Interview Anne Teresa De Keersmaeker

Choreograaf Anne Teresa De Keersmaeker: ‘Bach weet het aardse met het goddelijke te verbinden’

Anne Teresa De Keersmaekers De zes Brandenburgse concerten, bij de muziek van Bach, wordt het danshoogtepunt van het Holland Festival. Voor de Volkskrant ontleedt ze drie basisbewegingen in het werk: wandelen, huppelen en draaien. 

Choreografe Anne Teresa de Keersmaeker Beeld Hugo Glendinning

Anne Teresa De Keersmaeker was 20, volgde een dansopleiding in New York en leerde zichzelf choreograferen op muziek van de Amerikaanse minimalist Steve Reich. De solo die de piepjonge choreograaf toen in een studio maakte, Violin Phase (1980), bleek de sleutel tot haar internationale doorbraak, twee jaar later, met Fase, Four Movements to the Music of Steve Reich (1982). Op haar kamer in New York draaide ze louter één ander muziekstuk om zich op te laden: de Brandenburgse concerten van Johann Sebastian Bach. Vooral het vijfde concert, herinnert de Vlaamse zich bijna veertig jaar later, daags na haar nieuwste Bach-voorstelling in De Singel, Antwerpen. ‘Bachs muziek begeleidt mij al vanaf het begin. Maar ik voelde dat ik toen nog niet klaar was om de complexiteit en rijkdom ervan in dans om te zetten.’ Dat durft Anne Teresa de Keersmaeker (58) inmiddels zeker wel. Met voorstellingen als Zeitung (2008), Partita 2 (2013) en Mitten wir im Leben sind / Bach6Cellosuiten (2017) dringt ze diep door in Bachs muzikale structuren. Nu waagt ze zich voor het eerst aan Bachs zes Brandenburgse concerten (1708-1721). De Keersmaeker geeft een groots choreografisch antwoord op de ingenieuze polyfonische* structuur van Bachs befaamde concertcyclus; het resultaat is niet minder dan een jubelend meesterwerk. Komende dagen is het te zien in Carré, tijdens het Holland Festival, live begeleid door het barokensemble B’Rock Orchestra onder leiding van Amandine Beyer.

Polyfonische muziek (letterlijk: veel klank) is meerstemmige muziek waarbij elke stem zelfstandig is; er is niet één melodie met begeleiding, elke stem is gelijkwaardig. Bachs genialiteit uitte zich onder meer in de manier waarop hij polyfonie (stem per stem) wist te verbinden met functionele harmonie (klanken die verticaal samen klinken). Zo gebruikte hij vaak canons of fuga’s, typische polyfone muziekvormen.

Vanaf haar eerste creatie in New York is er sprake van een magistraal verbond tussen De Keersmaekers danstalent en haar feilloze muzikale intuïtie. Of beter: haar vermogen om complexe muzikale structuren nauwgezet te analyseren en door te dringen tot de kern van een compositie. Om van daaruit een wervelende choreografie op te bouwen, helder als glas, gestructureerd zonder systematisch of slaafs te zijn. Net als grote componisten in hun partituur weet De Keersmaeker in dans ingenieus te spelen met mathematische patroonverschuivingen van op het oog simpele bewegingen: lopen, draaien, rennen, huppelen. Dit vormt de kern van haar inmiddels wereldberoemde dansoeuvre.

Zo ook in De zes Brandenburgse concerten. Zestien dansers – het grootste aantal uit haar carrière – wandelen, huppelen, draaien en galopperen in rijen, cirkels, zigzaglijnen en pentagrammen, tegen een achtergrond van 44 goudkleurige draden met ieder vier pendule-bollen (decorontwerp: Jan Versweyveld). De twaalf mannen zijn hoofdzakelijk verbonden aan de strijkers en het koper, de vier vrouwen aan de houten blaasinstrumenten. Soms staat de hele cast op toneel, soms een handvol, al naar gelang het aantal instrumenten dat aan het woord is. Samen met de muziek versnellen of vertragen ze, draaien ze achteruit, schuiven langs elkaar heen, tillen iemand boven zich uit of springen in de lucht. Uit iedere generatie van haar 35-jarige dansgezelschap Rosas doen verschillende dansers mee, van haar zielsverwant Cynthia Loemij (50) tot de jonge blonde Frank Gizycki, half zo oud. Op verzoek van V duikt de De Keersmaeker in drie basisbewegingen uit De zes Brandenburgse concerten

