InterviewHans Sibbel

Cabaretier Lebbis is na dertig jaar ‘wel klaar met de critici’ (maar zij niet met hem)

In de aanloop naar zijn nieuwe solo laat Lebbis weten dat hij niet zit te wachten op recensies. Aan cabaretcritici Gidi Heesakkers en Joris Henquet legt hij uit waarom hij ze niet, of toch wél wil.

Hans Sibbel: ‘Ik denk steeds vaker bij kleine dingen: waarom zou ik het doen als het niet echt hoeft?’Beeld Ivo van der Bent

Het is een opvallende première-uitnodiging die het impresariaat van Lebbis, officieel Hans Sibbel (61), in december namens de cabaretier verstuurt.

‘Geachte dames en heren recensenten’, begint Lebbis. ‘Dit is een kort schrijven in verband met mijn nieuwe programma De ervaring, De bovengrens deel 2. Het zou kunnen dat u overweegt hier een recensie over te schrijven. Van mij hoeft dat niet echt. Ik ben na 30 jaar optreden wel klaar met beoordeeld worden. Ik maak wat ik mooi vind en zolang er genoeg mensen op af komen en mijn lichaam zo lekker jong blijft zal ik doorgaan denk ik.’

Recensenten zijn desondanks van harte uitgenodigd om donderdag 16 januari in De Kleine Komedie het vervolg te bekijken van de flink geprezen voorstelling waarmee hij een theaterseizoen geleden toerde. Hij stelt voor dat ze met aanhang naar het Amsterdamse theater komen, gewoon voor de leuk, en na afloop gezamenlijk iets drinken. ‘En als u iets wilt schrijven, het is een vrij land, maar er is geen behoefte van mijn kant.’

Tot zijn verbazing zitten er op de avond in kwestie toch zes recensenten in de zaal, met hun notitieboekjes in de aanslag. In de week erna publiceren de meesten ‘gewoon’ hun recensies. Die zijn behoorlijk complimenteus. Het Parool noemt Lebbis ‘de meester van de omkering’ en zijn voorstelling ‘slim, coherent, geestig en uiteindelijk zelfs ontroerend’. De Telegraaf geeft drie sterren, NRC vier ballen: ‘Als geen ander kan Lebbis hypocrisie en leugenachtigheid op de korrel nemen en onverbloemde irritaties in een overtuigende en slimme formulering gieten.’

Theaterkrant.nl is kritischer, ook op Lebbis’ uitnodiging waaruit de journalist een stukje citeert. ‘Recensies worden niet geschreven voor de artiest – ofschoon ze er soms wel degelijk hun voordeel mee kunnen doen – maar zijn een vorm van dienstverlening, bedoeld als informatiebron voor de lezer, het mogelijke publiek. En het lezerspubliek mag dus lezen dat Lebbis, in de opvatting van deze recensent, een vermakelijke, maar ook ongemakkelijk verwarrende en niet zo goed doordachte show heeft gemaakt.’

Lebbis zit er opgewekt en ontspannen bij na vijf avonden achtereen optreden in De Kleine Komedie. Morgen gaat hij drie dagen wandelen in Brabant, daarna vervolgt hij de tour van De ervaring. Tot en met mei speelt hij nog 54 shows. Waarom liet hij theatercritici weten dat hij niet langer op hun mening zit te wachten? En hoe kijkt hij terug op dertig jaar recensies?

Het idee voor zijn bericht kwam voort uit de gebruikelijke reflectie, vertelt hij. Sinds hij in 2014 herstelde van systemische sclerodermie, een levensbedreigende auto-immuunaandoening die een jaar eerder bij hem werd geconstateerd, dringt de vraag zich volgens hem nog meer op: waarom doe ik dit eigenlijk? ‘Toen ik ziek werd, wist ik meteen: ik wil zo snel mogelijk weer optreden, want dat vind ik zo gaaf. Sindsdien denk ik steeds meer bij kleine dingen en ook bij het uitnodigen van recensenten: waarom zou ik het eigenlijk doen als het niet echt hoeft?’

Beeld Ivo van der Bent

Het is niet zo dat het bij Lebbis standaard volle bak is; hij treedt op in de grote theaterzalen, maar behoort niet tot de kleine groep cabaretiers wier tournee als een malle uitverkoopt, waaronder zijn Comedytrain-collega’s Peter Pannekoek, Patrick Laureij en Daniël Arends. ‘Ik denk dat ik gemiddeld zo’n 60 à 70 procent zaalbezetting heb. En dat is al jaren zo.’ Hij zegt dat positieve recensies bij hem geen groot effect hebben op de kaartverkoop, terwijl hij weet dat lof in de kranten bij sommige (beginnende) collega’s kan leiden tot vollere zalen en een uitgebreidere vervolgtournee.

‘Ik maak mijn voorstellingen al jaren volgens een bepaald stramien, mensen weten wel wat ze ongeveer bij mij kunnen verwachten. Bij toneel is het elke keer anders, dus is het logisch dat er recensies komen, maar bij mijn cabaret... Zoveel verander ik niet.’ 

Als je hem niks vindt, is zijn redenering, dan blijf je hem waarschijnlijk niks vinden. En als je zijn type cabaret kan waarderen, dan zit je – ook als recensent – vermoedelijk steeds goed. Waarom moet daar steeds een stukje over worden geschreven? Omdat beoordeeld worden er nu eenmaal bijhoort? Kan het misschien ook eens een keer niet?

Sinds 1990 treedt hij op als cabaretier, eerst als helft van het duo met Dolf Jansen. Als Lebbis en Jansen maakten zij tot 2006 cabaretprogramma’s, waaronder elk jaar een oudejaarsconference. De kop boven een van de eerste vernietigende recensies over hen, geschreven door Lebbis’ neef Matthijs van Nieuwkerk, lieten ze op T-shirts drukken: ‘Lebbis & Jansen: kleffe pathetiek en flauwe grappen.’ 

Sinds 2000 speelt Lebbis ook solovoorstellingen die worden geroemd om de intelligente maatschappijkritiek, geestige verhalen en wijze levenslessen. Vanaf Het kwaad (2006) wordt Lebbis vijf keer op rij genomineerd voor de Poelifinario, de cabaretprijs voor het indrukwekkendste programma van het seizoen. In 2011 krijgt hij de prijs voor Branding.

Het programma dat deze maand in première ging is zijn elfde solo. De ervaring is een rechtstreeks vervolg op De bovengrens, de voorstelling uit 2018 waarin hij stelde dat het leven niet alleen een ondergrens kent, maar ook een bovengrens. De mens wil altijd maar meer, terwijl hij niet met overvloed en rijkdom kan omgaan.

In De ervaring vervolgt Lebbis zijn kijk op die zaak: de consumerende mens moet weer een improviserende mens worden, risico’s opzoeken, dingen meemaken in plaats van dingen kopen. Hij uit originele kritiek op streamingdienst Spotify, hekelt het ‘kabouteren’ van mensen die hun eigen bijdrage aan duurzaamheid relativeren, deelt een onverwacht compliment uit aan president Trump en houdt een pleidooi voor ‘de ervaring’ als onze enige kans om het leven op aarde leuk en mogelijk te houden.

Een cabaretier met zijn staat van dienst heeft weinig van critici te vrezen, zou je denken. Maar Lebbis wordt zenuwachtig van hun aanwezigheid, zegt dat hij het nog altijd lastig vindt om een première te spelen. ‘De recensentenavond op donderdag was de minst leuke voorstelling van deze week, voor mijzelf tenminste. Ik weet liever niet dat wie er in de zaal zitten. Dat heb ik trouwens niet alleen met recensenten. Mijn broer kwam zaterdagavond kijken. Als ik het dan over onze vader heb, zit ik met mijn gedachten toch even bij hem.’

Donderdag liep er in het begin van de voorstelling een stukje niet zo lekker. ‘Daarna was ik zó bang dat ik een black-out zou krijgen. Het lukte om die angst los te laten, maar ik stond niet ontspannen te spelen. Ik greep ook al vroeg naar mijn suikerwater – ik heb altijd een glas appelsap op het podium staan, daar word ik helderder van. Op dit soort momenten sta ik voor mijn gevoel meer mijn verhaal af te draaien. Als ik ontspannen speel, sluipen er grappige improvisaties in, verzin ik er dingetjes bij. Op die avonden heb ik er zó veel meer plezier in.’

Dolf Jansen, die bij de première ook in de zaal zat, merkt zo’n hapermoment direct op, zegt Lebbis. ‘Hij wist me achteraf precies te vertellen waar ik hakkelde, waar het even niet lukte om mijn ziel in het verhaal te stoppen.’

Na de première besloot Lebbis de recensies die over hem verschenen niet te lezen; potentiële pretbedervers. ‘Ik hoefde het oordeel eigenlijk niet te weten. Omdat ik weet dat de kans bestaat dat het in mijn hoofd gaat zitten.’

De recensie uit Het Parool kreeg hij toch onder ogen: ‘Die stuurde mijn impresariaat door. Alleen maar lovende woorden, maar er sloop toch weer een ergernisje in: de show wordt letterlijk beschreven, het einde wordt weggegeven. In plaats daarvan had de recensent het volgens mij kunnen houden bij ‘een ontroerend verhaal over zijn vader’. 

Beeld Ivo van der Bent

Jack Spijkerman zat zaterdag in de zaal en vond het jammer, zei hij: ‘Toen wist ik dat het einde van het programma er was, en ik wist al precies wat je ging zeggen.’ Je gaat van een film toch ook niet het slot uitgebreid beschrijven?’

Hij heeft geen hekel aan recensenten of recensies, benadrukt hij. ‘Ik ben gek op kranten en lees recensies ook graag om te weten wie en wat er speelt.’ Een goede recensie maakt volgens Lebbis duidelijk waar een voorstelling over gaat, geeft niet te veel van de inhoud weg, toetst de belofte van de maker aan de uitvoering en plaatst die eventueel in het oeuvre van de maker of van het geheel. 

‘En dan vind ik het ook altijd wel leuk als er iets persoonlijks van de recensent in zit. Als ik een zin lees in de trant van ‘de hele zaal moest lachen’, geeft dat wel aan: de hele zaal moest lachen, maar de recensent niet. Aan zo'n smaakkwestie stoor ik me alleen als het oordeel iets te absoluut wordt gesteld.’

In deze fase van zijn carrière vertrouwt Lebbis meer dan ooit op zijn beoordelingsvermogen, zegt hij. Dat komt ook door zijn ervaring als cabaretregisseur van collega’s als Kees van Amstel en Peter Heerschop. ‘Ik heb zelf altijd fijn gewerkt met Koos Terpstra, maar sinds De bovengrens heb ik geen regisseur meer. De regisseur zit gewoon in mijn hoofd. Nu is-ie gratis. Na dertig jaar voorstellingen durf ik wel te zeggen dat ik zelf best kan inschatten hoe goed mijn voorstelling is geworden. Ik denk eerlijk gezegd dat ik altijd rond de 4 sterren zal zitten, als ik mezelf vergelijk in het veld. Het is geen hemelbestormende vernieuwing, maar ik denk dat ik kwaliteit lever.

‘Ik werk keihard om ervoor te zorgen dat mijn grappen op hun scherpst zijn, ik test mijn materiaal goed uit. En ik hoop dat ik me nog steeds kan ontwikkelen, dat ik nog steeds een klein beetje beter en slimmer wordt in het overbrengen van mijn boodschap en het uitventen van mijn gedachten.’

Had hij de recensies die nu zijn verschenen liever niet gehad? 

Nee, dat toch ook weer niet. ‘Kijk’, zegt hij, ‘ik wil er ook toe doen. Ik ben binnen een maand na het genezen van mijn ziekte weer op het toneel gaan staan, om ertoe te doen. Noem het heel hoogdravend de zin van het leven, maar je wilt iets zinnigs doen. Optreden vind ik na al die jaren nog steeds de leukste ervaring die er is. Je wilt ertoe doen, en dan is het altijd een eer om in de krant te staan. Het ding is eigenlijk: ik wil wel recensies krijgen, alleen ik hoef ze niet te lezen. Behalve als ze goed en goed geschreven zijn. Het is verschrikkelijk kinderachtig, maar zo voelt het.’

De tournee van De ervaring, De bovengrens deel 2 duurt tot en met 19/5.

De praktijk van de cabaretrecensie

Anders dan bij toneel- en musicalpremières is er bij cabaret niet altijd een lang van tevoren vaststaande premièredatum waarop de pers tegelijkertijd de voorstelling komt bekijken.

Veel cabaretiers gaan geruime tijd try-outen en laten op een zeker moment weten dat de voorstelling af is. Meestal verstuurt hun impresariaat dan een uitnodiging, waarna recensenten zich kunnen aanmelden en er op de première-avond een kaart (of twee) voor hen klaarligt in het theater.

Er zijn er ook die uit principe geen recensenten uitnodigen. Wie Daniël Arends wil beoordelen, moet zelf een kaartje zien te bemachtigen voor de snel uitverkochte tournee. Zijn impresariaat stelt geen perskaarten beschikbaar.

Nog een andere gang van zaken: Patrick Laureij voerde geen ‘actief’ uitnodigingsbeleid voor zijn tweede programma Neerlands Hoop, de voorstelling waarmee hij nu toert. Er was wel een avond die als ‘première’ in zijn speellijst stond. Recensenten die informeerden of ze mochten komen, kregen een kaartje. 

In interviews laten cabaretiers zich geregeld uit over recensies die over hen zijn geschreven. René van Meurs vertelde in de Volkskrant over de toon en de gevolgen van een één-sterrecensie die hij voor zijn tweede programma kreeg. ‘Ik heb twee jaar intens verdrietig getoerd, onder meer door die recensie; andere kranten waren ook niet positief. Elke avond ging ik doen waar ik ontzettend van houd, waar ik gelukkig van word, maar voordat ik het podium op kon was er elke dag – en dat is niet overdreven – een theaterdirecteur die over die recensie begon.’

Nemen cabaretiers of hun impresariaten weleens contact op over een verschenen recensie? Meestal blijft het stil, maar zo nu en dan krijgen cabaretcritici Gidi Heesakkers en Joris Henquet reacties.

‘De pers is altijd welkom en de voorstelling is nooit af’, zei Freek de Jonge tegen journalisten die bij hem informeerden wanneer ze welkom waren om De suppoost te bekijken, de voorstelling die hij vorig theaterseizoen speelde. Hij kwam op die uitspraak terug toen Volkskrant-criticus Gidi Heesakkers in januari vorig jaar een in zijn ogen ‘beroerde avond’ bijwoonde. De Jonge staat erom bekend dikwijls recensenten na te bellen, maar nu hing hij al aan de lijn voor de Volkskrant een recensie had geschreven of gepubliceerd.

Heesakkers ging in op zijn verzoek om De suppoost die avond nog eens te komen bekijken, maar publiceerde geen recensie. In plaats daarvan ging ze met de cabaretier in gesprek over deze nogal ongebruikelijke gang van zaken en het maakproces van de voorstelling waarover hij later in de interviewpodcast van Gijs Groenteman zou zeggen dat hij er nooit echt gelukkig mee is geweest.

Joris Henquet: ‘Ik krijg af en toe wel berichten van theatermakers die nog wat verder willen discussiëren over een recensie. Dat vind ik alleen maar goed; een recensie is vaak ook juist bedoeld als aanzet tot discussie, dus prima als die discussie vervolgens ook losbarst. Een medium als Twitter heeft de lijnen korter gemaakt, waardoor er eerder een dialoog ontstaat.’

Lebbis vindt dat er best wat meer dialoog zou kunnen zijn tussen cabaretiers en recensenten. ‘We moeten er niet te geheimzinnig en te krampachtig over doen; het is een kleine wereld, we komen elkaar tegen en we kennen elkaar. Kritiek opschrijven en uitspreken houdt ons allemaal met beide voeten op de grond. Volgens mij is er ook van elkaar te leren. Het zou mij wel wat lijken om één keer per jaar een biecht te organiseren. Dan mogen wij slechte recensies voorlezen en terug praten. Dat kan heel vervelend worden, maar misschien is het hartstikke leuk.’

De bovengrens, een trilogie

De nieuwe voorstelling van Lebbis, De ervaring, is een directe vervolg op de De bovengrens. Door Mike Peek van Het Parool zijn de voorstellingen al getypeerd als ‘TED-cabaret’: ‘Dit is niet langer humor met een moraal, maar eerder een lezing aangekleed met grappen.’ Terwijl hij nog maanden toert met deze show, denkt Lebbis al aan een derde deel. Lebbis: ‘De eerste ging over het probleem, de tweede gaat over de oplossing. Dan moet het slotdeel van de trilogie over de toekomst gaan: hoe moeten we ons in de toekomst gedragen om mens te zijn?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden