Wat zijn dit voor vragen Jan Beuving

Cabaretier Jan Beuving: ‘Op de middelbare school was ik een buitenbeentje, dat veranderde pas toen ik me bij een toneelvereniging aansloot’

Jan Beuvingfoto: Frank Ruiter Beeld Frank Ruiter

Aanleiding: donderdag 15/11 gaat Rotatie in première, de tweede solovoorstelling van Neerlands Hoop-winnaar Jan Beuving.

Universiteit of theaterschool? 

‘Op de universiteit ben ik gevormd tot wie ik ben. Toen ik in 6VWO tegen mijn decaan zei dat ik eigenlijk gewoon puzzeltjes wilde oplossen, zei hij: ‘Jan, dan zit er niks anders op, dan moet je wiskunde gaan studeren.’ Dat was een gouden greep. Op de Uithof in Utrecht voelde ik me onmiddellijk thuis. Niet dat ik een heel goede wiskundige was of ooit geworden ben, ik paste gewoon goed bij het soort mensen. Mijn studiegenoten zaten te schaken tussen de colleges door, of ze waren aan het driedimensionaal vier-op-een-rij’en.

‘Ik ben op de middelbare school in Zeist best een buitenbeentje geweest. Dat veranderde pas toen ik me aansloot bij de toneelvereniging. Toen kreeg ik datzelfde gevoel als op de wiskundefaculteit: bij deze mensen hoor ik. 

‘Na de master wetenschapsgeschiedenis ben ik naar de Koningstheateracademie in Den Bosch gegaan. Toen ik daar de eerste dag binnenkwam, dacht ik: oké, eh, bijzonder. De overgang was tamelijk groot. De universiteit, dat is alleen maar hoofd. Dat heeft mij niet zozeer in de weg gezeten op de theateracademie, maar wel sommige docenten. ‘Jan zit alleen maar in zijn hoofd’, zeiden die dan. Ik had weinig met op zoek gaan naar mijn gevoel.’

Schrijven of spelen? 

‘De cabaretopleiding aan de Koningstheateracademie duurt 4 jaar, maar na 2 jaar wilde ik weg. Directrice Anna Uitde Haag bood aan dat ik kon afstuderen als schrijver. Ze stelde voor mensen uit het vak uit te nodigen voor wie ik een lied moest schrijven: Angela Groothuizen, André Manuel, Louise Korthals, Maarten van Roozendaal. Maarten van Roozendaal! Dat hij kwam! Hij tilde de hele avond extra op.

‘Ik ben op de Koningstheateracademie altijd neergezet als schrijver van liedjes voor anderen, niet als speler. Het was natuurlijk wel veilig, want dan werd ik nooit helemaal zelf ontleed. Maar ik weet dat Anna Uitde Haag, die altijd voorop liep met ‘Die jongen moet schrijven!’, het misschien wel het leukst van allemaal vindt dat ik twee jaar na mijn afstuderen toch ben gaan spelen en samen met Daan van Eijk de finale haalde van het Leids Cabaret Festival.’

Solo of duo? 

‘Mijn duo-werk met Patrick Nederkoorn is echt leuk naast ons solowerk. We spelen volgend jaar de reprise van Leuker kunnen we het niet maken, onze voorstelling over de Belastingdienst, en we gaan in 2020 een oudejaarsconference maken.

‘Ik kies duo, want ook in mijn solovoorstellingen ben ik nooit alleen. Pianist Tom Dicke is de muzikale adem, hij begeleidt en maakt de muziek. Het is zo fijn en belangrijk om iemand te hebben die een tekst kan lezen en daar precies de goede muziek bij maakt.’

Kees Torn of Maarten van Roozendaal? 

