Cartografie van het verzamelen

Napoleon hield niet van kunst. Zijn belangstelling voor schilderijen of beelden was niet van esthetische aard. De keizer liep weliswaar geregeld door de kunstgalerijen van het Parijse Louvre, altijd met de tred van de veroveraar alsof hij aan het hoofd van zijn troepen naar het slagveld marcheerde, maar hij placht er rond te lopen zonder ook maar één keer ergens stil te houden. Napoleon keek niet naar kunstwerken, hij werd alleen maar verteerd, zei de criticus Quatremère de Quincy, 'door een reikhalzende begeerte naar het beste wat elk land te bieden had'.

Kunstinstellingen als het Getty Museum in Los Angeles, het New Yorkse Metropolitan of de National Gallery in Londen speuren nog steeds naar 'het beste dat ze maar kunnen vinden', ook in Vlaanderen. Jarenlang was het Vlaamse kunstpatrimonium 'vogelvrij'; belangrijke topstukken als De intrede van Christus in Brussel van James Ensor, een triptiek van de meester van Flémalle (de leermeester van Rogier Van der Weyden), en vier schilderijen van Joachim Beuckelaer konden afgelopen jaren probleemloos naar het buitenland verhuizen: Ensor naar het Getty, het Merode-triptiek van de meester van Flémalle naar het Metropolitan en de Beuckelaers naar Londen. In maart van dit jaar trok een vrolijke stoet gemaskerde Ensoriaanse fantasiefiguren uit de Intrede, met voorop een bisschop en een politieke slapjanus, met vissersvrouwen, rechters en gendarmes, en een schetterende fanfare, door de straten van Brussel. Die optocht herinnerde eraan hoe jammer het is dat Vlaanderen, door een gebrek aan beschermende maatregelen en politieke wil of interesse, dit kunstwerk zomaar naar Amerika kon laten vertrekken.

Verzamelingen zijn de som van zulke verkopen, van strooptochten en confiscaties, systematische roof en louche handelspraktijken, pronkzucht en grootspraak, maar ook van liefhebberij en smaak, etiquette, eruditie en devotie. Kunstvoorwerpen kennen een grillig en soms duister leven met veel lotswisselingen. Beelden en schilderijen hebben – net als wij – een biografie, een provenance, een soort cartografie van hun levensloop en van de plekken waar ze vandaan komen, waar ze gemaakt werden, gekocht of geroofd, bewonderd of verguisd. Hun leven is niet alleen een verhaal over verf en schilderslinnen, over vormen en kleuren, over marmer of brons, maar ook een geschiedenis van oorlog, revolutie, plunderingen en godsdiensttwisten, van graaiende vorsten en omhooggevallen courtisanes, van gepassioneerde verzamelaars of kunsthistorici die die kunstwerken verwierven en bestudeerden.

Van veel schilderijen en beelden die we nu in musea bewonderen wordt zelden het levensverhaal verteld, het relaas van het genot dat verzamelaars en connaisseurs eraan beleefden, van de reizen die kunstwerken maakten van het atelier naar kerken of paleizen, van de veiling naar musea of de privé-vertrekken van een of ander rijke koper, of van het kerkaltaar naar het stoffige museumdepot.

Want verzamelingen komen tot stand door erfenissen, schenkingen en legaten, door ruil en afstoten, door de folie van eigenzinnige en excentrieke collectioneurs of door andere soms historische toevalligheden. Het verhaal van een kunstwerk -neem nu het Lam Gods-retabel in Gent, waarvan ooit vier panelen door de Fransen waren meegenomen en later teruggegeven en waarvan nog steeds geen spoor is gevonden van het in de vorige eeuw gestolen paneel van de Rechtvaardige Rechters – zo'n levensloop van een schilderij is een spannende roman, een detective met grote historische lijnen, maar ook met minder bekende en allerlei verborgen zijpaadjes, pikante en soms bizarre wetenswaardigheden over opdrachtgevers en hun vijanden, een verhaal over politiek, smaak en kennis, hofcultuur en volksvermaak, over schilders, gilden, academies én musea.

Soms zie je wel eens prenten of schilderijen waarop een en ander uit de doeken wordt gedaan, zoals nu in Ensor tot Bosch – Naar een 'vlaamsekunstcollectie', een tentoonstelling over de geschiedenis van de totstandkoming van de verzamelingen van het Antwerpse Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, het Museum voor Schone Kunsten Gent en het Groeningemuseum in Brugge. In Bozar, het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten, dat zelf geen collectie beheert maar deze zomer stukken uit voornoemde musea exposeert, hangt op Ensor tot Bosch een prent van Jean Joseph Verellen uit het bezit van het Amsterdamse Rijksmuseum. Zegepraal der wapenen toont op een allegorische manier de gebeurtenissen rond de teruggave van de schilderijen die de Franse rondtrekkende legers uit Vlaamse musea hadden geroofd. Rechts onderaan zit Verellen te tekenen met zijn leermeester Willem-Jacob Herreyns; door de Sint-Jorispoort rijdt een koets, beladen met schilderijen, Antwerpen binnen. In een tent, links op het tafereel, wordt de treurende maagd van Antwerpen getroost door de muze van de Schone Kunsten die haar het heuglijke nieuws van de terugkeer van de gestolen kunstwerken na Napoleons nederlaag vertelt.

Op een heel andere prent op de expositie, een tekening van Benjamin Zix uit het Parijse Musée du Louvre, zien we het huwelijk van Napoleon met zijn tweede vrouw Marie-Louise. Ze lopen hand in hand door de Grande Galerie, die toen nog vol geroofde kunstwerken hing. Rechts zien we De bewening van Christus van Antoon van Dyck (het schilderij hangt nu in Brussel op de expositie), een van de vele door kunstcommissarissen geconfisqueerde werken.

In de bewogen tijd van de bezetting, al sedert hun overwinning te Fleurus in 1794, roofden de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden tientallen topwerken uit kerken en kloosters, academies en musea, maar ook uit privé-verzamelingen. Die oorlogsbuit bleef gedurende ruim twintig jaar in de galerijen van het Louvre, tot de triomfantelijke terugkeer van de kunstschatten naar Vlaanderen in december 1815. Overal werd de teruggave geestdriftig gevierd, ook in Brugge, 'met veel prael, onder het geluyd der triomph-klokke en het spelen van den beyaerd', schreef de Nieuwe Gazette van Brugge, maar niet alle schilderijen en beelden keerden naar hun oorspronkelijke eigenaars terug. Zo goed als geen Europese verzameling bleef na Waterloo geheel intact.

Ensor tot Bosch reconstrueert, aan de hand van een keuze uit de collecties uit Gent, Brugge en Antwerpen, niet alleen de herkomst van de schilderijen en beelden maar ook de geschiedenis van de verandering in smaak, appreciatie en distinctie: van zaal op zaal de historie van de eerste erkenning van de kunstenaar als kunstenaar en niet langer als een goed ambachtsman uit een of ander gilde, van de kunstkabinetten met hun rariteitenverzamelingen, van het ontstaan van tekenscholen en academies, van de verspreiding van kunst in de 17de eeuw toen voor het eerst door godsdiensttwisten sprake was van kunstroof op grote schaal, van de eerste musea en de veranderingen in de staatsbemoeienis met kunst, van de aangroei van de verzamelingen en de 'vlaamsekunstcollectie' tot het bevorderen van kunsthistorisch en wetenschappelijk onderzoek.

Al in de tijd van de Vlaamse primitieven, in de 15de eeuw, ontstond in Brugge een florissante kunsthandel, met jaarmarkten en aanbiedingen, een markt gericht op goedkope massaproductie. Ook burgers gingen kunstvoorwerpen verzamelen. Het schilderijenkabinet, waarvan de muren van het parket tot het plafond volhingen met portretten, landschappen en vanitastaferelen, was een populair schildersthema. Kunst was niet langer een vorstelijke of kerkelijke aangelegenheid. Uit Gentse boedelbeschrijvingen blijkt dat er in die stad in de 17de eeuw al een duizendtal liefhebbers der scilderyen waren en 'kwantitatief historisch onderzoek' toonde aan dat rond 1720 bijna 90 procent van de gezinnen een of meer schilderijen in huis had.

Veel musea hebben grote delen van hun verzamelingen te danken aan private kunstkringen of plichtsbewuste, patriottische, soms ook frivole kunstverzamelaars zoals Fernand Scribe in Gent, Florent van Ertborn in Antwerpen of Charles van Lede in Brugge. En toch is elke collectie hoe dan ook een geschiedenis van gemiste kansen; kunst wordt verkocht, geroofd en soms ook vernield, of komt in een museum terecht waar die kunst helemaal niet thuishoort. Dan kun je toch beter afstoten of ruilen?Na 'de grote kunstroof' van de 17de eeuw, toen de kloof tussen godsdiensthervormers en contrareformanten in heel Europa een ware aardverschuiving in de kunst aanrichtte, deden kunsthandelaren goede zaken – het zijn de voorlopers van Christie's en Sotheby's. Sindsdien werden kunstschatten ook als wettige oorlogsbuit beschouwd. Wat in die eeuw gebeurde, heeft zich later tijdens de Franse Revolutie en de napoleontische oorlogen herhaald, en nog veel later tijdens 'de grootste kunstroof aller tijden', de Sonderauftrag Linz. De Duitse kunsthistorici Hans Posse en Hermann Voss kregen opdracht in de door de nazi's bezette landen kunst te roven voor het in Germania, de toekomstige hoofdstad van het Duizendjarige Rijk, op te richten Führermuseum. Nu, zestig jaar na de oorlog, worden nog steeds verloren gewaande kunstwerken teruggevonden en speuren kunsthistorici tevergeefs naar duizenden verdwenen kunstschatten. De terugkeer van het Gentse Lam Gods-retabel, als een van de eerste topstukken kort na de Duitse capitulatie, deed denken aan de teruggave van de Vlaamse meesterwerken na Napoleons nederlaag in Waterloo. Net als toen werd niet alles teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren en werd veel kunst 'ter compensatie' door geallieerden 'gerecupereerd' als oorlogsbuit.

Ensor tot Bosch is geen uitstalling van topwerken – de titel zet de bezoeker enigszins op het verkeerde been – maar veeleer een cultuurhistorische tentoonstelling die de ontstaansgeschiedenis schetst van de 'vlaamsekunstcollectie'. Die verzamelingen vullen elkaar perfect aan, elk met hun eigen klemtoon: Brugge heeft veel 15de-en vroeg-16de-eeuwse kunst (op de tentoonstelling kun je Hiëronymus Bosch' Het Laatste Oordeel zien, een schenking in 1907 aan het Groeningemuseum), Antwerpen is de bakermat van de school van Peter Paul Rubens (er hangt in Brussel een Theresia-tafereel van hem dat in 1815 is 'gerecupereerd') en Gent heeft vooral 19de-eeuwse kunst in bezit (zoals Théodore Géricaults beroemde kleptomaan, geschonken door de Vrienden van het Museum in 1908). Sinds eind 2001 zijn die musea intensiever gaan samenwerken; stap voor stap worden hun collecties in een 'beeldenbank' ontsloten en gedigitaliseerd.

Vlaanderen brengt zijn kunstbezit in kaart, en verdiept zich meer en meer in de grillige biografieën en de herkomst van al die kunstwerken. De Vlaamse Gemeenschap verwierf dit jaar een belangrijke tekening van Ensor, Christus aan het volk getoond, die nu als een trofee van de minister van Cultuur op de tentoonstelling is te zien. De Vlaamse regering heeft voortaan ook een decreet dat kunstwerken beschermt, het topstukkendecreet. Die wet heeft de verhuizing van de vier Beuckelaers evenwel niet kunnen verhinderen. Bijna vijf jaar geleden belette Jan Hoet met een mosselfeest, Red de mosselpot, dat de eigenaar van die pot, een sleutelwerk van Marcel Broodthaers, hem in het buitenland te gelde zou kunnen maken. Misschien moet Vlaanderen in de komende jaren nog veel meer van die museale carnavalsoptochten à la Ensors Intrede van Christus in Brussel organiseren, met voorop dan een of ander strijdvaardig museumdirecteur op een ezel als de reddende Jezus.

Ensor tot Bosch - Naar een 'vlaamsekunstcollectie'. Bozar, Brussel. Tot 11 september. Catalogus: ¿ 25,-. www.bozar.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden