InterviewAck van Rooyen

Boy Edgar Prijs-winnaar Ack van Rooyen ís de Nederlandse jazzgeschiedenis

Zo ziet zeventig jaar jazzgeschiedenis eruit: een niet overdreven gegroefd gelaat, golvend grijs haar, met snappy jokes, gedoopt in Haags sarcasme.Beeld Eva Roefs

Op zijn 90ste krijgt bugel Ack van Rooyen de prestigieuze Boy Edgar Prijs. De Volkskrant dook met hem in zeventig jaar jazzgeschiedenis – zijn leven.

Ik zat in de auto en luisterde naar Ack van Rooyen. Het was mistig buiten en de bugel van de 90-jarige jazzgigant rolde een melancholisch tapijt uit: weemoedige tonen, strak en elegant gespeeld, zacht wiegend als boterjus.

Ik reed net zijn straat uit, in het Statenkwartier in Den Haag. Hij stond in de deuropening van het huis dat zijn ouderlijk huis was geweest, ooit had zijn vader het glas-in-lood er nog persoonlijk ingezet. Zijn stem was dun geweest, tijdens het gesprek, maar op deze net verschenen cd met de grote Belgische jazzgitarist Philip Catherine en de Duitse bassist Martin Wind is van haperende circulaire ademhaling niks te merken – wat een sound!

Tegen de gevel stonden twee fietsen, al een tijdje onaangeraakt; van hem en zijn vorig jaar overleden vrouw Barbara. Hij zei zo naar de supermarkt om de hoek te gaan, hij wist nog niet wat hij ging eten. Ook had hij zijn administratie bij elkaar geharkt, want er kwam een jongen hem helpen met zijn belastingaangifte. Kom maar, had hij gezegd telefonisch, voorafgaand aan onze ontmoeting. En toen hij eenmaal in de uitbouw zat, benadrukte hij grappend dat hij niet meer te vertellen heeft dan in de biografie op zijn website staat; je kunt het zo overnemen.

Ack van Rooyen in 1995

Hij had die lui de afgelopen tijd allemaal zien komen met hun vragen, nadat bekend was geworden dat hij de Boy Edgar Prijs had gewonnen, de belangrijkste jazzprijs van het land en die hem in december wordt overhandigd. Wat een heisa, vond-ie dat. Nee, hij stopt voorlopig niet met blazen, zei hij herhaaldelijk. Waarom zou hij? Dat kappen gebeurt vanzelf als hij omvalt. Nee, hij vindt niet dat hij de prijs al eerder had moeten hebben, hij gaat er niet van naast zijn klompen lopen. Noem het erkenning, en ja hoor, het doet ’m wel wat. Dat hij is uitgenodigd voor een lunch met de koning en koningin op Paleis Noordeinde, vond hij ook wel geinig. Maar de koning is natuurlijk niet van het niveau Dizzy Gillespie, de legendarische Amerikaanse jazztrompettist.

Ik keek naar hem, zo zag zeventig jaar jazzgeschiedenis eruit, een niet overdreven gegroefd gelaat, golvend grijs haar, met snappy jokes, gedoopt in Haags sarcasme.

Als je ziet met wie hij in al die jaren heeft gespeeld – de palmares van een grote blazer – dan is daar een eindeloze optocht van grootheden en miraculeuze talenten uit de jazzmuziek. Maar verwacht niet van hem dat hij dat de anekdotentrommel leeggooit, de sterke jazzverhalen aan elkaar rijgt, die rol ligt hem niet. Joh, je moet eens weten hoe relaxed al die vogels met elkaar omgingen, zei hij. Je zat met elkaar en je speelde, meer was het niet.

Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat hij als lid van een door Quincy Jones geleid orkest op Montreux speelde met Miles Davis, drie maanden voor diens dood in 1991. Of her en der met grootheden als Dizzy Gillespie, Clark Terry en Lee Konitz. Of voor de fijnproevers, met de Belgische blazer Jack Sels en de Franse virtuoos op saxofoon Barney Wilen.