‘Dan toch Kees, want door hem ben ik gaan doen wat ik doe. Ik bewonder zijn aan onwaarschijnlijkheid grenzende vermogen om met taal precies datgene te zeggen wat je wilt, zonder dat het gekunsteld klinkt, en als het al gekunsteld klinkt, dan is het overduidelijk dat het gekunstelde de kunst is. Een grotere taalvirtuoos dan Kees heeft dit land denk ik nooit gekend. En kijk ik als wiskundige naar zijn werk: het is allemaal metrisch, qua rijm is het feilloos. Ik bedoel: Kees is iemand die ‘Amadeus’ kan laten rijmen op ‘lp-hoes’. Ik hou ervan als dingen kloppen, ja.’

Veel thuis of veel van huis? 

‘De poging is precies ertussenin. Ik speel alleen op woensdag, vrijdag en zaterdag, de andere dagen wil ik thuis zijn met de kinderen. Woensdagochtend heb ik mijn taalrubriek in Spraakmakers op NPO Radio 1, zondag de rubriek De Korte Corner in NOS Studio Voetbal. Die komt voort uit een blog dat ik begon toen ik afgestudeerd was, om mezelf iedere dag tot schrijven te verplichten. Het waren korte stukjes van om en nabij 200 woorden over sport, van kaatsen tot kunstrijden en van voetbal tot fierljeppen. Die stukjes moest ik van mezelf zeven dagen per week om 10 uur ’s ochtends online hebben staan. Dat bloggen heeft het vertrouwen opgeleverd dat er altijd wel iets komt als ik ga zitten om te schrijven.’

Met of zonder ruitjes? 

‘Laatst had ik in Studio Voetbal één keer een bloemetjeshemd aan. En meteen was er iemand die er op Twitter wat van zei: waar zijn je ruitjes? Zoals Youp van ’t Hek almaar weer bretels en zijn ronde brilletje draagt, heb ik mijn ruitjeshemd.

‘Ik draai wel langzaam een beetje van de wiskunde weg in mijn programma’s. Mijn eerste programma, met Daan van Eijk, was alleen wis- en natuurkunde, het programma daarna was al  toegankelijker en mijn nieuwe voorstelling is nog toegankelijker. Ik wil niet de rest van mijn leven alleen maar liedjes over algebra en de stelling van Fermat zingen. Ik kan me voorstellen dat de wiskunde uit mijn programma’s verdwijnt, maar de wiskunde zal nooit uit mijn gedachten verdwijnen. Hoe ik naar de wereld kijk, daar zit nu eenmaal iets wiskundigs in. Als ik wil begrijpen hoe de nummering van stoplichten in elkaar zit, of als ik uitleg dat het onbegonnen werk is om pomphouders in de grensstreek te compenseren, omdat je dan altijd weer een grensstreek van de grensstreek krijgt. En als het niet zit in hoe ik naar de wereld kijk, dan wel in mijn rijmschema’s.’

Smartphone of Nokia? 

‘Ik heb een Nokia. Ik zou onmiddellijk verslaafd raken aan een smartphone. Een TomTom heb ik ook niet, ik stippel altijd vantevoren uit hoe ik de schouwburg van die avond moet bereiken.

‘Het gebeurt weleens dat ik op het station voetbalsupporters zie lopen. ‘Wat hebben ze gedaan?’, vraag ik dan. Een vraag van vroeger, maar een voetbalsupporter wil altijd zeggen wat ze gedaan hebben.’

Ouderwets of traditioneel cabaret?

‘Ik sta in de traditie, dat is iets anders dan traditioneel, denk ik. Ik moet altijd zuchten als het woord ‘ouderwets’ valt in recensies. ‘Zijn liedjes doen ouderwets degelijk aan, maar in de goede betekenis van het woord’, stond in het juryrapport van het Leids Cabaret Festival. Toen ik werd aangenomen voor de Koningstheateracademie vonden ze me ‘een tikje ouderwets’ maar wel ‘heel grappig’. Een recensent schreef dat de muziek ‘soms vooroorlogs aandoet’. Het achtervolgt mij. Er komt een moment dat ik mij er gewoon niet meer aan moet storen. Bovendien, als ik de mensheid een beetje inschat, is alle muziek vooroorlogs.

‘In de vorm zijn mijn programma’s klassiek – praatje, liedje, praatje, liedje – maar inhoudelijk doe ik volgens mij wel iets vernieuwends. Ik voel me prettig bij de traditie en de muziek die Tom voor mij maakt. Een goed lied is tijdloos. En ‘ouderwets’ klinkt als uit de tijd. Ik maak liever een lied dat boven de tijd staat.’

Over je eigen leven of het leven van anderen? 

‘Dat laatste. Ik vertel bijvoorbeeld een verhaal over een garagemonteur die alles op gevoel doet, en niets van computers moet hebben waarmee je auto’s uit moet lezen. Ik vind dat mooi, als intuïtie wint van kennis. Zo word ik in het verhaal over de ander toch zelf weerspiegeld.

‘Hoeveel persoonlijks ik in mijn programma’s toelaat, is elke keer ter afweging. Rotatie is persoonlijker dan mijn vorige voorstelling, met een verhaal over mijn dochter. Ik ben niet iemand die veel van zijn persoonlijke leven weggeeft op het podium. Ook in dit interview wil ik het er niet over hebben. In het theater ben ik  de baas over wat ik vertel. Dus wat ik erover te vertellen heb, moeten mensen maar in het theater komen bekijken.’

Universiteit of theaterschool? (bis) 

‘In het theater voel ik me thuis, in de theaterwereld… bij vlagen. Ik was vorig jaar bij de uitreiking van de VSCD-cabaretprijzen. Het winnen van de Neerlands Hoop was een bevestiging en een geweldig duwtje in de rug; dat een programma over wiskunde blijkbaar als veelbelovend gold. ‘Het is zo grappig om jou tussen deze mensen te zien’, zei mijn regisseur. ‘Omdat jij hier helemaal thuishoort en toch een volslagen buitenbeentje bent.’

‘Mijn vorige programma heette Raaklijn en ging erover dat ik altijd op de grens sta. Laat mij maar de rand van de theaterwereld zijn, dan hoor ik er net niet bij. Dat vind ik een prettige positie. Maar laatst zei ik in een gesprek met liedschrijver Jurrian van Dongen dat ik altijd nog wiskundeleraar kan worden. ‘Hou jezelf niet voor de gek’, antwoordde hij, ‘dat wil je helemaal niet meer.’ En ik denk dat hij gelijk heeft. Ik kan wel doen alsof ik de rand ben, maar stiekem denk ik dat er toch net binnenval. Ik hoef niet de allertheatermakerigste theatermaker te zijn van Nederland, ik ben geen podiumbeest, maar ik geef mijn ziel en zaligheid als ik er sta.’

Rotatie, première 15/11 De Kleine Komedie, tournee t/m 23/2. 

CV Jan Beuving
1982 geboren in Numansdorp
2008, 2009 bachelor wiskunde, master wetenschapsgeschiedenis, Universiteit Utrecht
2010 Koningstheateracademie Den Bosch
2013 finalist Leids Cabaret Festival
2013 wint Annie M.G. Schmidt-prijs voor het nummer Vinkeveen, dat hij schreef samen met Angela Groothuizen en Nico Brandsen
2015 Reken maar nergens op, debuutprogramma als duo met Daan van Eijk
2015-heden rubriek De Korte Corner in NOS Studio Voetbal
2017-heden taalrubriek in Spraakmakers op NPO Radio 1
2016-heden wetenschapscolumn in Trouw met Daan van Eijk
2017 wint Neerlands Hoop, de prijs ‘voor de meest veelbelovende theatermaker met het grootste toekomstperspectief’, voor zijn eerste solovoorstelling Raaklijn
2018 Leuker kunnen we het niet maken, programma over de Belastingdienst met Patrick Nederkoorn, tweede solovoorstelling Rotatie

Jan Beuving woont met zijn gezin in Zeist. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.