Brij van menselijke roerselen en diepe gedachten

Hoe erg is het te moeten bekennen dat ik de serie interviews van Frénk van der Linden in NRC Handelsblad over Geloof, Dood en Liefde, een serie die net is bekroond door de gezamenlijke Nederlandse dagbladuitgevers, niet heb gelezen?...

Mijn kansen op een eredoctoraat in de filosofie zijn hierdoor niet toegenomen, maar daarmee valt te leven. Van der Linden ken ik niet persoonlijk, dus last met hem krijg ik niet. NRC-redacteuren zijn te beleefd om me te slaan als ze me zien. Bepaalde mensen zien zich gesterkt in hun idee van mijn slechts uit klei en bintjes bestaand karakter, maar ik heb nooit gepocht op een rijk gedachtenleven.

Desondanks kan zelfs ik mij voorstellen dat het zin heeft af en toe stil te staan bij existentiële vragen. Dat ik het niet kon opbrengen daartoe Van der Lindens vraaggesprekken te raadplegen, heeft alles te maken met mijn langzamerhand chronische allergie voor interviews. De Nederlandse journalisten interviewen zich suf, in dagbladen, opinieweekbladen, vrouwenbladen, glossies, op televisie. Tijdschriften met drie, vier lange gesprekken per nummer zijn heel gewoon. Steeds meer, steeds langere en steeds openhartiger interviews: dat is de trend die mij jeuk bezorgt.

Ik begrijp wel waar die ontwikkeling vandaan komt. Nieuwsgierigheid was oorspronkelijk een onwrikbare voorwaarde om journalistiek te kunnen bedrijven. Het stellen van vragen is, naast de behoefte de ogen goed de kost te geven, het voornaamste gereedschap van de verslaggever. Er zijn steeds meer bladen en zenders, en die moeten iets te bieden hebben. Interviews zijn betrekkelijk gemakkelijk en snel te maken.

De tegenwerpingen kan ik me voorstellen. Een serieus gesprek vergt een grondige voorbereiding. Het voeren van het gesprek vereist grote concentratie van de journalist. Allemaal waar, maar die moeite staat niet in verhouding tot de inspanning die het kost om op grond van een aantal mondelinge en schriftelijke bronnen met een eigen versie van de gebeurtenissen op de proppen te komen, inclusief het risico kritiek los te maken.

Daarmee wil ik niet zeggen dat het interview per definitie het achterlijke broertje is van zulke verheven genres als de journalistieke reconstructie, de reportage of, voor mijn part, de column. Sommige soorten vraag-antwoord-sessies hebben wel degelijk een functie. Ik noem de categorie reiziger-uit-ver-land ('Het was een hel - koekenbakker G. Mulder zag droomreis naar Bangladesj letterlijk in het water vallen') of de kritische confrontatie met de auteur van een omstreden boek ('Waarom blijft u volhouden dat Wim Kok bij de SS diende als hij in 1945 pas zeven was?').

Ernstige vermoeidheid voel ik langzamerhand bij het zogenaamde diepte-interview. Bibeb is daar ooit mee begonnen, en ik geef toe dat ook ik in de jaren zeventig rechtop ging zitten wanneer Vrij Nederland-hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse ter redactievergadering aankondigde dat zij weer iemand ging spreken, en of wij bij hem suggesties voor vragen wilden inleveren. Maar, nog afgezien van de lacherigheid die mij op den duur beving over haar stijl ('Priemt met knokige vinger in mijn richting en bast: ''Dat zeg jij'''), deze grande dame van het interview is ingehaald en overspoeld door een legioen van adepten.

Zij weten hun slachtoffers geroutineerd intimiteiten en bekentenissen te ontlokken die Bibeb maar zelden waren gegund. Pioniers waren hier enkele dwangmatig-loslippigen, zoals oud-staatssecretaris en omroepbaas Joop van der Reijden, altijd goed voor een paar openhartige alinea's over zijn relatieproblemen.

Mij is het als media-consument gewoon te veel geworden. In mijn beleving raken al die menselijke roerselen, complicaties en diepe gedachten losgezongen van de individuen, en wordt alles tot één brij van, inderdaad, Geloof, Dood en Liefde. Het voorbeeld van de onderlinge uitwisselbaarheid van interviewers en geïnterviewden geeft Frénk van der Linden, die de Volkskrant een - vorige week zaterdag in dit katern gepubliceerd - vraaggesprek toestond dat hij zelf een ander had kunnen afnemen.

Hij bekende 'een ravage' te hebben gemaakt van 'zijn meest intieme relaties'. Gelukkig maar, anders was ik het stuk niet gaan lezen. Zijn huwelijk met een gereformeerd 'maar buitengewoon mooi' meisje liep stuk op onder andere 'disputen over religie'. Verder komt hij uit een gebroken gezin, zo lezen wij, wat hem jarenlang ertoe prikkelde zijn gesprekspartners 'de ballen af te draaien'. Zijn bekroonde werk heeft hij uitsluitend vervaardigd 'uit narcistische noodzaak, mijn eigen onzekerheid en zelfhaat compenserend met de glorie van anderen'. Wat is er toch van die goede, oude, journalistieke nieuwsgierigheid naar andere mensen geworden?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden