Carmens geklepper door Sevilla

Van een Italiaanse fontein tot de metro in New York; de wereld wordt gebruikt als decor van de kunsten. Deel 5 van een serie: Carmens Sevilla....

Carmen. Beroep: sigarenmaakster. Achternaam: onbekend. De Franse schrijver Prosper Mérimée noteerde anno 1845 haar signalement. Ze verdient bij met smokkel en andere ‘zigeunerzaakjes’. Ze is ‘klein, jong en welgeschapen’, luidt het in zijn novelle Carmen. Ze heeft grote schuine ogen, en prachtig gevormd. Lippen: fijn getekend. Ze is ‘een vreemde, wilde schoonheid’, aldus Mérimée. Nou ja, dat valt mee. Als je haar in Sevilla tegenkomt, dan zie je een weinig opvallende gestalte in brons. Haar effen snoet houdt het verkeer in de gaten dat voortraast over de Paseo Colón.

Veel knetterend gebrommerte. Achter haar is het stiller. Daar ligt een tot museale properheid vervallen handelskade, waar ooit Columbus afzeilde over de Guadalquivir. Carmens linkerhand ligt op haar heup. Met haar rechter tilt ze haar lange rok een eindje op, klaar om over te steken als het voetgangerslicht op groen gaat. Maar heupwiegen ‘als een veulen uit de stoeterij van Cordoba’, zoals de struikrover en voormalige politieman Don José haar zag, volgens Prosper Mérimée – dat zie je deze Carmen niet direct doen.

Ze staat er ook maar sinds 1973. Kuis gebeeldhouwd in de nadagen van het regime-Franco. Tamelijk laat, voor een dondersteen die als symbool van de vrijgevochtenheid al in 1873 een overstap maakte van de literatuur naar de populairste opera aller tijden. Waarna ze zich ook in de cinema, het ballet en de musical presenteerde – doorgaans in luchtig geplooid textiel en niet zelden paffend aan een stevige peuk. Volgens haar bewonderaar Nietzsche was ze ‘de liefde zelf, teruggezet in de natuur’.

Spanje heeft van oudsher weinig met Carmen en met Mérimée, die haar verzon. Laat staan met Georges Bizet, die haar op muziek zette. Die dacht dat de Cubaanse habanera een typisch Spaanse dans was, en gaf Carmens herkenningsmelodie een Caribische shuffle en Parijse timbres. Een dwaling van dezelfde orde als die van Mérimée, die meende dat gazpacho een salade was.

Maar Spanje is zelf ook niet helemaal meer wat het geweest is, nu die koude tomatensoep in elke supermercado in literpakken te koop staat. Zo worden Carmen en haar opera-castagnetgeklepper ook makkelijker aanvaard. Wat Hans Brinker is voor Madurodam, dat is Carmen voor Sevilla: een buitenlandse vergissing, maar gunstig voor het vreemdelingenverkeer, en van de weeromstuit klaar om op te gaan in de nationale canon.

In Bizets Carmen komt de dood met kopergeschetter. Het is het vrolijke retteketet van een dubbelzinnige slotakte, waar iedereen zich verzamelt in en rond de arena van Sevilla. Carmens jongste vlam, de stierenvechter Escamillo bekroont er zijn zelfingenomenheid met het om zeep helpen van een toro, terwijl Carmen bij de poort van kant wordt gemaakt door haar vorige vlam Don José. Opéra comique met fatale afloop.

Dat de crime passionel zich tijdens een corrida afspeelt, was een geniale ingeving van Bizets librettisten. Die overigens, net zomin als de componist, geen voet in Spanje hebben gezet. Maar die Plaza de Toros staat er wel degelijk, in wit en oker, oud en voornaam, aan de overkant van de Paseo Colón.

Opvallend: de geoefende Andalusiëreiziger Mérimée heeft die locatie glad genegeerd. In zijn verhaal komt de stierenvechterij maar zijdelings ter sprake: een nederige picador en Carmenvriend krijgt in Cordoba zowel een paard als een stier over zich heen – tot blijdschap van José. Mérimées Carmen krijgt de doodsteek bij een ruzie in de bergen.

Waar het spelletje tussen de sigarenmaakster en de oetlul begon, valt te zien bij de Sevillaanse Fabrica Real de Tabacos. Monument van een roofeconomie. Koloniale waar ging er hup van de boot naar het inwendige van een koninklijk gemonopoliseerde kolos. Duizenden werkneemsters, wegens hun spitse vingertjes geschikter geacht dan mannen, rolden er sigaren, ontwikkelden financiële (dus ook relationele) onafhankelijkheid, en beleefden onderlinge vechtpartijtjes. Links staat het cellenblok waar men mocht afkoelen.

Verkademeisjes avant Verkade, zij het dat de Zaanse zusters minder fantasieën hebben losgemaakt bij vreemdelingen. Een Franse schrijver, Pierre Louÿs, dacht dat de cigarreras in hun nakie werkten vanwege de hitte. Nu is het een universiteitsbehuizing, waar de Carmens en Josés rondlopen in de gedaante van rechtenstudenten. Buiten staan hun scooters en crossmotoren.

Het damesvechtpartijtje dat Carmen in de armen drijft van de Don die haar komt arresteren – José raakt in de problemen omdat hij haar laat gaan, begoocheld door een sensuele belofte – leidt in Mérimées novelle tot niet eenvoudig te toonzetten, door Bizet helaas vrijwel overgeslagen scènes van vrouwelijke generositeit, diep in de binnenstad in een pandje in de Lampjessteeg (Don José: ‘Je verveelt je geen moment met die griet’).

Maar toch: het is Carmen contra de conventie. Sinds haar geklepper is er zeker wat gebeurd in Spanje: een plakkaat aan de arena van Sevilla kondigt een corrida aan met in de hoofdrol de vrouwelijke stierenvechter Sandra Moscoso.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden