Cannes zet de trend

Het begon in 1939, als antwoord op het 'fascistische' festival van Venetië. In het revolutiejaar 1968 zou alles anders worden, maar het festival herrees, groeide en groeide, en verkeert in blakende welstand - een circus waar sterren stralen en mythes in stand worden gehouden....

DAT HET DE ontmoeting met een Grote Liefde was, bleek niet meteen. Na een slopende treinreis stond ik op 9 mei 1968 voor het station van Cannes, tien minuten van hotel Mondial, dat me was aanbevolen omdat er wel meer Nederlanders zaten. De volgende dag zou het festival beginnen, maar daar was helemaal niets van te merken. Nergens een verwijsbordje, de portier haalde zijn schouders op bij mijn vraag 'Où est le festival?' en ik ging maar wat lopen richting de zee, want ja, je kende de verhalen van boulevard en strand waar sinds Brigitte Bardot alleen maar blote meiden rondliepen en beroemde regisseurs zich lieten invetten door nog beroemdere filmsterren, terwijl zij al even beroemde journalisten als Jan Brusse en Simon Carmiggelt te woord stonden.

Niets van te merken op de lege boulevard. Ik was al drie keer ongemerkt het festivalpaleis gepasseerd toen ik de eerste bekende tegenkwam: hé, ook toevallig, daar had je Cees Doolaard van Het Parool, die me beval hem te volgen: hij zou me wel even de weg wijzen. Dáár was het festivalpaleis, dáár had je de bioscopen waar ook wel eens wat draaide, dáár het restaurant L'Esquinade waar je je als Nederlandse journalist 's avonds diende te vervoegen en dáár café Le petit Carlton waar het, als je je stuk had doorgebeld, allemaal verder ging. 'En nu wil ik je voorlopig niet meer zien', nam Doolaard afscheid, want elke collegialiteit kent zijn grens.

Een gedenkwaardig jaar. Sharon Tate was er, een jaar voordat ze vermoord werd door de Manson-kliek, en haar man Roman Polanski, die in de jury zat met Louis Malle (altijd verkeerde zonnebril op het dak van zijn hoofd) en Monica Vitti (altijd een zonnebril op haar neus, ook in het donker). Richard Lester wandelde op straat met de Beatles, Guilietta Masina liet zich begeleiden door Danny Kaye, Orson Welles stak een sigaar op en Max Ernst stond opeens onder aan de trap met zo'n raar wijnboerenpetje. Je keek je ogen uit, en ze liepen allemaal gelijk met je de zaal in. Behalve 's avonds, want dan moest je een avondkostuum aan en dat deed je niet als journalist.

Ooit was er de eenmalige vertoning van een surprise-film (De man van marmer van Andrzej Wajda, naar later bleek), om 19.00 uur, dus verplicht Black Tie, maar voor tien francs kon je bij de ingang zo'n nekknellertje kopen en niemand keek verder wat je nog meer aan had: korte broek, sandalen, alles kon, als er maar een zwart strikje om je nek hing. Formeel en soepel tegelijk, dat was toen al Cannes.

De films van dat jaar: de opgepoetste Gejaagd door de wind, Petulia van Richard Lester, De Roden en de Witten van Miklos Janczo, Anna Karenina van Aleksander Zarkhi, Hori, ma panenko ('Het brandt mijn liefje') van Milos Forman. En Peppermint Frappé van Carlos Saura.

Bij de laatste film, zaterdagochtend 18 mei, viel de revolutie binnen. In Parijs stonden studenten en arbeiders op de barricaden, in Cannes was al een dag gestaakt en ging voortdurend voor een paar uur het licht uit, maar toen brandde het pas echt los. François Truffaut, Jean-Luc Godard en Jean-Pierre Léaud waren de voorgangers in een ritueel dat begon met een persconferentie over de politiek van cultuurminister André Malraux (die de befaamde directeur van de Parijse Cinémathèque Henri Langlois had ontslagen), maar ook over de politiek van De Gaulle in het algemeen en eigenlijk nog meer over alle vormen van burgerlijkheid. Zoals dit festival.

In 1939 was het opgericht als tegenhanger van het filmfestival van Venetië, dat geheel onder invloed van het fascisme was geraakt. Een schip vol Hollywoodgasten, onder wie Gary Cooper, Mae West en Douglas Fairbanks, was afgemeerd en op 1 september, de dag dat Hitler Polen binnenviel, werd de openingsfilm De klokkenluider van Notre Dame gedraaid. De volgende morgen werd het festival alsnog afgeblazen. Zeven jaar later volgde de herstart, officieel het eerste festival, en omdat het feest in 1948 en 1950 om diverse redenen niet doorging, is het komende festival, dat volgende week woensdag begint, precies het vijftigste.

In de jaren zestig begon de commerciële filmhandel een steeds grotere greep op het festival te krijgen, vonden de opstandelingen van 1968. Zij sloten zich aan bij de studenten en arbeiders en pleegden hun revolutie in de eigen arena: het festival van Cannes. Dat moest gestopt, en wel meteen, dus geen meter meer van Peppermint Frappé. De juryleden Malle, Polanski en Vitti verklaarden zich solidair en de Franse regisseurs Roger Vadim, Claude Lelouche en Alain Resnais trokken hun films terug, gevolgd door Milos Forman en Carlos Saura. De hele middag werd de grote zaal bezet gehouden voor een soort teach-in, waar de bril van Godards gezicht werd geslagen en Jan Blokker met cameraman Wim van der Linden alles filmde voor de VPRO.

De volgende dag was het voorbij en bleef er eenzelfde onwezenlijke stilte over als op de dag vóór het begin van het festival. Iedereen spoedde zich naar het vliegveld in Nice of door naar Ventimiglia, waar treinen thuis bereikbaar hielden via Italië en Duitsland. In Frankrijk reden geen treinen meer en de bezinepompen staakten ook al, behalve langs de Zwitserse en Duitse grens. Weer was het Parool-collega Doolaard die me een kwart achterbank tussen de bagage in zijn Volkswagen aanbood.

Er was een Nederlandse filmer die in zijn met hout beklede jeep door Cannes had gereden, met wapperende haren en net zo'n pet als kunstbroeder Max Ernst: Herman van der Horst, wiens korte film Toccata bestemd was voor een Gouden Palm. Dat was geregeld door de Nederlandse culturele attaché in Parijs Sadi de Gorter, die zichzelf speciaal daarvoor tot juryvoorzitter van de korte-filmcompetitie had gemanoeuvreerd. Op zijn hotelkamer was het al bescheiden gevierd, maar de revolutie had in één moeite door Van der Horsts bekroning weggevaagd. Het medeleven was niet algemeen, want het werk van de documentairemaker werd niet door elke criticus zo gewaardeerd als door Van der Horst zelf.

In de zinderende hitte van een kaal landschap ergens tussen Lyon en Besançon nam Doolaard, wiens Kever net de 110 kilometer haalde (tevens de kruissnelheid), gas terug toen in de verte een stip aan de kant van de weg uitgroeide tot een automobilist met panne. Een spontaan, medemenselijk optreden: die man moest geholpen. Tot we op honderd meter afstand waren en Doolaard begon te vloeken, waarna hij weer snel de vertrouwde 110 haalde. Omkijkend zag ik Herman van der Horst als Monsieur Hulot hulpeloos gebogen over zijn kapotte jeep.

Een nogal heftige eerste ontmoeting dus met een echte vlam. Voor het eerst met deftige oudere collega's in het restaurant, waar je als aankomende jongeling voorlopig aan een apart tafeltje moest zitten, de eerste doorhaalnachten in Le petit Carlton, waar filmers, distributeurs en journalisten diep in de nacht vriendschappen sloten die uitsluitend tijdens het festival golden, in deze kroeg waarvan de kale eigenaar zelf achter de kassa zat en van wie je pas na zijn dood vernam dat hij de rijkste man van Cannes was geweest, als eigenaar van tien huizenblokkken rond zijn café en beheerder van alle daar gelokaliseerde bordelen.

Het was kennelijk altijd zo geweest, je wist al snel niet anders of het hoorde zo en het zou altijd zo blijven, hoewel het sinds dat jaar toch allemaal anders werd.

De hoeren zijn weg uit Cannes, maar het festival dat dreigde onder te gaan, herrees een jaar later mét de Quinzaine des Réalisateurs, een eigen programma van de Franse regisseurs zelf dat de eerste keren boeiender was dan de officiële competitite. De Quinzaine is er nog steeds, in de kelder van het appartementencomplex Hilton Noga, waar ooit het oude festivalpaleis stond, tot het in 1983 vervangen werd door een veel groter gebouw, van binnen het ultieme filmparadijs maar om zijn buitenkant niet voor niets De Bunker genoemd.

De kracht van Cannes was, dat het sinds het aantreden van Gilles Jacob als festivaldirecteur in 1972 speciale bijprogramma's buiten de competitie bedacht. In 1978 werden die bijprogramma's verzameld tot Un Certain Regard, waarin precies die films te zien zijn waarvoor de regisseurs in 1969 hun Quinzaine hadden opgericht. Cannes kapselde alles wat succes had gewoon in. Met als enige resultaat dat sinds 1968 het festival groeide en groeide.

Eind jaren zestig waren er twee films per dag, geselecteerd naar nationaliteit en altijd gevolgd door een gemoedelijke persconferentie en een receptie. Tegenwoordig krijg je als journalist om half negen 's morgens de eerste competitiefilm voor je kiezen en moet je vaak al om acht uur aanwezig zijn om een stoel te vinden, want in plaats van driehonderd zijn er nu vierduizend journalisten. De andere film uit de competitie draait 's avonds om 20.00 uur. Daartussen zijn er twee voorstellingen van Un certain regard, een van de Semaine de la Critique en af en toe een speciale voorstelling van een bijzondere film buiten competitie, Plus de Quinzaine, ook met twee films per dag.

Dat is dan nog het officiële gedeelte, maar daarnaast is een van de avonturen van Cannes juist het snuffelen aan nieuwe films uit de hele wereld, waarvan er tien keer meer gepresenteerd worden dan in het officiële pakket. Zij worden her en der vertoond in hotelkamers, in standjes of in de bioscopen rond het festivalpaleis. In die bijzaaltjes draaien ook Nederlandse films die niet goed genoeg voor de officiële selectie waren. Heel sporadisch heeft er wel eens eentje de competitie gehaald, vijf om precies te zijn: Fanfare (1959) van Haanstra, Het mes (1961), Als twee druppels water (1963) en Mira (1971) van Rademakers en Mariken van Nieuweghen (1975) van Stelling.

Mira was formeel een Belgische inzending, maar wij Nederlanders zagen dat toch als een triomf van de Cinema Hollandais en volgden het ritme van die jaren: vertoning om 10.30 uur, persconferentie om 12.00 uur en receptie om 13.00 uur. Erg opgetogen waren de buitenlandse critici niet over Mira, zodat de persconferentie door voornamelijk Nederlanders bezocht werd, die Rademakers in het Engels vroegen naar de cinematografische situatie in Nederland en van de regisseur in het Frans de bekende antwoorden kregen.

De receptie vond plaats op het terras van het Carlton hotel. Een Franse vlag was omgekeerd opgehangen en de Nederlandse consul in Nice moest zijn hele voorraad drank aanslepen omdat de bestelde alcohol niet op tijd was aangekomen. De aangekondigde haring heeft het ook nooit gehaald, maar dat kwam meer voor, ook later, toen de traditie van de Hollandse Dag werd ingesteld. Bij deze receptie van het Nederlandse filmbedrijf verzamelden alle belastingplichtige landgenoten die hun laatste adem aan de Cote d'Azur aan het uitblazen waren zich rond iedereen die vond dat hij iets betekende in de Nederlandse film en daarom speciaal voor die gelegenheid kwam overvliegen om er even bij te horen.

De organiserende Holland Film Promotion is geprofessionaliseerd en geeft in Europees verband nu samen met enkele gelijksoortige landen (België, Griekenland) een borreltje. Goedkoper en toch voor dezelfde mensen die tot dan de drie borrels apart bezochten. Alleen zie je typen als Willem Duys niet meer en Jan Brusse is ook al dood.

Het clichébeeld van Cannes ligt al jaren vast: het festival bestaat uit eten, drinken en achter de wijven aan zitten, met daartussen door een filmpje voor het goede fatsoen. Deze mythe wordt in stand gehouden door de verslaggeving op de televisie, in Nederland beperkt tot René Mioch, die in avondkostuum langs de party's rent en met de macht van zijn camera sterren kan aanschieten die daar zijn om hun nieuwe films te promoten.

Het festival heeft zich allang verkocht aan de televisie, maar behoudt zijn vitaliteit door de pr-boys hun gang te laten gaan en intussen toch de beste films te programmeren. Weliswaar merk je dat niet op de glamourtelevisie, maar zonder die films, geselecteerd op smaak en artisticiteit, zou die hele kermis allang zijn opgeblazen. Cannes is naar buiten bijna anti-film, zoals het ook anti-publiek is. Niemand kan een kaartje kopen. Het publiek mag buiten toekijken of thuis voor de buis. Wat er in de zalen gebeurt, is voorbehouden aan genodigden en geaccrediteerden. En daar in het donker blijft het elk jaar gebeuren. Het echte Cannes is op de televisie niet zichtbaar, daar kun je in de krant over lezen en de effecten zie je later in de bioscoop terug.

Televisiesterren en presentatoren mogen op de trappen van het festivalpaleis de show stelen, binnen wint de film, in al zijn variaties. Terwijl vanuit Hollywood de studio's, in bezit van pretparkbouwers en televisieleveranciers, via hun eigen distributiekanalen en monopoliserende theaterketens formulefilms over de wereld strooien, stoot Cannes met filmkracht terug. En zet de trend. Twee van de dit jaar voor een Oscar genomineerde films, Fargo en Secrets and Lies, waren vorig jaar al prijswinnaars in Cannes, waar ook de 'schokkende', kunstzinnige Crash van Cronenberg de juryprijs kreeg, maar enkele jaren geleden net zo goed Wild at Heart van David Lynch en niet te vergeten Pulp Fiction van Tarantino een Gouden Palm wonnen. En vele klassiekers daarvoor.

Te veel hoogtepunten om op te noemen. Onvergetelijk was de eerste vertoning van Apocalypse Now, als 'Work in Progress' in 1979, toch al een sterk jaar met Die Blechtommel, Hair, Manhattan, The China Syndrome, Die dritte Generation, Siberiade en Le petit Fuge. Onvergetelijk was ook de eerste vertoning van Dood in Venetië in 1971, met een persoonlijk Mahler-exposé van Visconti, en even onvergetelijk in 1983 de artistieke kifterij van Bresson en Tarkovski, die allebei de Gouden Palm eisten 'of niets', waarna de jury hen beiden een ter plekke bedachte Grand Prix du Cinema de Création liet delen.

De bekroning van Sous le soleil de satan in 1987 was al even moedig als de juryprijs een jaar later voor Kielswoski's Gij zult niet doden. Een willekeurige rijtje: La grande bouffe, De klompenboom, Mephisto, La notte di San Lorenzo, Paris, Texas, Under the Volcano, Het Offer (op het moment dat Tarkovski met kanker in het ziekenhuis lag) en recent The Piano, Kieslowski's laatste film Rouge, en Breaking the Waves. Allemaal voor het eerst te zien geweest in Cannes.

Er is niet één Cannes. Elke uitbreiding de afgelopen vijfentwintig jaar was een aanvulling tot een volledigheid die alle aspecten van de cinema in zich bergt, van artistieke pretentie tot hoerige commercie, zuiverheid en nep tegelijk. Als je Sharon Stone bij het toilet van een hotel tegen het lijf loopt, is dat natuurlijk spannend, maar net zo spannend is het om de eerste film in te ademen van een jonge Japanse regisseur waar we over tien jaar nog veel van zullen horen, of te zien hoe een afvallige gelovige Jean-Luc Godard, de vader van de Nouvelle Vague, een taart in het gezicht duwt, twintig jaar na de revolutie.

Cannes is álles, maar alleen tijdens het festival. De dag ervoor of erna is het een slapend stadje dat niets te bieden heeft dan dodelijke verveling. Maar gedurende het festival is het thuis zijn, alsof je even op vakantie was. Als in een vertrouwde relatie met een vitale vriendin - een opslorpende relatie, zoals het een ware liefde betaamt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden