Charlotte van Pallandt legde kracht in driftige portretten

Achtennegentig jaar is Charlotte Dorothée baronesse van Pallandt geworden. De Nederlandse 'koningin van de beeldhouwkunst' overleed woensdag in een verzorgingstehuis in Noordwijk....

LUCETTE TER BORG

BEELDHOUWERS zijn sterk, ze moeten wel sterk zijn om in blokken steen te hakken, in hout te snijden en logge hompen klei te boetseren. Ook Charlotte van Pallandt was sterk, ijzersterk. Ze versleepte blokken graniet, hakte er portretten uit, beeldhouwde figuren en portretten in gips en steen, meer dan veertig jaar lang.

Toch, op een foto vier jaar geleden genomen in haar atelier in Noordwijk, staat ze alsof ze ieder ogenblik weg kan waaien. De spierkracht lijkt gevlucht uit dit broze lichaam, maar niet haar geestkracht. Dat bewijst die verklauwde rechterhand naast dat onvoltooide beeld. Dat bewijzen ook die verbeten blik en strakke lippen.

Haar laatste tentoonstelling hield ze in 1995, in Museum Beelden aan Zee, in Scheveningen. Ze wilde eigenlijk niet meer exposeren. Want, zei ze: 'Ik heb geen nieuwe dingen meer, en je kunt niet altijd met oud werk komen aanzetten.'

Haar werk is te zien geweest op in totaal 110 tentoonstellingen (onder meer op de Biennale van Venetië in 1958), en is vertegenwoordigd in talloze openbare en particuliere collecties. Van Pallandts dood bezegelt het einde van een generatie van Nederlandse kunstenaars die het realisme trouw bleven, zoals Mari Andriessen, Jeanne Bieruma-Oosting en Kees Verwey.

Charlotte van Pallandt werd in 1898 in Arnhem geboren, in hetzelfde jaar dat koningin Wilhelmina de troon besteeg. Ze was van aristocratische afkomst. Al vroeg blijkt de jonge Charlotte aanleg voor tekenen en schilderen te hebben, maar zoals het betaamt in die kringen, kan er van een carrière als kunstenaar geen sprake zijn, zeker niet als vrouw. Van Pallandt trouwt met een diplomaat en verhuist naar Zwitserland. Na viereneenhalf jaar is ze, naar eigen zeggen, het huwelijkse leven, de diplomatenfeestjes en -etentjes zat. Ze stapt in Bern op de trein naar Montreux en gooit haar trouwring het raam uit. Het is een even onherroepelijke als duidelijke keuze voor zichzelf en het kunstenaarsschap.

Van Pallandt gaat in 1926 in Parijs wonen, waar ze eerst tekenles neemt van de semi-constructivistische kunstenaar André Lothe. Zijn strenge regels over het gebruik van kleuren storen haar uiteindelijk, en ze verlaat zijn studio, om afwisselend in Nederland en in Frankrijk met beeldhouwen te experimenteren. Tot de Tweede Wereldoorlog leeft ze vooral in Parijs.

In Parijs werkt ze geïsoleerd. Ze mengt zich niet in flamboyante kunstenaarskringen rond Dali, Picasso of Miro en houdt zich afzijdig van discussies over het avantgardisme. 'Parijs is voor mij de enige stad in de wereld,' zegt ze in 1960, terugkijkend. 'Je behoort er tot de verloren massa. Gezelligheid en comfort zijn grote vijanden van creativiteit.'

Haar eerste serieuze pogingen om te beeldhouwen doet ze in 1929 en 1930. Het resultaat is een gipsen torso van een jong meisje. Het is een nagenoeg perfect, classicistisch beeld, dat duidelijk haar inspiratiebron verraadt: het werk van de Franse beeldhouwer Maillol. Zijn gestileerde vrouwelijke figuren - allegorische verbeeldingen van vruchtbaarheid, voluptueuze moeders-met-kind en gracieuze faunen - zullen haar levenslange bewondering afdwingen.

Terug in Nederland richt ze zich helemaal op het beeldhouwen. Ze maakt naturalistische portretten in brons, marmer en terracotta, waarvan de huid glad aanvoelt als zilver, maar ook contructivistische portretten en gestileerde naakten, een beetje in de trant van Henry Moore. Ook experimenteert ze met het ruwe van gips en klei.

Portretten als die van Ems Wenckebach, haar goede vriend Kees Verwey, haar lievelingsmodel Truus Trompert en de schrijver Adriaan Roland Holst lijken bij onnauwkeurige beschouwing wankele, klontgewijs opgebouwde constructies. Overal zijn de vinger- en handafdrukken van Van Pallandt te lezen - driftig prikkend als het moet, soms ook fel knijpend, dan weer liefdevol strelend. Deze bustes vormen bij nadere beschouwing de meest persoonlijke portretten die Van Pallandt maakte. Portretten waarvan Roland Holst bijvoorbeeld zei: 'Ik mag hopen dat ik er ooit op ga lijken'.

De meeste roem heeft Van Pallandt vergaard met haar kolossale, licht wegzuigende beeld van koningin Wilhelmina. In 1966 krijgt ze de opdracht om een beeld van de koningin-moeder te maken voor de stad Rotterdam. De beeldhouwer Mari Andriessen brengt het werk op gang met een foto van Wilhelmina. Die geeft Van Pallandt de ingeving om Wilhelmina van onderaf, in driehoeksvorm te verbeelden.

Van Pallandt maakt een licht achterover hellend, drie meter hoog beeld van de koningin-moeder, met nauwelijk details in het gezicht maar des te meer aandacht voor plasticiteit en volume.

Van Pallandt heeft ongetwijfeld onder invloed van het soefisme - de mystieke, pantheïstische stroming waar zij zich in 1941 tot 'bekeerde' - haar eigen werk en leven altijd gerelativeerd. 'Verder prutsen tot het bitterde eind', noemde ze het beeldhouwen. De barones is bijna honderd jaar oud geworden en laat een consistent figuratief oeuvre na. Als ze er een leven bij had kunnen wensen, zoals ze een keer opperde, zou ze een heel andere richting in de kunst zijn ingeslagen. 'Dan zou ik hoe langer hoe abstracter zijn geworden. Maar ik heb mijn leven nu eenmaal op deze manier opgebouwd, dat verander je niet meer. Het leven is veel te kort voor een beeldhouwer. Veel te kort. Voor je het weet ga je alweer dood.'

Lucette ter Borg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden