Chroniqueur van avontuurtjes; ONMATIGHEID WAS DE KRACHT VAN DE MAUPASSANTS SCHRIJVERIJ

ZIJN VERHALEN worden bevolkt door mannen die elkaar verhalen vertellen - mannen van de wereld, bereisd en ervaren, mannen die je in principe niets meer hoeft te vertellen, een beetje bezadigde mannen ook, maar met een onvermoeibare hang naar pikante anekdoten....

'Buiten stond een harde wind, een loeiende en razende herfstwind', schrijft hij ter opening van de geschiedenis van 'Mirza'. Dat verhaal lijkt wel geschreven om zijn lezers te tarten: kijk eens, zo simpel is het, zit stil en luister, dan ga ik jullie eens wat vertellen. 'De jagers rondden hun avondeten af, nog gelaarsd, rood, druk, aangeschoten.' De beschrijving van het gezelschap houdt nog even aan, maar je voelt wel dat dat slechts bedoeld is om de lezers op te warmen. Want het komt eraan, het verhaal - en, jawel, vier alinea's later is het zover: 'Toen verhief een oude verlopen, aan de drank geraakte edelman, De Varnetot, zijn stem en zei: Ik heb vroeger wat raars meegemaakt met zo'n meisje! Dat verhaal moet ik jullie vertellen.'

Zijn verhalen zijn stuk voor stuk gebaseerd op de fundamentele overtuiging dat wanneer je een paar mannen bij elkaar zet, ze een glas inschenkt en de kachel wat oppookt, de verhalen vanzelf loskomen - en dat die verhalen vroeger of later over de altijd weer verrassende capriolen van vrouwen zullen gaan. Dat ze daardoor impliciet ook gaan over de wijze waarop mannen met die vrouwen omgaan, over vooroordelen en gewoonten, is duidelijk, maar het is de vraag of dat de schrijver erg heeft beziggehouden - en of de behoefte op die manier wat dieper te graven niet veeleer typerend is voor een laat-twintigste-eeuwse lezer, murw gebeukt als hij is door parmantige academische wijsneuzigheid over sex and gender, de vraagstukken van representatie en perceptie die door de academische literatuurkritiek zoemen als vliegen door het luchtruim van een boerenerf in de zomer.

Soms worden ze met zoveel woorden geïntroduceerd, die mannen, en daarmee verantwoordelijk gemaakt voor de anekdote waar het allemaal om begonnen is: 'Mijn oom Sosthenes was vrijdenker, zoals er zoveel zijn. . .' - enzovoort. Soms zijn ze er gewoon al wanneer het verhaal begint: 'Het was na een diner onder heren (. . .), we hadden het over dierlijk magnetisme' of: 'Ze zaten bij het vuur te kouten, de oude dokter en de jonge patiënte. . .' - en dan komt het.

Soms houden de vertellende heren zich op de achtergrond, en tuimelen we vanaf de eerste zin in een keer het verhaal binnen, bijvoorbeeld doordat ons inzage wordt geboden in een intieme correspondentie, steevast opgedoken uit oude koffers, laden of kleerkasten, ook al staat dat er niet bij. Soms vallen de verteller en de schrijver samen en begint het verhaal met een krachtige bewering, die onmiskenbaar aanleiding zal geven tot een bespiegeling die vroeg of laat wel uitmondt in een anekdote om haar te staven: 'Ben ik gek? Of alleen jaloers?' Of: 'Ontmoetingen vormen de charme van het reizen' - en, hupsakee, daar gaan we weer.

Hoeveel literaire naïveteit, gespeeld of authentiek, zou een doorgewinterde lezer eigenlijk kunnen verdragen? Hoeveel wantrouwen torst hij inmiddels met zich mee jegens de schrijver die zich voordoet als een gemoedelijke verteller, als iemand die goed geluisterd heeft naar wat hij in de trein, de salon of de zijkamer van een restaurant heeft opgevangen? Hoezeer is zijn vermogen tot overgave besmet geraakt door schrijvers die zich om te beginnen eerst maar eens verantwoorden voor de door hen gevolgde procedure, die zichzelf en hun ambacht te kijk stellen alvorens over te gaan tot het vertellen van datgene waar het hun om begonnen is?

Guy de Maupassant geldt als de schrijver van de belle époque bij uitstek, de chroniqueur van het mondaine leven dat ingericht leek om avonturen en liever nog avontuurtjes te beleven om die vervolgens fluks te kunnen vertellen. Hij is gevat en pikant, en mede door zijn portretteringen ervan kleeft er aan dat tijdperk een odium van schalksheid, van ondeugendheid - het is als het ware een grote pastel van Toulouse Lautrec, vol opwaaiende onderjurken en koekeloerende snorremansen, bij wie de 'o, la la'-uitdrukking niet van hun smoelen te branden is.

Zijn werk is een bijna ongeloofwaardige opeenstapeling van demonstraties van schrijversnaïveteit. Zijn held was Flaubert, de zich altijd weer in alle bochten van de ironie wringende meester van de verantwoording van het schrijven zelf. Flaubert was zelfs letterlijk zijn leermeester: zowel Guy de Maupassants moeder, voortgedreven door een ongeremde ambitie voor haar zoon, als hijzelf zocht zijn oordeel en advies. Maar zozeer als de zelfreflectie op het schrijverschap de leidraad vormt van Flauberts literaire werk en zijn correspondentie, zozeer ontbreekt die bij Guy de Maupassant.

Hij moet zich te pletter geschreven hebben - en gegeten en gedronken - om al die anekdoten te verzamelen die hij keer op keer welgemutst in zijn feuilletons opdiste. De bundel Het varken Morin, de tweede die nu in een nieuwe, sprankelend frisse Nederlandse vertaling verschijnt - de eerste, Op een lenteavond, verscheen verleden jaar - bevat louter de verhalen uit de jaren 1881-1882 en dat zijn er al 59. Dat betekent dat hij er minstens een per twee weken schreef, en wie zijn biografie leest - de handzame schets van Henri Troyat, bijvoorbeeld, of het innemende portret dat Paul Morand in 1942 van hem schreef en dat gelukkig nu opnieuw werd uitgegeven, want het was moeilijk vindbaar - beseft hoeveel ontzag we daarvoor moeten hebben.

Want hij had warempel meer te doen: feest vieren, geld uitgeven en achter de vrouwen aanzitten; voor de verplichtingen die zijn aanvankelijke baantjes, op twee verschillende Parijse ministeries, met zich meebrachten, heeft hij zich zorgvuldig weten te drukken. Ook toen had hij, zo jong als hij was, al te veel sociale verplichtingen om in de gelegenheid te zijn op tijd op kantoor te verschijnen en daar een redelijke aaneengesloten periode door te brengen. In een van de verhalen uit Het varken Morin laat hij iemand onrustbarend achteloos opmerken dat een man zo tussen zijn achttiende en zijn veertigste toch minstens met driehonderd vrouwen naar bed gaat, zodat we mogen vaststellen dat hij alleen al voor het onderhoud van zijn conditie en viriliteit een straf regime gevolgd moet hebben.

En toch nog tijd gevonden om al die verhalen te schrijven; de Nederlandse editie is nu met twee solide delen bij tot 1882, maar tot zijn dood, elf jaar later, volgt in de Franse verzameluitgave nog een stevig plankje romans en verhalenbundels. Er zijn in zijn biografie seizoenen waarin hij tegelijkertijd verschillende uitgevers opjut voort te maken met de publicatie van zijn nieuwste boek, omdat er alweer een volgend manuscript onderweg is.

D E VRAAG is of al die gemoedelijke hilariteit die door Guy de Maupassant geboekstaafd is, veel meer is dan divertissement. Wat moeten we, meer dan honderd jaar na ontstaan, met, ik noem maar iets, bizarre ontmoetingen op Corsica? Een reiziger, die verdwaald is zeker, komt op kerstavond terecht in het huis van enkele inboorlingen. Die zitten net aan tafel en betreuren het heengaan, zoëven, van een familielid. Reiziger wordt uitgenodigd een vorkje mee te prikken, maar stuit op weerstand als hij vraagt nog even afscheid te mogen nemen van het kadaver. Aandringen, afweren, aandringen, toegeven - en, jawel, daar komt de aap uit de mouw: ze hebben, wegens ruimtegebrek, de dode opgeborgen in de broodkast, onder het tafelblad.

De lezer wordt geacht monter mee te gnuiven met de schrijver: die Corsicanen toch! In een ander Corsicaans verhaal - De Maupassant had een reis naar Corsica gemaakt - wordt een reiziger voortreffelijk behandeld door een alleraardigste jonge vrouw, die na lang aandringen als geschenk een behoorlijke revolver verlangt om een paar buren te kunnen omleggen. Jaja, die Corsicanen - enzovoort. Een gierige vrouw - weer een ander verhaal - neemt een hond om zich te beveiligen tegen inbraak, totdat de inner van de hondenbelasting langskomt en ze vervolgens toch weer geen afscheid kan nemen van dat beestje, waarop - enzovoort. Een ontevreden burgervrouw gaat een dag lang in Parijs aan de zwier met een erg middelmatige schrijver: boven die wespentailles kloppen ongehoord onstuimige hartjes.

Er zit, anders gezegd, iets slopends in De Maupassants anekdotenbakkerij, die grofweg slechts twee manieren van lezen mogelijk maakt: of allemaal achter elkaar door, met hetzelfde effect als de straffe consumptie van een kingsize schaal pinda's of een voordeelpak Engelse drop bewerkstelligt - wee, opgeblazen en dagenlang geen trek meer -, of een voor een, precieus, proevend, geconcentreerd.

Maar zou er iemand bestaan die daartoe in staat is, tot het eten van zegge één pinda of precies één zo'n stapeltje even kleurrijke als weke viltjes? Zou er, terug van het beeld naar het verbeelde, iemand zijn die na een verhaal van De Maupassant van vier, vijf, hooguit tien bladzijden, zo'n bundeling terzijde kan leggen om er pas 's anderendaags weer een te lezen en op die manier zijn lectuur pas twee maanden later te beëindigen? Zo iemand beschikt over een instelling waarvan ik nooit iets zal begrijpen - en, denk ik, over geen enkele gevoeligheid voor datgene waar het De Maupassant vermoedelijk om begonnen was.

Want er zit iets merkwaardigs aan zijn neiging tot overkill, zowel waar het zijn feitelijke productie betreft, als waar het gaat om die eindeloosheid van zijn anekdoten. In beide opzichten heeft dat te maken met wat toch maar het best zijn literaire raffinement genoemd kan worden, en naarmate de tijd verstrijkt en we verder af komen te staan van die allereerste ontvangst van zijn verhalen, wordt het makkelijker dat vast te stellen.

Zijn eerste lezers, zegt Morand, waren vrouwen, de duizenden lezeressen uit de gevestigde bourgeoisie van de belle époque die zijn verhalen oppeuzelden uit de kranten en tijdschriften waarin ze week in week uit werden afgedrukt. Het 'o la la'-gevoel was hun op het rijglijf geschreven; de schalksheid van De Maupassants helden en heldinnen, de ondeugendheid van de geschiedenissen waaraan hij ze liet deelnemen, ze vormden het stramien waarop zich hun eigen levensgeschiedenissen lieten borduren. Hij moet voor hen indertijd de functie hebben gehad die vandaag de dag de pruttelende burgermannetjes en de opstandige en onvermoeibaar vermanende stukjestrutjes onder de columnisten hebben: het noteren van simpele, maar boud geformuleerde meninkjes, die de lezers in hun zelfgenoegzaamheid moeten bevestigen - uiteraard onder het mom van het tegendeel. Zoals nu, na lezing, het zelfingenomen hoofd instemmend knikt na kennisname van het dappere vooroordeel, zo gingen toen de handjes instemmend omhoog naar de al even meegaande toetjes. 'O la la' werd 'Juist', 'Precies' en 'Zo zit het' - maar de reflex moet nagenoeg dezelfde zijn; de cultivering van de ondeugendheid en de cultivering van de tegendraadsheid, ze zijn denkelijk twee verschijningsvormen van hetzelfde.

De consequentie van die bevestigende, columnistische aanpak is onleesbaarheid op termijn: wie zijn tijdgenoten plagend onder de kin strijkt, tast een generatie later in het luchtledige. Ofschoon De Maupassant door zijn tijdgenoten als de chroniqueur par excellence van een levensgevoel, van een reeks onuitgesproken vooroordelen en omgangsvormen is gelezen en daardoor ook zijn reputatie heeft verkregen, bestaat er een eenvoudige proef om vast te stellen of dat inderdaad alles is wat zich over hem laat zeggen. Dat levensgevoel is immers definitief verloren gegaan, het is in elk geval voor ons onachterhaalbaar.

D E MAUPASSANT en zijn lezeressen hebben zich erin gewenteld, verhaal na verhaal - maar wie ruim een eeuw later, na beeindiging van zijn lectuur van een van De Maupassants bundels, de inhoudsopgaven ervan nog eens doorneemt, stelt iets eigenaardigs vast. Dat is het gemak waarmee hij zich de strekking van ieder verhaal, de smaak van ieder individueel nootje, prompt voor de geest kan halen.

De column van gisteren en zeker die van verleden week is, een enkele uitzondering daargelaten, vervluchtigd tot een vage impressie van een mening over een zaak waarvan het dwingende karakter alreeds verloren is gegaan, maar het De Maupassant-cursiefje van honderdennogwat jaar geleden staat nog helder overeind.

Hij schreef ze rond een pointe, zo vrijblijvend en onschuldig als die in al zijn pikanterie veelal ook is. Maar hij schreef ze evenzeer in een precieze toonsoort - een toonsoort die in de vertaling van Hans van Cuijlenborg voortreffelijk gehandhaafd werd. De verleiding is groot die te karakteriseren in termen van ironie en melancholie, die twee onscheidbare kenmerken van de levensangst. Maar het is juist de ongeldigheid van een dergelijk contemporain psychologisme dat De Maupassants verhalen zo sterk maakt. Het zijn keer op keer demonstraties van levensvreugde, van een wonderlijk vitaal soort Lebensbejahung - driehonderd vrouwen beminnen, inderdaad, en daarna nog een eindje roeien, een verbouwing regelen en uitgebreid tafelen met vrienden.

Hij kon er, kortom, niet genoeg van krijgen. De kracht van zijn schrijverij zit in die onmatigheid, in zijn onlesbare levenslust - daarom is die veelheid ook terecht. De behoefte telkens maar weer aan te schuiven om een verhaal te vertellen, sterk in alle betekenissen van dat woord, gaat vermoedelijk niet zozeer terug op een dwangmatige neiging tot leuteren, als wel op een zuivere vitaliteit. Life is for living, zegt die andere anekdotenbakker, die zo emblematisch is geworden voor een tijdperk en een tijdgeest, Noel Coward, ergens.

En het werkt - nu misschien nog wel sterker dan een eeuw geleden, in elk geval minder vermengd met sentimentele herkenning of bezoedelende bevestiging. Dat is wat er overblijft van een pak De Maupassant-verhalen: een zomers gevoel van levenslust, een toon van aanstekelijk plezier. Hij is iemand die fluitend naar zijn werk gaat.

Michaël Zeeman

Guy de Maupassant: Op een lenteavond - Alle verhalen 1875-1881.

Vertaald uit het Frans door Hans van Cuijlenborg.

Veen; 336 pagina's; * 45,-.

ISBN 90 254 0847 8.

Guy de Maupassant: Het varken Morin - Alle verhalen 1881-1882.

Vertaald uit het Frans door Hans van Cuijlenborg.

Veen; 350 pagina's; * 44,90.

ISBN 90 254 2178 4.

Paul Morand: Vie de Guy de Maupassant, présenté par Marcel Schneider.

Pygmalion/Gérard Watelet; 252 pagina's; Ffr. 119,-.

ISBN 2 85704 549 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden