Boekrecensie Otmars zonen

Buwalda’s enthousiasme in Otmars zonen is zo aanstekelijk dat je hem een paar uitglijders vergeeft ★★★★☆

Peter Buwalda gefotografeerd op zaterdag 2 maart 2019 in Amsterdam Beeld Daniel Cohen / illustraties Claudie de Cleen

In zijn wervelende tweede roman zwiert en schmiert Peter Buwalda dat het een aard heeft. Zo aanstekelijk dat je hem een paar uitglijders vergeeft. 

Peter Buwalda: Otmars zonen

Fictie 

De Bezige Bij; 607 pagina’s; € 27,50.

Het middenstuk van de beroemde late pianosonate nummer 32, opus 111, van Beethoven. Het ontbrekende deel. Niemand heeft het ooit gezien of gehoord. Dat zou een sensatie zijn, met name voor liefhebbers van klassieke muziek, als de bladmuziek van dat middendeel werd gevonden.

De Nederlandse pianist Dolf Appelqvist, zoon van koordirigent Otmar Smit, en zo beroemd dat hij met levende legenden als Martha Argerich achter de vleugel zit, schijnt op die papieren gestuit te zijn. Maar klopt het nieuws? Als wonderkindje meende Dolf al Ludwig van Beethoven te zijn, en toen is hij onder behandeling van een psychiater geweest. Niet helemaal jofel. Het is denkbaar dat hij de kluit belazert.

Zijn stiefbroer, die ook Dolf heet, en die om verwarring te voorkomen al vroeg met de naam Ludwig is bedeeld, heeft zijn bedenkingen. Of is dat jaloezie? Hij is immers de gewonere jongen uit een flat aan de Geresstraat in Blerick, tien jaar lang opgegroeid zonder vader, student in Enschede geweest, en nu als dertiger werkzaam bij Shell als specialist in het doormeten van olievelden. Daar haal je de wereldpers niet mee. Al beleeft ook Ludwig een spannend moment, wanneer hij op het ijskoude Sakhalin, een eiland in het Russische Verre Oosten, de Shell-topman Johan Tromp ontmoet, en steeds sterkere vermoedens heeft dat hij voor het eerst oog in oog staat met zijn verwekker.

Gebroken gezinnen, vaders en zonen, verwachtingen en ambities, Enschede en Blerick, en muziekdetails die tot kwesties van levensbelang worden opgeblazen: vreemd als het klinken mag, maar reeds bij zijn tweede roman, Otmars zonen, het eerste deel van een trilogie, doet de wereld van Peter Buwalda (1971, opgegroeid in Blerick) vertrouwd aan – we herkennen veel thema’s en obsessies uit zijn veelvuldig genomineerde, bekroonde en vertaalde debuut Bonita Avenue (2010), uit zijn Volkskrant-columns en uit interviews.

Nergens noemt hij de naam W.F. Hermans, maar in de geschiedenis van Dolf en de sonate horen we de echo van diens novelle Filip’s sonatine (1980), en daarbovenuit de welhaast spreekwoordelijk geworden titel van een ander Hermans-verhaal, Een wonderkind of een total loss (1967). Onmogelijk dat de belezen Buwalda hier níet stilzwijgend aan refereert, zoals hij in zijn boek ook terloops toespelingen maakt op Joost Zwagerman (het woord ‘roeshoofd’), Gerrit Komrij (de uitdrukking ‘gelukkige schizo’) en de uitgebreide beschrijvingen van seksuele handelingen en onhandigheden in de studententijd van Ludwig een stille ode zijn aan Philip Roth en A.F.Th. van der Heijden. Buwalda lezen is ook altijd meegetrokken worden in een web van verwijzingen, méér dan een spelletje, want deze romanbouwer is ervan doordrongen dat niemand zonder fundament aan eigen werk kan beginnen. Niet voor niets was hij al bijna 40 toen hij debuteerde.

Beeld Claudie de Cleen

Nog één andere naam dient hier genoemd, omdat Shell in de Nederlandse literatuur eenmaal eerder prominent voorkwam, namelijk bij Gerrit Krol, die als computerprogrammeur voor de firma onder meer in het olierijke Nigeria verbleef, en over het bedrog, geweld en absurdisme aldaar de onderkoelde roman Okoka’s wonderpark (1994) schreef. Aan smoezelige praktijken in Nigeria ontbreekt het ook bij Buwalda niet; die hebben zich vier jaar geleden afgespeeld, en Johan Tromp heeft daar vuile handen bij gemaakt, vooralsnog zonder daarop aangesproken te worden.

Naast het verhaal over de Beethoven-vondst is dat olieverhaal een andere lijn in Otmars zonen. Tromps imperium zou kunnen instorten. Hij krijgt in Sakhalin niet alleen bezoek van zijn zoon, die te verlegen is om zijn identiteit te onthullen, maar ook van Isabelle Orthel; Thais adoptiemeisje, investigative journalist voor de Financial Times, en iemand die nogal wat voor haar vak over heeft.

Onwaarschijnlijk veel zelfs. Hier gaat het enthousiasme van Buwalda, die vaardig met hyperbolen en metaforen jongleert in plankgasproza dat soms uit de bocht vliegt (iemand die een ‘onvoltooide, verloren gegane symfonie naliet’, dat is de verkeerde volgorde), met hem op de loop. Het is maar moeilijk voorstelbaar dat Isabelle zich destijds in Nigeria voordeed als mannequin en zich enkele weken op sadomasochistische wijze vrijwillig liet uitwonen door Tromp, die haar tussen de zweepslagen, het ketting rammelen en het penetreren door allerlei werkgerelateerde onthullingen zou hebben gedaan.

Een machtige Shell-topman die er aparte hobby’s op nahoudt, het kan, maar dat de slimme Orthel zich eerst laat afranselen en uitschelden, en zich dan afvraagt ‘wie of wat er in haar was gevaren’, waarna Buwalda zelf het antwoord geeft: ‘De Sade was in haar gevaren. Lang ervoor al, met een onderzeeër’, dat doet denken aan de James Bond-achtige fantasie van sommige mannen over de ideale vrouw: slim zijn mag, mooi zijn moet, maar uiteindelijk, dat weet iedereen, wil ze natuurlijk hardhandig genomen worden. Zo zijn ze.

Het is bijna lachwekkend dat Isabelle vroeger De Sade met rode oortjes heeft gelezen, maar in Otmars zonen gebeurt het; zij moet dan werkelijk de allereerste zijn die de mechanische seks en de oersaaie verhandelingen uit die te dikke boeken heeft verslonden. Een puike leerschool, bedenkt ze, eenmaal bevrijd uit de kettingen en touwen, want nu kan ze scoops scoren in ruil voor seks. Goeie deal.

’t Is weer eens iets anders, in deze somtijds bescheten #Me Too-tijden; een roman met een aloude karikatuur in plaats van een politiek-cultureel correct personage. Die brutaliteit pleit voor Buwalda. Alleen doet seksslavin Isabelle Orthel niet denken aan een serieuze journalist. We krijgen geen flard proza van deze zogenaamde sterauteur te lezen. Ze heeft niet eens onderzoek gedaan naar de echtgenote van haar doelwit Johan Tromp, wat voor een beginnende onderzoeksjournalist tot het huiswerk behoort.

Het is vroeg om al conclusies te trekken. Dit is het eerste deel, de val van de chantabele Johan gaat nog komen (of denken we nu te veel aan de deconfiture van Siem Sigerius, de universiteitsrector met perverse trekjes uit Bonita Avenue?), en of het wonderkind Dolf een total loss blijkt moeten we ook nog zien. Maar nu al is duidelijk dat de personages van Buwalda stuk voor stuk worden gestuurd door wrok, wraak, onbeheersbare erotiek en andersoortige erfenissen uit een onverwerkt verleden. Cultuur, beschaving, welbespraaktheid en vormelijkheid dienen voornamelijk om die stankbellen toe te dekken. Dat wereldbeeld heeft de auteur opnieuw voldoende inspiratie opgeleverd voor een wervelend boek, want dat is Otmars zonen onmiskenbaar.

Buwalda leeft zich weer uit. Dat kan in een kort zinnetje: ‘Het is onbarmhartig koud in de Lada. Sakhalin, de kennismaking was kort en diepgevroren.’ Dat kan ook in een swingende slingerzin: ‘Vaak nog voor de pannen kwamen er muziekstukken op tafel, het vioolconcert dat Tosca instudeerde, maar vaker nog Dolfjes pianoconcerto, misschien omdat de laatste eigenwijzer was dan zijn zus, misschien omdat Dolf en Otmar standaard van mening verschilden over hoe je hoorde te spelen, met veel of weinig rubato, wel of geen pedaal, de melodielijnen zingend of juist parlando, ‘niet zo romántisch, snotaap’, ‘nee, niet zo clean, papa’, kortom: een eindeloze set variaties op thema’s waarvan de toonaard wisselde, van verhit en ruzieachtig tot schrikbarend geleerd, van bijna filosofisch tot ongemakkelijk emotioneel of extatisch, waardoor hij Otmar en zijn kinderen als kaas in een fonduepan zag versmelten tot één kleffe, hooggestemde klont, draderig van geluk.’

À propos, Otmar (die wel zijn naam leende aan de boektitel maar geen prominente rol speelt) heeft maar één zoon (plus een stiefzoon), maar misschien komt er in deel twee of drie nog een andere zoon uit de hoge hoed. Buwalda zwiert en schmiert dat het een aard heeft, en doet dat zo aanstekelijk dat je hem een paar uitglijders vergeeft. Behalve deze, waarin Tromp zijn advocaat aan het werk zet: ‘Hij sloeg dikke rode wetboeken op, bladerde ritselend, las als een strak opgewonden muis stukken uit arresten voor waaruit moest blijken hoe ingewikkeld het voor een aanklager lag van nalatigheid vervolgbare medeplicht te maken.’

Hm. Ik heb nog nimmer een muis, strak opgewonden en wel, uit arresten horen voorlezen. Bovendien staan er in wetboeken geen arresten. Bovendien (bis) is het klare verschil tussen nalatigheid en medeplicht nou juist niets ingewikkelds, verzekeren mij diverse juristen.

Welgemeend tegenadvies: Tromp moet dringend een andere advocaat zoeken, wil hij aan een gewisse ondergang ontkomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.