In vogelvlucht, die zeventig jaar. Van harmonievereniging in Den Haag naar het Koninklijk Conservatorium, The Ramblers, Het Gelders Orkest, Boptet, Aimé Barelli and His Orchestra, Peter Herbolzheimer Big Band, WDR Big Band, The Dutch Jazz Orchestra, Metropole Orkest, The Skymasters, Süddeutscher Rundfunk Orchestra, Clark Terry and His Orchestra, Gil Evans Orchestra en de Clarke-Boland Big Band.

Hij was nooit zo’n blazer geweest die moest laten zien wat hij allemaal in huis had, met de borst vooruit, als de solist van dienst. Of met een naar hem genoemd combo dat ze wel even een poepie liet ruiken. Hij speelde wat er op papier stond in een orkest, daar werd hij voor ingehuurd. Als bandleider gigs regelen was niks voor Ack, en in zo’n bigband had je een vaste plek. Overzichtelijk, toch?

Als je een stukje muziek zelf moest meenemen, had-ie altijd wat liggen, een stuk of vijf zelfgeschreven nummers, zoals Autumn Bugle. Zijn broer Jerry, de befaamde componist en arrangeur Jerry van Rooyen (1928-2009), was de muziekschrijver van de familie, dat behoorde tot zijn takenpakket, met zijn superieur gehoor.

Zijn trompet en flügelhorn, ook wel bugel genoemd, had hij deze dag nog niet aangeraakt, en hij was dat ook niet van plan. Zomaar wat spelen voor het bezoek ging hij zeker niet doen; hij is toch geen kind aan wie je vraagt een trucje te doen? Hij speelt om te behouden, en niet om beter te worden. Als er iets op stapel staat, zoals laatst een optreden met het Metropole-orkest in Utrecht, speelt hij wat chops in de woonkamer, waar ook sinds het overlijden van Barbara zijn bed staat.

Ack had me bij het afscheid een zelfgebrande cd meegeven, met een foto van zijn stralende vrouw op de hoes. Op elf nummers is zij welluidend zingend te horen, veelal jazzstandards, begeleid door een orkest, opgenomen in de radiostudio in Stuttgart in de jaren zestig. Het zijn, voor zover bekend, de enige bewaarde opnamen van haar als solozangeres.

Hij was voorzichtig naar de schouw gelopen en had de ingelijste trouwfoto gepakt, al even behoedzaam. Daarop was de plaats en het jaar te lezen van hun trouwerij: Monte Carlo, 1960. Jazzmuzikant Kenny Wheeler had Barbara en Ack ooit toevertrouwd dat zij ‘het langste huwelijk in de jazz’ hadden, en daar had Wheeler een punt.

De huwelijksfoto van Ack en Barbara op de schouw in Den Haag.Beeld Eva Roefs

Ze zagen er geweldig uit, op de trouwfoto. Hij droeg een blauw pak, gemaakt door de kleermaker van Picasso en jazzfan Michel Sapone. Die had hij in Monte Carlo leren kennen. Het witte mantelpak stond zijn vrouw prachtig. Zijn getuige moest iemand geweest zijn uit het orkest van de Franse trompettist Aimé Barrelli. Daar speelde hij toen mee in The Sporting Club, een heel chique tent, herinnerde hij zich, met een garage vol Rolls-Royces.

Voor data moest je niet bij Ack zijn, maar hij wist nog precies toen hij haar voor het eerst zag, in augustus 1957. Hij speelde met The Ramblers in Konzert-Cafe Stadt Wien in München, en in de nazit raakte hij in gesprek met een beeldschone Amerikaanse zangeres. Ze heette Barbara Field en zong in het orkest van Holiday on Ice. Weken na de ontmoeting ging de telefoon in zijn Haagse huis; ze wilde naar Nederland komen. Nou, zei Ack grijnzend, dat bezoek heeft heel lang geduurd, ze bleven meer dan zestig jaar samen.

Barbara Field werd in 1934 als Fieldinski geboren in een kunstzinnig gezin in Long Island, New York. Haar vader, een Poolse immigrant, was kunstenaar en werkte als art director voor filmstudio Metro-Goldwyn-Mayer. In New York had Barbara jazzgitaarlessen gevolgd bij Billy Bauer, zingen had ze zichzelf aangeleerd. In de eeuwige swing vonden Ack en zij elkaar, en samen waren ze in de jaren vijftig in de stad die de jazz het meest omarmde, Parijs.

Wat een dolle tijd was dat, had hij gezegd, de jazz was overal. Ack zag zichzelf zo weer rijden in zijn oude Opel, afkomstig van een optreden in het orkest van Aimé Barelli in een vijfsterrenrestaurant nabij het stadspark Bois de Boulogne, op weg naar het centrum van de stad, naar de Mars Club om zijn vrouw af te halen. In deze hotspot voor de vroege uurtjes zong Barbara met het trio van de Amerikaanse pianist Aaron Bridgers. Alle jazzcats die ergens in de stad hadden gespeeld spoelden daar aan voor muziek en drank. Daar zag hij Billie Holiday en Louis Armstrong aan de bar staan, Bud Powell en Kenny Clarke.

Ack, Boyd Bachman en zijn broer Jerry.

Niemand leek toen te slapen, zei hij daarbij, en zo was het ook in West-Berlijn waar ze in de jaren zestig samen acht jaar zouden blijven; er was geen sluitingstijd. Ack had een vaste plek in de SFB Big Band en opende met de Amerikaanse muzikant Herb Geller een jazzclub. Met de drankinkoop hoefde hij zich niet bezig te houden, maar wel het boeken van artiesten. Barbara bleef zingen, daar en met vele jazzorkesten in West-Duitsland.

Toen ze eind jaren zeventig terugkeerden in Nederland, begon ze in te zien dat je niet je hele leven Someday My Prince Will Come kon blijven zingen, zei Ack, waarbij hij er lachend aan toevoegde dat ze die prins op het witte paard ook al had gevonden. Voor kinderen hadden ze bewust niet gekozen. Omdat ze als jazzechtpaar voortdurend onderweg waren, leek ze dat geen goed idee; telkens een nieuwe school of taal, of ouders die in niet al te luxe huizen wonen en geen tijd hebben. Barbara’s moeder had haar gewaarschuwd: doe het niet, het is voor jullie een te grote opgave.

Tijdens eens familiebezoek in New York ontdekte ze een nieuwe weg in haar leven, die van de esoterie en verdieping, die uiteindelijk in 1989 zou leiden tot de oprichting van de Rebalancing School voor Lichaamswerk en Bewustzijn. Haar broer, de fameuze dichter Edward Field, nam haar in Manhattan mee naar een dynamische meditatiesessie van Bhagwan Sri Rajneesh, later Osho geheten. Ze was onmiddellijk gegrepen. Net zoals de jazz hen verbond, ging dat ook op voor hun spirituele zoektocht. Ack deed met broer Jerry al aan yoga, en had met jazzbassist Ruud Jacobs een uitwisseling van spirituele boeken.

Hij vertelde vol levenslust over die vier keer dat hij met haar mee was geweest naar de Indiase stad Poona, waar de beweging rond Baghwan een nederzetting had. De sessies aldaar noemde hij geweldig, hij vond het zelfs vernieuwend en trof veel interessante mensen, maar daar bleef het bij. Zij werd wel een sannyasin, een volgeling van de goeroe, ging gekleed in oranje en bleef zich voor altijd Ma Deva Barbara noemen.

Hij wilde nergens bij horen, zei hij, zoals hij ook niet aan verdovende middelen verslaafd wilde zijn. Echt: hij heeft meerdere drugs geprobeerd – ja, zo ging dat in die jaren. Het was een tijd in de mode, zeker in de jazz, mensen wisten nog niet hoe verslavend het was. En vergeet ook de alcohol niet, minstens zo gevaarlijk, omdat er geen taboe op rust. Charlie Parker waarschuwde niet voor niks zijn fans om niet te gebruiken zoals hij, want je gaat er ook niet beter van spelen. Ack bleef nooit ergens in hangen. Met die middelen kwam je op een terrein dat je niet meer bereikbaar was, en dat paste niet bij hem.

Trouwens, hij was tijdens het gesprek nog even teruggekomen op Baghwan. Want namelijk ook niet voor de goeroe pleitte, was dat hij zich negatief uitliet over jazz. Het is geen muziek, had die gezegd, een paar gestoorden maken lawaai en denken dat het muziek is, terwijl alleen apen het begrijpen.

Godverdomme, dacht Ack toen hij dat las, ga je eens in jazz verdiepen, man. Hij zei het maar om te choqueren, was de verdediging. Nou, dat was ’m dan goed gelukt.

Ack en zijn broer Jerry in 1938.

Ken je de definitie van een perfectionist, had hij gevraagd. Niet wachtend op het antwoord: het is nooit goed. Zo was zijn Barbara, op het spirituele vlak; er was altijd meer. There must be more. Behalve dat ze op de tweede verdieping lesgaf in rebalancing, zette ze haar zoektocht voort, en Ack ging erin mee, tot op zekere hoogte. Soms was het beter als zij alleen reisde, zoals naar Oregon in Amerika, waar Baghwan een gemeenschap had opgericht.

Wel trokken ze gezamenlijk naar Canada waar ze primal-therapie deden, het uitschreeuwen om angsten en onderdrukte gevoelens ruimte te geven. Ook ging hij in de jaren negentig mee naar het tropisch regenwoud van Brazilië waar ze in een gemeenschap van de Santo Daime ayahuasca dronken. Wat hij ervoer, Ack van Rooyen, was het leegmaken van geest en lichaam, een verlichte toestand bereikte hij, een no-mind experience.

Dat heb je met spelen ook, zei hij ook nog, dat alles vanzelf gaat, zonder erbij na te denken.

Ack en Barbara

In 19 maart 2019 kwam er een einde aan het langste huwelijk in de jazz, Barbara van Rooyen overleed. Een voormalige rebalancing-leerling noemde haar ‘de koningin van het gouden touwtje’. Ack had er geen behoefte aan om te vertellen hoe moeilijk hij het had, een leven zonder haar. Bijna dagelijks belde hij met zijn zwager Edward (96) in New York, die alleen woont sinds zijn vriend is overleden. Ack was nu, anderhalf jaar later, in ieder geval de ontkenning voorbij. Hij zei het zo: het is leeg en het is een schrale troost dat zij deze ellendige coronatijd niet hoefde mee te maken. Het zou haar totaal hebben ontregeld, ze moest tussen de mensen kunnen zijn.

Op haar begrafenis heeft hij gespeeld. Maar toen ik vroeg welke song, zei hij met rode ogen dat we er nu genoeg over hadden gehad.

Terwijl ik de snelweg opdraaide, luisterde ik naar Reflections, het enige nummer waarop het jazzechtpaar samen is te horen, op de cd Duo’s & Trio’s with Ack van Rooyen. Barbara was toen 76 jaar. Het was een liveopname uit 2010, ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag, publiek gevierd in het Bimhuis in Amsterdam. Met het nummer reflecteerde de zangeres op haar leven, ‘op de eeuwige wals’. Eerst zong zij, zoals Ack haar tijdens onze ontmoeting had beschreven: supermuzikaal, toonvast en met een geweldige timing. Daarna volgde Ack met Chet Baker-achtig lyriek, rond, zacht, met een vocaal slotakkoord van Barbara.

Now at the end of my reflection

I have to say I would live life the same way

Het nieuwe album White Noise van Martin Wind, Ack van Rooyen en Philippe Catherine kwam in augustus van dit jaar uit. 

Bert Kaempfert

Ack van Rooyen maakte in de jaren zeventig deel uit van het Bert Kaempfert Orchestra, het fameuze gezelschap van de Duitse orkestleider en componist Bert Kaempfert (1923-1980). Op vele live-versies, te zien op YouTube, van Kaempferts onsterfelijke easy listeninghit, A Swingin’ Safari, is Ack van Rooyen als solist te horen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden