Buitenbeentje in de sloppenwijk

HET LEVENSVERHAAL van de Kameroenese schrijfster Calixthe Beyala heeft veel weg van een sprookje. Als een Assepoester groeide ze op in de sloppenwijk New Bell van Douala, maar toen ze zeventien was kwam er een blanke prins langs, die haar meenam naar het land van haar dromen, Europa....

WIM BOSSEMA

Haar grootste triomf werd een affaire: Calixthe Beyala (36) wordt beschuldigd van plagiaat. Het weekblad Jeune Afrique wijdde in december vele bladzijden aan 'de zaak Beyala'. Voor de roman Les honneurs perdus, die zoveel indruk maakte op de illustere jury van de Académie, zou Beyala enkele passages hebben gepikt uit The Famished Road, waarmee Ben Okri in 1991 de Booker Prize won.

Plagiaat, de vloek was uitgesproken. De media stortten zich op de Kameroenese bestseller-auteur. Calixthe Beyala verdedigde zich heftig. Tegen Jeune Afrique zei ze: 'Het gaat niet om twee passages. Om twee zinnen! Op een boek van vijfhonderd bladzijden verwijt men mij twee zinnen. Beseft u wel hoe pervers dat is! Als u een auteur wilt veroordelen omdat hij schrijft dat de zon schijnt, kan men alle auteurs ter wereld beschuldigen van plagiaat'

In de ene gewraakte zin grijpt een vrouw een man bij zijn testikels, in de andere delen politici gratis voedsel uit om kiezers te winnen. Haar formulering is bijna letterlijk hetzelfde als in twee zinnen uit de Franse vertaling van Okri's boek, die twee jaar geleden uitkwam. Beyala betoogt dat beide verschijnselen heel veel voorkomen in Afrika. Hoe vaak in de literatuur lijken beschrijvingen wel niet op elkaar? Haar critici werpen tegen dat het niet de eerste keer is dat ze plagieert. In mei vorig jaar werd ze door een rechter veroordeeld voor het overschrijven van zeven passages in haar roman Petit Prince de Belleville.

De aanval op haar integriteit wordt ingegeven door jaloezie, vindt Beyala. Ze is een populaire auteur, haar eerdere romans haalden verkoopcijfers van rond de 300 duizend exemplaren. Ook zonder schandaal was zij al een veelgevraagde gast in tv-programma's. Niet iedereen vindt het leuk dat een Afrikaanse, een vrouw, een feministe, een criticaster van de Afrikaanse leiders, een kind uit een sloppenwijk, nu een hoofdrol speelt in het Franse culturele leven, denkt Beyala. 'Sommige figuren verdragen het niet dat ik succes heb.'

Wie dat zijn, zegt ze niet, maar in elk geval weigeren die figuren onder ogen te zien dat de nieuwe impulsen voor de westerse literatuur uit de vroegere koloniën komen. De passie, de magie. Beyala's prijs is een triomf voor de hele Afrikaanse literatuur, vindt zij. En zij niet alleen: de meeste Afrikaanse schrijvers die Jeune Afrique om een reactie vroeg, nemen het voor haar op. Want ook al is lang niet iedereen gecharmeerd van haar vaak controversiële houding, Beyala sleept ook hún werk de hoofdstroom van de literatuur binnen.

De aantijgingen zijn absurd. In de literatuur borduurt nieuw werk voort op de romans die er al zijn, zegt Beyala terecht, net als in de muziek of de beeldende kunst. Dat is zeker het geval in Les honneurs perdus. Het eerste deel speelt zich af in de sloppenwijk Couscous en de broeierige sfeer doet sterk denken aan die van Okri's armenwijk. De vaders van het meisje Saïda in Beyala's roman en de jongen in Okri's boek lijken op elkaar. In beide armenwijken speelt een hoerenmadame de hoofdrol in de gemeenschap.

Maar evenzeer weerklinken in Les honneurs perdus echo's van de romans van Sony Labou Tansi, die in de ellendigste gebeurtenissen nog iets humoristisch weet te vinden. De toon waarmee Beyala de onafhankelijkheid bespot, doet denken aan Kourouma's Le soleil des indépendences; de feministische teneur aan Were Were Liking. Les honneurs perdus barst van de verwijzingen naar de groten van de Afrikaanse literatuur.

Couscous wordt bevolkt door kleurrijke figuren: de begrafenisondernemer belooft kisten voor een vriendenprijsje, de traditionele hoofdman is een speelbal van zijn onderdanen, de 'journaliste-news' lokt ruzies uit voor een stukje, de arts-apotheker spreekt als enige intellectueel zijn leven lang tegen dovemansoren en droomt van een Nobelprijs. Saïda is de vertelster in het boek. Ze is een buitenbeentje in de sloppenwijk - haar vader had een zoon willen hebben en zij raakt maar niet aan de man.

In het tweede deel van Les honneurs perdus is Saïda aangekomen in het wonderland Frankrijk. Daar vindt ze onderdak bij een Senegalese immigrante, Ngaremba, die de kost verdient als brievenschrijfster voor anderen. Dat motief komt in veel Afrikaanse romans voor. Iemand die kan schrijven is in de Afrikaanse dorpen nog steeds een geziene figuur, de bemiddelaar tussen de ongeletterden en de moderne wereld van het schrift. Het thema van de berooide Afrikaan in het beloofde land is ook niet nieuw. En toch heb je als lezer nergens het gevoel over platgetreden paden te worden geleid.

Dat komt vooral door die intrigerende Saïda, die zich voordoet als een naïeve, niet bijster intelligente, gelovige islamitische vrouw. Zij koestert haar maagdelijkheid, het enige van waarde dat ze bezit. Als ze naar Frankrijk gaat, krijgt ze van de arts-apotheker als identiteitspapier een 'garantiecertificaat voor tien jaar' voor haar maagdelijkheid mee.

Achter het masker van de naïviteit gaat een intelligente vrouw schuil, die niemand te zien krijgt, alleen de lezer. Over de hoogdravende taal van de mannen in Couscous merkt ze op: 'In de tropen smelten gedachten sneller dan een stuk chocolade in de zon.' En over een verkiezingscampagne: 'In Couscous hadden wij geen precies idee van de politiek en de mannen die politiek bedreven. Ze waren rijk, dus leugenaars.'

De Afrikaanse intellectuelen die in de veilige salon van madame Ngaremba zinloos debatteren over de problemen van het verre moederland beschrijft ze met bitter sarcasme. Ngaremba ziet als eerste de vrouw achter het masker. Saïda's morele onaanraakbaarheid drijft Ngaremba tot wanhoop. Saïda is de spiegel waarin Ngaremba haar eigen mislukkingen (de scheiding van de Franse vader van haar dochter) en illusies (haar ongelukkige relatie met een Franse blaaskaak) ziet. Ze moet en zal Saïda aan een man helpen. Ze sleept haar huishoudster mee naar een Afrikaanse tovenaar, ze selecteren een kandidaat via een contactadvertentie, maar niets lukt. Ngaremba stort zich van het dak.

Zo mist ze net de triomf van de prins uit dit sprookje, de Franse clochard Marcel Pignon Marcel, een aan lager wal geraakte intellectueel. Zijn naam is ontleend aan die van de kunstenaar Ernest Pignon Ernest. In de jaren zeventig tekende deze zwarte Zuid-Afrikaanse immigranten achter prikkeldraad naast portretten van de dichter Arthur Rimbaud en plakte ze op muren en trottoirs. Saïda bezwijkt voor de avances van Marcel Pignon Marcel en ruilt op middelbare leeftijd alsnog haar maagdelijkheid voor een leven tussen de gewone mensen.

Les honneurs perdus is een karakteristieke Afrikaanse romans, omdat in Saïda's levensverhaal tal van bekende thema's en motieven opduiken. Dat is geen plagiaat. Het zijn toespelingen, die Beyala gebruikt om sommige van haar Afrikaanse collega's duidelijk te maken dat ze niet in haar schaduw kunnen staan. Maar af en toe zijn het ook eerbewijzen aan schrijvers die zij bewondert, zoals Sony Labou Tansi en Ben Okri.

Wim Bossema

Calixthe Beyala: Les honneurs perdus.

Albin Michel, import Nilsson & Lamm; 405 pagina's; ¿ 49,20.

ISBN 2 226 08693 5.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden