Boeken

Cees Nooteboom kijkt met bezielde blik naar een eeuwenoud Japans klooster ★★★★☆

Cees Nooteboom breidt zijn Japanse oeuvre uit met een prachtig essay over een wonderlijk klooster. Zijn aandachtige blik wekt de dingen tot leven.

Cees Nooteboom Beeld HH / EPA
Cees NooteboomBeeld HH / EPA

Lang en aandachtig naar iets kijken gaat beter wanneer het onderwerp van je aandacht niet terugkijkt. Kunstwerken kijken niet terug, figuren van verf en marmer staren langs je heen, steden en landschappen hebben genoeg aan zichzelf. Dit zijn de onderwerpen waarover Cees Nooteboom (1933) het liefst schrijft. Al een leven lang reist hij de wereld over: ‘Het geheime doel van alle reizen is te verdwijnen in de omgeving en in de onzichtbaarheid, om beter te kunnen kijken.’

Steeds keerde hij terug naar Japan, naar de verstilde wereld van tempels en rituelen. De vulgariteit in de grote steden, elkaar overschreeuwende reclameschermen en woekeringen van prefab-bouwsels leerde hij te verdragen. Over deze gespleten werelden, verenigd in één land, heeft Nooteboom al veel geschreven. In zijn novelle Mokusei! is Tokio het decor en in Saigoku voert hij de lezer mee op pelgrimage langs 33 tempels. Vorig jaar verscheen een bundeling van zijn Japanse reisverhalen, ze omspannen een periode van veertig jaar.

Eeuwenoud klooster

Aan dat Japanse oeuvre voegt Nooteboom nu iets nieuws toe. Terwijl corona de wereld vergrendelde, schreef Nooteboom een essay over het eeuwenoude klooster Kozan-ji. Het ligt verscholen in de heuvels ten noorden van Kyoto, tussen torenhoge ceders en bamboebossen.

Voor een hartstochtelijk observator als Nooteboom is Japan een ideale bestemming. De mensen laten je met rust, niemand kijkt naar je. Zoiets wekt de aangename schijn dat je een van hen bent. Het mijden van oogcontact ligt in de Japanse volksaard besloten, men loopt doorgaans in grote bogen om elkaar heen. Sinds ik een jaar als artist in residence in Japan woonde, weet ik dat dit gedrag niet uit onverschilligheid of arrogantie voortkomt, integendeel, er ligt respect aan ten grondslag: Japanners willen niet bruusk in de persoonlijke ruimte van een ander treden. Wanneer de schrijver na een val met een ‘geschonden hoofd’ in de bus zit, merkt hij op dat de andere passagiers het verband om zijn hoofd volstrekt negeren. ‘Alles spant samen om mijn aanwezigheid ongedaan te maken, ik ben hier helemaal niet, mijn ogen zijn hier, ik ben mijn kijken geworden.’

En kijken kan Nooteboom. Zijn oog kijkt verder dan de exotische vreemdheid van het verre land. Zijn aandachtige blik boort naar binnen, wekt de dingen tot leven. Wanneer hij vanaf de veranda van Kozan-ji naar de tuin kijkt, is het alsof ‘de waterlelies, de donkere lage struiken, de bergen in de verte je iets willen vertellen, iets over tijd, over stilte’.

Antropomorfisme – het toeschrijven van het menselijke aan het niet-menselijke – hoort bij Nooteboom. Ook in dat opzicht komt hij thuis in Japan, waar het landschap begeesterd is. Volgens de leer van het shintoïsme, Japans oudste natuurreligie, heeft alles een ziel. Geesten huizen in bergen, bomen en rivieren. Vossen en wasberen worden als mythische dieren beschouwd. Tijdens mijn verblijf leerde ik dat Japanners de mens niet boven, maar naast die bezielde wereld plaatsen. Dat verklaart waarom jong en oud zowel de modernste technologieën omarmen (ook een robot is bezield) als deze oeroude natuurreligie in ere houden.

De eerste animaties

Kozan-ji biedt meer dan de weemoedig stemmende tuin. In de tempel stuit Nooteboom op de Choju-jinbutsu-giga (vogel-dier-mens-karikaturen). Het zijn vier beroemde rolprenten, elk elf meter lang, dertig centimeter hoog. Dit zijn de allereerste Japanse animaties, de oorsprong van manga. De kwetsbare originelen worden bewaard in nationale musea, hier zijn reproducties te zien, op de plek waar ze achthonderd jaar geleden werden geschilderd. In een horizontale stroom van aaneengeschakelde taferelen wordt een beeldverhaal verteld. Er komt geen mens in voor, het zijn dieren die mensendingen doen. Waar dierenfabels van Aesopus en De la Fontaine de mens een moraal oplegden, bevrijden deze Japanse dieren de mens juist van regels en voorschriften.

Wie de schilderingen maakte, is onduidelijk, vermoedelijk de monniken van Kozan-ji. In de taferelen zie ik subtiele erotiek; hazen en vossen wassen elkaars rug, konijnen en apen rennen dwaas achter elkaar aan, richten hun pijlen op elkaar en zwemmen naakt in de rivier. Met fijne penseelstreken kreeg elk dier een eigen mimiek en karakter. Norse padden, schaterlachende kikkers. In de laatste meters van het beeldverhaal bedekken de dieren hun naaktheid met bladeren, en spelen – als kinderen met een theeservies – de tempelrituelen na. Alsof ze willen uitdragen dat zij ook zonder orde en tucht hun geloof belijden. Hanteerden de monniken deze indirecte tactiek – het individu als dier vermommen – om ongestraft een strenge opperpriester te kunnen bespotten en anoniem uiting te geven aan onderdrukte verlangens?

Fotograaf Simone Sassen maakte fraaie kleurenfoto’s van de tempel en tuinen. Ook is een van de vier rolprenten in dit boek opgenomen. Om het beeldverhaal in de juiste volgorde te bekijken, moet je de Aziatische leesrichting aan houden: op de laatste pagina beginnen en dan terugbladeren. Samen met Nootebooms bezielde beschrijvingen van Kozan-ji krijgt de lezer een prachtig beeld van een wonderlijk klooster; de ernst van de tempel die de juist zo lichte, spottende rolprenten herbergt. Het is, in de woorden van Nooteboom, de ‘volmaakte verzoening van tegenstellingen’.

null Beeld Koppernik
Beeld Koppernik

Cees Nooteboom: Over het Japanse klooster Kozan-ji en de beroemde dierentekeningen. Koppernik; 88 pagina’s; € 19,50.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden