Sunshine, Poetry en Burning

Lees ook de filmrecensie van Burning:

Het virtuoze en spannende Burning laat glashelder de kloof zien die jonge Koreanen verdeelt (vijf sterren)
Het Zuid-Koreaanse Burning moet toch wel de meest merkwaardige thriller in tijden zijn. Een film waarin de misdaad zoek is, steeds nét buiten bereik blijft. Waarin de kijker zich geconfronteerd ziet met een hoofdpersonage dat al kokerdenkend zijn eigen, rigoureuze conclusies trekt uit een sliert zonderlinge gebeurtenissen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.