Review

Brekend: Utopia is geen utopie!

Vijfhonderd jaar geleden verscheen Utopia van Thomas More en dus is 2016 Thomas More Time. Filosoof en More-deskundige Hans Achterhuis over de grote humanist.

Beeld Coco Dávez

Eén kleine opmerking van Erasmus over Jeroen Bosch zou fantastisch zijn geweest. Dan hadden we alle historische personages die we dit jaar herdenken bij elkaar gehad in het toneelstuk Sir Thomas More, dat net in een Nederlandse vertaling verschenen is. In 1516 werd Utopia van More in Leuven uitgegeven, in hetzelfde jaar verscheen een tekstkritische editie van het Nieuwe Testament door Erasmus, Jeroen Bosch overleed in 1516 en Shakespeare een eeuw later - we hebben de nodige tentoonstellingen, lezingen en andere evenementen achter de rug.

Verrassend is dat Shakespeare mee heeft geschreven aan het treurspel Sir Thomas More, dat officieel op naam staat van de vrij onbekende auteurs Anthony Munday en Henry Chettle. Minder verrassend is dat er een scène is gewijd aan een ontmoeting tussen de boezemvrienden More en Erasmus.

Omdat Erasmus tussen 1484 en 1487 in 's-Hertogenbosch verbleef en er zelfs schilderlessen volgde, zou een verwijzing naar Jeroen Bosch mogelijk zijn geweest. Maar ja, de auteurs hadden wel wat anders aan hun hoofd dan met een paar zinnen vooruit te lopen op latere eeuwfeesten; ze worstelden vooral met de censuur. De biografie van Thomas More bevatte namelijk veel brisant materiaal.

Onder koning Hendrik VIII had More het hoogste ambt van lord-kanselier bekleed, maar hij was in ongenade gevallen en terechtgesteld. De botsing tussen de vorst en zijn dienaar draaide om twee zaken. Toen Hendrik VIII zich tot hoofd van de Engelse kerk uitriep, weigerde More dat te erkennen. Hij bleef de paus trouw. Daarnaast was More gekant tegen het huwelijk van Hendrik met Anna Boleyn na diens scheiding van Catharina van Aragon. Anna Boleyn moest een troonopvolger baren. Dat werd Elizabeth, die nu juist koningin was toen Munday en Chettle hun toneelstuk schreven. Geen wonder dat de censor er zeer kritisch naar keek.

Het interessante aan de tekst van Sir Thomas More is dat alle ingrepen van de censuur zichtbaar zijn gemaakt. In de eerste scènes - die toevallig ook uiterst actueel overkomen - zijn ze het talrijkst. Dit eerste deel handelt over een opstand van autochtone Engelsen die zich verzetten tegen de vele buitenlanders die zich in Londen hadden gevestigd. Als schout van Londen wist More met een geniale redevoering dit oproer op geweldloze wijze in de kiem te smoren. De censor vond al dit gepraat van populistische raddraaiers echter gevaarlijk. Het moest eruit. De tekst moest herschreven worden.

Dat er in de laatste scènes van het treurspel van minder ingrepen in de tekst sprake is, heeft een interessante en nog steeds actuele reden. De auteurs hebben hier op voorhand al zelfcensuur toegepast. We lezen nergens waarover het conflict gaat dat More het leven kostte. De inhoud van de verklaring, de eed van trouw aan de koning, komt nergens ter sprake; de paus wordt niet genoemd.

Anthony Munday en Henry Chettle

Sir Thomas More

***

Vertaald uit het Engels door Jan Kuijper.

Athenaeum; 154 pagina's; euro 19,99.

Non-fictie

Gelukkig biedt de inleiding van Wout van Tongeren op Sir Thomas More de nodige achtergrondinformatie, waardoor de lezer het subtiele spel van censuur en zelfcensuur grotendeels kan doorgronden.

Toch lijkt het aanbevolen om de gedegen biografie van Thomas Ackroyd over More, die deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt, naast het toneelstuk te leggen. Dan worden niet alleen de achtergronden van de tekst duidelijker, maar zien we ook hoe de schrijvers een loopje hebben genomen met de historische feiten.

Het genoemde oproer werd bijvoorbeeld niet door More met woorden gesust maar met geweld neergeslagen, de vrienden More en Erasmus ontmoetten elkaar niet meer aan het einde van de politieke loopbaan van de laatste. Munday en Chettle condenseerden veel uit het leven van hun personage om het in een enkel toneelstuk te kunnen presenteren.

Voor zover ik uit de inleiding en de biografie heb begrepen, is het toneelstuk nooit gespeeld. Maar ik vermoed dat de zeventiende-eeuwse Engelse toeschouwers goed begrepen zouden hebben waarover het handelde.

Meteen na zijn terechtstelling deden allerlei ware en onware verhalen over Thomas More de ronde. De grappen die hij tot op het schavot maakte, werden spreekwoordelijk (ze komen ook verspreid in het toneelstuk terug), zijn oppositie tegen de koning werd bewonderd of verafschuwd. Daarnaast werd More in de martelaarsboeken van de Lutherse protestanten als een ketterjager geportretteerd, terwijl de katholieken natuurlijk juist een geloofsgetuige in hem zagen, die in 1935 dan ook officieel heilig werd verklaard. We hebben hier kortom te maken met een nog steeds raadselachtige historische figuur, die ook nu nog zijn voor- en tegenstanders heeft.

Afgelopen jaar gaf ik lezingen en cursussen over More en Utopia. Vaak leidde dat tot heftige discussies. Eén van mijn cursisten was zo door de controverses rondom zijn persoon gegrepen, dat hij bij het Vaticaan zelfs de processtukken over de heiligverklaring heeft opgevraagd. Klopte het verhaal over zijn jacht op ketters, en zo ja, hoe is men in Rome hiermee omgegaan?

Daar komt het supermysterieuze boekje Utopia, dat dus 500 jaar geleden verscheen, nog bovenop. Erasmus bewaakte het drukproces ervan. Daarom weten we dat de oorspronkelijke titel Nusquam was, 'nergens'. Dan duikt in de correspondentie tussen beide vrienden plotseling de schitterende vondst 'Utopia' op, dat tegelijk als 'eutopia', de goede plaats, en 'outopia', geen plaats, nergenshuizen, kan worden gelezen.

Ackroyd vermoedt dat Erasmus de titel heeft bedacht. Hoe dat ook zijn mag, het nieuwe begrip 'utopie' heeft sindsdien het westerse moderniseringsproces beslissend begeleid. Hoe zou de Europese geschiedenis zijn verlopen als het kleine boekje van More 'nusquam' zou zijn blijven heten, zodat duidelijk werd dat het zich nergens afspeelde of kon afspelen? Niet alleen voor de katholieken werd More een held, ook de marxisten zagen in zijn utopische schildering van een communistische maatschappij een voorloper van hun heilstaat; de naam van More is op een gedenkteken op het Rode Plein in Moskou te vinden.

Nog meer dan bij More zelf blijft het raadsel van Utopia ons zo vandaag de dag nog bezig houden. In het verleden was de betekenis ervan duidelijk: Utopia was simpelweg de eerste utopie. Daar wordt steeds meer aan getwijfeld. Ik heb het afgelopen jaar veel recente teksten over Utopia onder ogen gehad en het boek ook opnieuw intensief bestudeerd. Dat leidde tot een verrassende ontdekking: Utopia is geen utopie! We moeten de tekst eerder lezen in de lijn van De lof der zotheid van Erasmus, dat overigens tijdens een verblijf bij More geschreven werd en aan hem werd opgedragen. 'Als je wilt lachen, moet je Utopia lezen', schreef Erasmus aan een vriend.

Peter Ackroyd

Thomas More

****

Vertaald uit het Engels door Henny Corver, Pon Ruiter en Ineke van den Elskamp.

Polis; 504 pagina's; euro 34,50.

Non-fictie

Voluit lachen is gelukkig ook weer mogelijk bij de vertaling van de hand van Paul Silverentand, die twee jaar geleden verscheen. Hier is geen sprake meer van een filosofische ontdekkingsreiziger die op plechtige wijze zijn verhaal over een utopische samenleving vertelt. Hij heet Hythlodaeus, wat zoveel als kletsmajoor betekent. Maar wanneer je als vertaler die naam laat staan, lijkt het toch of hij indrukwekkende waarheden verkondigt. Silverentand noemt hem Babellario, een mooie vondst. Want hij babbelt maar door, soms ironisch, soms ronduit onzinnig, soms misschien ook bloedserieus. Je moet als lezer zelf je weg zoeken in de tekst die allesbehalve een eenduidige utopie is.

In elk geval is het zeker dat het voor More geen goede samenleving was. Hij zou er nooit in hebben kunnen wonen. Ik geef een klein voorbeeld. In Utopia hebben de huizen geen sloten; het is de bedoeling dat iedereen bij elkaar naar binnen kan lopen en kijken. Zelf hechtte More sterk aan zijn privacy. Voor boetedoening en meditatie sloot hij zich altijd op in zijn bibliotheek. In Utopia zou hij waarschijnlijk net zo aan zijn einde zijn gekomen als Spencer, het personage uit de utopische roman De cirkel van David Eggers, die de opgelegde totale maatschappelijke transparantie tevergeefs probeert te ontvluchten.

Wanneer ik toch Jeroen Bosch er met de haren bij mag slepen, is ook de vergelijking met diens Tuin der lusten interessant. Büttner, biograaf van Bosch, onderstreept dat we bij het middenpaneel van dit beroemde schilderij allerminst met 'een positieve utopie' te maken hebben. Het gaat eerder om een waarschuwing tegen onkuisheid en zedenverval die naar de hel leiden.

Misschien zag More delen van zijn Utopia op dezelfde wijze. We weten het gewoon niet, want, om het raadsel van Utopia nog groter te maken: de man die bij ons vooral bekend is als de auteur van Utopia heeft zichzelf niet als zodanig gezien en heeft er ook nooit op teruggeblikt. In het grafschrift dat hij voor zichzelf schreef, wilde hij herinnerd worden als een schrik voor ketters, maar niet als de schrijver van Utopia.

Tenslotte, More heeft zijn naam gegeven aan veel scholen, ziekenhuizen en andere instellingen. Is het anachronistisch om te stellen dat er toch ook nu van een zekere zelfcensuur sprake is, wanneer vanuit die hoek zijn gecompliceerde persoonlijkheid tot alleen maar een heilige wordt teruggebracht?

Zondagmiddag 25 september brengt het Nationale Toneel in de Rode Hoed in Amsterdam een scenische lezing van het toneelstuk Sir Thomas More. Na afloop is er een debat met denkers, onder wie Hans Achterhuis. rodehoed.nl

Van Hans Achterhuis verscheen deze week Koning van Utopia - Nieuw licht op het utopische denken (Lemniscaat; euro 14,95).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.