Carnaval van verhalen over kunst en publiek

Beeld rechtenvrij / CREDIT: Anja van Wijgerden

'Alles is voor niets geweest, ik ben een kitschfiguur met al mijn ambities. Ronduit mislukt.'

Sebastiaan Welsend, spil in de nieuwe roman van Allard Schröder, hoort het aan. Het is zijn jeugdvriendinnetje Henri die hem dit toeblaft, als ze, inmiddels jong bejaard, op de toetsen van haar piano ramt. Geflopt als pianiste, neemt zij het hem kwalijk dat hij haar nog steeds bewondert terwijl zij in het pijnlijke besef verkeert dat haar talent begrensd is. Nooit zal zij uitzonderlijk genoeg zijn voor het kunstenaarschap. De angel in Sebastiaans neus is middelmatigheid.

De middenmoter had eerder een prominente plek in het werk van Schröder. Grover (1999), De hydrograaf (2002), Favonius (2005), al deze titels wijzen naar vriendelijke burgermannen wier grootste misdaad hun krachteloze fantasie is.

Flinke gok

Sebastiaan Welsend wordt geboren in het jaar na de bevrijding. Op school raakt hij bevriend met een meisje dat zich Henri laat noemen. Ze lezen samen boek na boek en bezoeken in het dorp de clandestiene bibliotheek van de gebochelde meneer Perelman. Aan het einde van de puberteit verliezen de twee elkaar uit het oog. Sebastiaan huwt een vrouw, type dragonder, krijgt een zoon met haar, maar laat zich vervolgens van haar scheiden. In alle rust wijdt hij zich daarna aan zijn werk op de bank. Als hij vlak voor zijn pensionering zijn baan verliest, steekt hij na jaren een sigaretje op. Het roken werkt als de madeleine gedoopt in bloesemthee. Het brengt herinneringen aan Henri op gang en daarmee het verlangen haar weer te zien.

In zijn poging haar op te sporen stuit Sebastiaan, die geschapen is met een flinke gok, op tal van praatjes, roddels en verhalen. Sterker, de halve Europese literatuur weerklinkt in Sebastiaans neus. De vergelijking met Cyrano ligt voor het grijpen, maar gaat niet helemaal op. Spannender is de overeenkomst met Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo waarin de hoofdpersoon het roken juist wil afzweren. Ook sporen van Thomas Manns Toverberg, Shakespeares Othello, de mythe van Saturnus, de legende van Sint-Christoffel en talloze sprookjes laten zich zien, van Repelsteeltje tot Sneeuwwitje. Schröder presenteert zo een carnaval van verhalen, verhalen vermomd als andere verhalen, maar die we desondanks feilloos herkennen doordat ze zich genesteld hebben in ons collectieve geheugen. Moeiteloos raakt Schröder zo bij zijn bewering dat 'verbeelding werkelijkheid schept'.

Mooie thematiek

In brede zin gaat Sebastiaans neus over de relatie tussen publiek en kunst. In engere zin over die tussen toeschouwer, Sebastiaan en kunstenaar, Henri.

Mooie thematiek, daarop valt niks af te dingen. Maar hoe zit dat met die typisch Schröderiaanse vertelwijze vol schuimende zinnen waarin niet ieder woord onontbeerlijk is. De 'fluwelen duisternis' en de 'peinzende sneeuwvlokken' zijn tot daaraan toe, en ronduit treffend is de vergelijking waarin wenkbrauwen worden voorgesteld als rupsen. Maar zodra je leest dat mensen niet te veel willen eten omdat 'zij hun gewicht niet in de waagschaal willen stellen', krijg je de indruk dat aan Schröder een niet al te groot cabaretier verloren is gegaan. Het is een manier van schrijven die past bij de burgerlijke wellevendheid van Schröders personages, maar toch, een lezer moet wel iets overwinnen.

Dat zulks dit keer zonder al te veel moeite gaat, komt door dat doolhof van verhalen waarin Schröder ons enthousiast rondleidt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden