Beschouwing Calvinistische kunst

Calvinisten notoire kunsthaters? Een hardnekkig misverstand, bewijst het Dordrechts Museum

Noem kunst en calvinisme één zin en de Beeldenstorm is nooit ver weg. Toch waren Calvijn en co lang niet zo mordicus tegen schilder- en beeldhouwwerk als wel wordt gedacht, zo laat het Dordrechts Museum zien.

Ferdinand Bol, Portret van Wigbold Slicher en Elisabeth Spiegel als Paris en Venus (1656). Beeld Jorgen M. Snoep / Dordrechts Museum

In 1656 schilderde Ferdinand Bol, Rembrandt-leerling in de A-categorie, een portret van het Amsterdamse echtpaar Wigbold Slicher en Elisabeth Spiegel. Het betrof een portrait historié, een portret waarop de echtelieden figureren als mythologische wezens – Paris en Venus in dit geval. Het was een frivool tafereel. Hij, Wigbold, ging gekleed in rood fluweel en reikte haar de beruchte twistappel aan als vingerwijzing naar haar ongeëvenaarde schoonheid. Zij, Elisa, omhelsde een blozende amor en had het bovenstukje van haar jurk los gemaakt, opdat een roomblanke borst tevoorschijn piepte. Wigbold en Elisa waren gelukkig met hun evenbeelden. Ze raadden Bol aan bij een bevriend echtpaar; zijn werk hingen ze op in hun ontvangstkamer, opdat de visite er goed zicht op had. Ze waren gereformeerd. En daarom hangen ze nu op een tentoonstelling over kunst en calvinisme in Dordrecht.

Over de relatie tussen kunst en calvinisme bestaat een hardnekkig misverstand: calvinisten zouden notoire kunsthaters zijn. Het woord was hun heilig, maar afbeeldingen beschouwden ze als afgoderij; beelden en schilderijen deden ze daarom in de ban. Ter illustratie wordt vaak de Beeldenstorm erbij gehaald (1566 – had u paraat), toen het grauw de inboedels van onze kerken kort en klein zou hebben geslagen, of wordt Pieter Saenredam genoemd, schilder van zuinig gedecoreerde kerkinterieurs (wist u ook). Dat calvinistische regenten het gros van de Hollandse meesters aan hun opdrachten hielpen en derhalve ooit de halve eregalerij van het Rijksmuseum bezaten, wordt gemakshalve vaak vergeten. In het Dordrechts Museum wordt een en ander fijntjes opgeklaard.

Ary Scheffer, De hemelse en de aardse liefde (1850). Beeld Collectie Dordrechts Museum

Uitvoerig en weldoordacht

Het is een aanrader, deze ruim opgezette en weldoordachte presentatie. Haar kracht schuilt in de uitvoerigheid. Hoe de calvinisten zich nu precies tot de kunsten verhielden mag niet tot de standaardkennis worden gerekend, en hier krijgt men het slim en beeldend uitgelegd. Verder kan de presentatie bogen op een leesbare publicatie (door conservator stadsgeschiedenis Marianne Eekhout) en enkele bijzonder fraaie bruiklenen, waaronder een weergaloos pluimveestuk van d’Hondecoeter. Er is heel veel te zien. Dat Rembrandts portret van Wtenbogaert niet naar Dordrecht kwam, ach...

De locatie is niet toevallig. In de stad aan de drie rivieren had vierhonderd jaar geleden de Synode van Dordrecht plaats, in de kloveniersdoelen, onderkomen van de schutterij. Ter opfrissing van uw geheugen: de synode van Dordrecht was een internationale gereformeerde kerkvergadering, uitgeschreven door de Staten-Generaal ter beslissing van het conflict tussen de remonstranten en de contraremonstranten, hetgeen weer terugvoerde op een theologisch dispuut tussen de Leidse hoogleraren Arminius en Gomarus (inzet van het geschil was of men al dan niet diende te geloven in predestinatie). De vergadering kende 180 zittingen, die tezamen een half jaar duurden. Al na een dikke maand werd de remonstrantse delegatie naar huis gestuurd (‘Nu al?’ ‘Ja, nu al!’) en niet lang daarna werd hun bestuurlijke voorman, Van Oldenbarnevelt, onthoofd. Afgevaardigden weg, leider weg. Nu hadden de contraremonstranten het voor het zeggen in de Republiek.

Het leven aldaar veranderde er overigens niet noemenswaardig door. De gereformeerde kerk was een kerk in een staat, maar geen staatskerk, zoals de anglicaanse kerk in Engeland dat was; zij liet immer ruimte vrij voor andersdenkenden. Katholieken, die in de Republiek nog altijd een meerderheid vormden, waren bij hen hun leven zeker. Puriteins, zoals in Engeland, werden ze nooit. Wars van uiterlijke praal trouwens ook niet. Deftige eenvoud, om met historicus Johan Huizinga te spreken, typeerde hen. Hoe dachten deze deftige doch eenvoudige lui over het lot van de schone kunsten?

‘Gaven van God’

Gematigd, zo blijkt. Johannes Calvijn, om de capo dei capi erbij te halen, liet zich er bijvoorbeeld nooit negatief over uit, integendeel. ‘Beeldhouwen en schilderen’, meende hij, waren ‘gaven van God’, al dienden de afbeeldingen zich te beperken tot zaken ‘die wij met onze eigen ogen kunnen waarnemen’, alsook ‘historiestukken en uitbeeldingen van wat in de geschiedenis heeft plaatsgevonden’. Afkeurenswaardig waren ‘alle beeltenissen, afbeeldingen en andere tekenen waarmee mensen Hem in hun bijgeloof dicht bij zich dachten te brengen’. Calvijn, kortom, veroordeelde afgoderij, maar riep nimmer op tot een algeheel beeldverbod. En van een aansporing tot gewelddadig iconoclasme was van zijn kant al helemaal geen sprake.

Zulke beeldenstormen vonden in werkelijkheid ook slechts zelden plaats. Over het algemeen verliepen de gereformeerde kerkzuiveringen respectvol en zorgvuldig. Katholieke kunstobjecten, zoals altaarstukken en koorhekken, werden verplaatst naar publieke instellingen of verkocht aan partijen in het buitenland. Op hun plek kwamen protestantse parafernalia als rouwborden en grafmonumenten van rijke families. De kaalgeslagen kerk is een beeld uit de late 18de eeuw, toen Nederland een Frans buitengewest was. Zijn 17de-eeuwse tegenhanger bood een luisterrijkere aanblik.

Ook buiten de kerk leden de gereformeerden geenszins aan de kunstvrees die hun tegenwoordig vaak wordt toegedicht. Onder hun bestuur maakten de kunsten een bloei door die tot op de dag van heden zijn weerga niet kent. Van de regentenportretten van Hals tot de allegorische stukken van Flinck en Bol, we danken ze mede aan hun calvinistische initiators. En dat zijn enkel de publieke werken. Binnenshuis decoreerden calvinisten hun wanden met landschappen en genrestukken, alsook met erfstukken van overleden dierbaren. De devotiestukken van katholieke voorvaderen belandden niet bij het grofvuil. De heiligenbeeldjes van oma werden gekoesterd.

Pieter Saenredam, Het koor van de St. Bavo in Haarlem (1636). Beeld Fondation Custodia

Smaken verschillen

Verschilde de calvinistische smaak van die van de katholieke voorouders? Jawel, maar minder dan je zou denken. Calvinisten hadden een voorliefde voor profane genres als landschap en portret, al was dat een internationale trend, en keken liever naar passages uit het Oude Testament dan naar die uit het Nieuwe: welkom, Mozes en Simson, tot ziens, Barbara en Laurentius. Verder bleef veel hetzelfde. Het naakt, bijvoorbeeld, bleef een geliefd thema – al waarschuwden gereformeerde predikers voor ‘geyle beelden’ – een borst in de ontvangstkamer moest kunnen. Heiligen bleven dat evenzeer, al ondergingen sommigen een ingrijpende metamorfose. Maria Magdalena moest voortaan bijvoorbeeld door het leven als een oude vrouw. Klein bier; van een waarlijk gereformeerde kunst was geen sprake.

Het was geen verrassing. De calvinistische opdrachtgevers hadden immers te maken met schilders die niet per se de gereformeerde geloofsovertuiging aanhingen; schilders die bovendien vaak waren opgeleid door een katholieke leermeester en die in de meeste gevallen werkten voor een gevarieerde religieuze clientèle. Aan hun werk was weinig specifiek calvinistisch of contraremonstrants, zelfs niet wanneer de kunstenaar in kwestie dat openlijk wel was. De Utrechtse schilder Joachim Wtewael, bijvoorbeeld, was een gereformeerde jongen; toch schilderde hij heiligen en naakten.

De waarheid gebiedt te zeggen dat het in de Republiek heel moeilijk was een geloofsovertuiging te koppelen aan een specifieke kunstuiting. Alles liep door elkaar. De overtuigde katholiek Jan Steen zag er geen been in een kandelaar weg te moffelen wanneer zijn gereformeerde koper daarom vroeg, terwijl de gereformeerde Paulus Moreelse zonder wroeging aan de haal ging met een katholiek thema als de aanbidding der herders. Op Rembrandts Staalmeesters figureren twee katholieken, een doopsgezinde, een remonstrant en een gereformeerde (en een jood, als je de bediende meetelt). Maakt dat Rembrandt tot een katholiek? Een calvinist? Een agnost?

Joachim Wtewael, Portret van Eva Wtewael (1628). Beeld CMU / Adriaan van Dam

Jongens van den Bijbel

Interessant aan de tentoonstelling in Dordrecht is dat ze de invloed van het calvinisme doortrekt naar de jaren rond 1900. Nederland was inmiddels een monarchie, de gereformeerden waren daarin hun uitzonderingspositie kwijt, de kunsten hadden een totale metamorfose ondergaan, veel koetjes en kalfjes, weinig martelaren en kerken, en al helemaal geen wenende maagden. Jonge, uit een gereformeerd nest afkomstige kunstenaars als Vincent van Gogh en Piet Mondriaan zochten in deze tijd naar nieuwe uitingsvormen. In hoeverre deed een geloofsovertuiging als het calvinisme er voor hen toe?

Op persoonlijk vlak was die geloofsovertuiging zeker bepalend. Beiden groeiden op in een gereformeerd milieu – dat van Piet nog net even strikter dan dat van Vincent – en beiden zagen aanvankelijk toekomst in een godsvruchtig leven. Van Gogh wilde dominee worden, Mondriaan werkte in een christelijke boekhandel en ontwierp panelen voor preekgestoelten. Later zetten zij zich af tegen hun hervormde achtergrond, zonder er ooit echt helemaal los van te komen. Ze verlieten het ouderlijk huis met slaande deuren, maar bleven als het erop aankwam jongens van den Bijbel. Hun leven had iets ascetisch: Van Gogh sliep soms op een plank, Mondriaan richtte zijn atelier in als een kloostercel. Ontberingen joegen hun geen angst aan. Zij zwoeren bij de smalle weg.

Qua werk ligt het – opnieuw – gecompliceerder. Het is een allesbehalve opzienbarende bewering dat iemand als Mondriaan zijn (late) schilderijen beschouwde als een vorm van surrogaatreligie, een poging om dieper door te dringen in aardse zaken, er misschien zelfs aan te ontstijgen; maar of deze religie van calvinistische, theosofische of andere devotionele aard was, daarvan valt welbeschouwd geen chocola te maken. Ook hier: de werken onttrekken zich aan scherpe religieuze categoriseringen. Ze zijn kaal, streng en gevrijwaard van praal en opsmuk. Maar dat is een triktrakbord ook.

Werk, bid en bewonder: een nieuwe kijk op kunst & calvinisme, Dordrechts Museum, t/m 26/5.  Catalogus (127 pagina’s,) € 19,95.

 Johannes Calvijn

Johannes Calvijn (1509-1564) was een Frans-Zwitserse theoloog, predikant en kerkreformator. Hij geloofde in predestinatie en ageerde tegen de katholieke kerk, die hij beschouwde als godslasterlijk en die hij wilde ontdoen van wat hij noemde ‘Rooms bijgeloof’: mis, liturgie, eucharistie en biecht werden geschrapt; de preek kwam centraal te staan. In de Republiek was er indertijd overigens niemand die zich calvinist noemde. Men noemde zich gereformeerd, remonstrant of contraremonstrant. Calvinist was een scheldwoord, dat pas later veranderde in een geuzennaam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.