Het wandelen

De voorstelling begint met een frontale rij van zestien dansers, ritmisch wandelend van voor naar achter en vice versa. De stappen volgen unisono de leidende baslijn in Bachs eerste concerto, volgens het principe: één noot, één stap. Die basso continuo stut het harmonische verloop van de muziek en komt in andere concerto’s terug. De Keersmaeker: ‘Het wandelen is het vertrekpunt van een mogelijke dans. Ik kom dichtbij of ik verwijder mij. Ik kan dat snel of langzaam doen. Met stappen organiseer ik tijd en ruimte. Niet voor niets is mijn motto: ‘My walking is my dancing. Bovendien is dit de presentatie van de groep in haar meest menselijke vorm. Wandelen is een beweging die we allemaal met elkaar delen.

‘Door middel van canons maak ik mensen los uit de groep en creëer ik visuele contrapunten. Hiermee introduceer ik ook de verschillende instrumenten zoals beide hoorns, de violin piccolo, de hobo’s, enzovoort. Deze verdeling tussen solist en groep zit ook in Bachs muziek. In het tweede, vierde en vijfde concerto plaatst Bach een klein groepje solisten tegenover de rest van het orkest, het zogenoemde ripieno of tutti. Vernieuwend was dat hij het ripieno ook een solistenrol gaf in het zesde concerto.

In het langzame deel van het eerste concerto introduceer ik voor het eerst driedimensionaal dansmateriaal: ik laat de dansers zichzelf omhoog duwen en de armen spreiden. Ze maken zich lang, zetten zich af van de grond. En dan, onder invloed van het beroemde anapest-ritme (kort-kort-láng) gaat het steeds sneller en verandert ‘my walking is my dancing’ langzaam in ‘my running is my dancing’. Hiervoor gebruik ik de galop. Wij zijn tweevoeters, stappen links of rechts, een vierkwartsmaat, een-twee-drie-vier. Met galopperen ontstaat de driekwartsmaat: one-two-three, four-five-six. Dan krijg je dus veel meer mogelijkheden voor contrapunten en faseverschuivingen, om dansers in solistische passages los te maken van het thematische basismateriaal.’

Het wandelloopje van zestien Rosas-dansers in De zes Brandenburgse Concerten van Anne Teresa de Keersmaeker Beeld Anne Van Aerschot

De huppel

De Keersmaeker: ‘Huppelen is een versnelde manier van wandelen, het is de eerste stap op weg naar vliegen. Het is een verticale, vooruit-stuwende energie, waarbij je de zwaartekracht uitdaagt. Dat creëert positieve gevoelens. Iedereen wordt blij van huppelen, door de opwaartse energie. Als je daarmee speelt en het huppelen versnelt, wordt het onstuimig juichen, dan ontstaat vuur. Dat is mijn antwoord op Bachs muziek, die enorme vitaliteit en levenskracht uitstraalt.

‘Bach schreef deze concerto’s voor een orkest van zeer goede muzikanten, muzikaal en materieel beleefde hij een zorgeloze periode. Dat voel je in die muziek, het is een jubeltoon. Ondanks het feit dat hij privé in die tijd veel verlies moest incasseren. Zo overleed zijn eerste vrouw. Dat leidde in die periode ook tot de melancholische muziek van de Zes Cellosuites, voor onbegeleide cello’s. In mijn eerdere choreografie op die compositie speelt de zwaartekracht een veel grotere rol dan hier. In De zes Brandenburgse concerten heb ik nadrukkelijk een opgaande beweging gechoreografeerd. Die verbindt beneden met boven. Bach weet het aardse met het goddelijke te verbinden.’

De Keersmaeker-huppel door mannelijke Rosas-dansers in De zes Brandenburgse concerten Beeld Hugo Glendinning

De draai

‘De draai is eindeloos. Die kan altijd doorgaan, klokwijs of tegen de klok in. De draai tekent een cirkel. En de cirkel is voor mij de meest democratische én natuurlijke vorm. Democratisch omdat, wanneer iemand iets begint te doen, mensen er in een cirkel omheen gaan staan. Natuurlijk, omdat de cirkel het begin vormt van een spiraal, een basisvorm in de hele natuur. Kijk naar de dubbele helix van ons dna: twee tegenover elkaar liggende spiralen. Of de vorm van een slakkenhuis: een spiraal. Herhaal het proces van gulden sneden in rechthoeken, dan ontstaat de Fibonacci-spiraal. Die inspireert mij ook vaak tot het ontwerpen van een choreografie. Cirkels en spiralen staan voor mij symbool voor oneindigheid. Bach had een bovenmenselijke gave om patronen te zien, proporties en verhoudingen. Hij had op een intuïtieve manier notie van hoe de logica die het grote geheel ordent, dezelfde logica is die het kleine detail ordent. Hij gebruikte motieven die zich op kleinere schaal kunnen blijven herhalen, zoals zich dat ook voordoet bij meetkundige figuren. Dat kosmische aspect pas ik ook toe. Ik observeer de natuur. Ik beschouw alles als gematerialiseerde energie. Ik observeer de spiraalvormige structuren in een schelp, in planten, in de kosmos. Maar ook de beweging van dieren, hoe scholen vissen of zwermen vogels zich organiseren.

Rosas-danser Jason Respilieux draait in De zes Brandenburgse concerten van Anne Teresa de Keersmaeker Beeld Anne Van Aerschot

In een grootschalige groepschoreografie als deze moet ik ook ‘het verkeer regelen’. Dat doe ik met behulp van een pentagram dat op de vloer is getekend – onzichtbaar voor het publiek. De dansers hebben daar houvast aan. Met twee punten heb je een lijn, met drie een territorium, met vier een vierkant of rechthoek en met vijf een pentagram, het vertrekpunt van een cirkel.

Bach is een meester in het harmoniseren van tegenstellingen. Dat vind ik zijn boodschap aan onze tijd, waarin polarisatie kwalijke trekken krijgt. Natuurlijk, polarisatie heb je nodig als bron voor beweging en verandering, maar het moeten complementaire tegenstellingen zijn, die elkaar aanvullen. Heeft iemand ooit het kosmische zo kunnen belichamen als Bach? Onze relatie tot de natuur is dramatisch. In deze verontrustende tijden van klimaatverandering is het zoeken naar harmonie met planten en dieren cruciaal.’

De zes Brandenburgse concerten door Rosas en B’Rock Orchestra. Choreografie: Anne Teresa de Keersmaeker. Muzikale leiding: Amandine Beyer. 6, 7 en 8 juni, Koninklijk Theater Carré, Amsterdam

De hond in De zes Brandenburgse Concerten van Anne Teresa de Keersmaeker Beeld Hugo Glendinning

Verrassingen in De zes Brandenburgse concerten

Wat doet het Floss-dansje uit de game Fortnite in het slotdeel van het eerste Concerto? Het is De Keersmaekers speelse variant op populaire hofdansen uit Bachs tijd, waarmee dit aristocratische jachtconcert werd afgesloten. Bachs muziek bestaat vaak uit een opeenvolging van barokdansen, zoals allemandes, sarabandes en menuetten. De adel kon zo op een deftige manier bijvoorbeeld de goede afloop van de jacht vieren, met dans, zoals de courante, het menuet, de gigue en de gavotte. De Keersmaeker: ‘In alle composities van Bach zit beweging en dans. Zelfs in zijn religieuze muziek. Ook in de Matteüspassie zitten menuetten.’ En welk dansje kies je drie eeuwen later, als je naar een populaire beweging wilt verwijzen? Precies: flossing.

Let op de kleuren van het shirt dat de ‘boodschapper’ draagt, een jongen die met bordjes de toonsoort van de concerten aankondigt (F-groot, G-groot, D-groot). Zijn shirtkleuren volgen de kosmische, energetische evolutie van de chakra-kleuren.

Wat doet die hond tussen de dansers, tijdens het eerste Concerto? Hij blaft mee met twee schallende jachthoorns. De Keersmaeker hint hiermee naar de opdrachtgever van het muziekstuk, een 35-jarige prins en fervent jager. Bachs cantate werd waarschijnlijk uitgevoerd als feestelijke afsluiting van een jacht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden