Bouwen voor een driftige groeistad De stille kracht van Gerlof en Abraham Salm

Vader en zoon Salm hoorden tot de gerespecteerde architecten van de late negentiende eeuw. Hun bankgebouwen, fabrieken en grachtenkasteeltjes gaven Amsterdam een kosmopolitische glans, maar in het tijdperk van Berlage viel hun gedistingeerde stijl in ongenade....

HET WAS EEN tijd van grote expansie. Overal in de stad klonk het lawaai van slopen en heien. Grachten werden gedempt en toegangswegen verbreed. Blokken woningen verdwenen voor nieuwe fabrieken, brouwerijen, banken en kantoren. Aan het eind van de vorige eeuw, toen het ingeslapen Amsterdam met de opening van het Noordzeekanaal de wereld weer ontdekte, veranderde de stad volkomen.

In betrekkelijk korte tijd verrezen aan de rand van het oude centrum complete nieuwe wijken. De oude binnenstad zelf gooide zich open met de aanleg van het Centraal Station, de verbreding van Damrak en Rokin en doorbraken langs de Rozengracht en Vijzelgracht. Vlakbij de Dam werd de nieuwe Beurs van Berlage gebouwd, het modernste gebouw van zijn tijd, statement van een nieuwe eeuw.

Het opengegooide centrum sierde zich met nieuwe winkels en winkelmagazijnen langs de Kalverstraat en Nieuwendijk. Aan de Dam werden de Bijenkorf, Krasnapolsky en Peek & Cloppenburg gebouwd, aan de verbrede Raadhuisstraat een moderne winkelgalerij en een nieuw hoofdpostkantoor. De gedempte Nieuwe Zijds werd een krantenstraat naar het model van Londens Fleet Street. Het verbrede Damrak en Rokin boden ruimte aan nieuwe kantoren, banken, drukkerijen en een kunstenaarssociëteit.

De bouwdrift beperkte zich niet tot het stadshart. Op de plek van de oude verdedigingswallen werd een chique stadsring aangelegd van Weteringschans en Sarphatistraat, waarlangs Hotel Americain, Amstelhotel en het Paleis voor Volksvlijt verschenen. In diezelfde periode werden het Rijksmuseum, Concertgebouw en het Stedelijk Museum gebouwd. Rijke stadswanden sierden de Weesperzijde en de Plantagebuurt. Op andere plekken langs die vroegere stadsrand verschenen sigarenfabrieken en suikerraffinaderijen, brouwerijen, diamantslijperijen, electriciteitsfabrieken en gashouders.

Veel van de architecten die toen bouwden, zijn vergeten geraakt in het lawaai van de baanbrekende modernistische stromingen die later volgden. We weten dat die beurs van Berlage was. Maar wie weet nog wie de Bijenkorf bouwde (B.A. Lubbers), Peek & Cloppenburg (A.J. Joling), het Magna Plaza-postkantoor (C.H. Peters) of Arti et Amicitiae (J.H. Leliman)?

Tot het vergeten leger architecten dat Amsterdam toen naar het voorbeeld van Haussmanns nieuwe Parijs een kosmopolitisch gezicht gaf, hoorden ook vader en zoon G.B. Salm & A. Salm GBzn. Hun gezamenlijk oeuvre beslaat een halve eeuw. Ze bouwden overal in die driftige groeistad; in het centrum en in de Plantage, aan de Sarphatistraat en langs de Weesperzijde, aan het Vondelpark en langs de Weteringschans, in alle oude en nieuwe delen van de stad.

Veel van hun gebouwen zijn in de geschiedenis opgelost. De meeste van hun sigaren- en broodfabrieken, suikerraffinaderijen en brouwerijen met hun ketelhuizen, mouterijen, ijskelders, paardenstallen en bottelarijen verdwenen met het stoomtijdperk waaruit ze stamden. De laatste schoorstenen die ze nog getekend hadden, werden opgeblazen in de stadsvernieuwingsdrift van onze jaren tachtig. De ontwerpsnelheid van een modegevoelig winkelbeeld vrat aan hun winkelontwerpen. Concentraties en fusies in het bankwezen deden hun oude bankgebouwen sneuvelen.

Weg zijn de Amstelbrouwerij aan de Stadhouderskade, de broodfabriek Ceres aan de Weesperstraat, het tramremise-complex op het Roeterseiland en de suikerfabrieken aan het Leidseplein.

Toch bepaalt nog altijd een deel van hun werk het gezicht van die toen nieuwe, modern-cosmopolitische negentiende eeuwse stad. Salm sr & jr waren de bouwers van de poptempel Paradiso, het Aquariumgebouw van Artis, de Wintertuin van Krasnapolsky, het sierlijke Loirekasteeltje aan de Herengracht, waarin sinds een paar weken het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) zetelt en van nog talloos meer, kenmerkende en gezichtsbepalende gebouwen.

Alleen wist niemand meer dat zij die ooit hadden gebouwd.

Onder de titel Bouwmeesters van Amsterdam is hun werk nu in het Gemeentearchief van Amsterdam aan de vergetelheid ontrukt. Sinds een paar jaar beschikt het Gemeentearchief over het tekeningenarchief van vader Gerlof Salm (1831-1897) en zoon Abraham Salm (1857-1915). De inventarisatie ervan is afgerond. Honderd jaar na het overlijden van Salm sr. krijgen ze - in een overzicht van hun prachtige presentatietekeningen, aangevuld met bouwtekeningen, documenten, foto's, meubel- en serviesontwerpen - de aandacht, die de architectuurgeschiedenis hen nooit gunde.

De Salms waren in hun jaren veelgevraagd en zeer gerespecteerd. Hun ontwerpen vielen in de smaak. Ze hadden niet de minste opdrachtgevers. Ze waren jarenlang huisarchitect van de Nederlandsche Bank en van Artis. Ze bouwden in een mooie, klassieke, aangenaam ogende, gedistingeerde stijl. Ze waren exponenten van het eclecticisme, de negentiende eeuwse stroming in de bouwkunst, die historische bouwstijlen uit alle tijden opnam in een nieuwe, elegante, eigentijdse vormgeving.

Hun werk gaf de stad aanzien, deed weer meetellen met grotere voorbeelden als Londen, Parijs en Berlijn. Hun werk maakt, honderd jaar later, vanzelfsprekend deel van het stadsbeeld uit. Zoals al die andere, naamloos geworden, gebouwen van hun collega's Van Gendt, Lubbers, Peters, Joling en Leliman.

Van de architecten uit die eeuw zijn weinig archieven bewaard gebleven. Ze publiceerden ook niet veel. Ze zetten hun gedachten en motieven niet op schrift, zoals Berlage wel deed. Wat er van hen rest is alleen de aanwezigheid van hun gebouwen in de stad, die een achteloze voorbijganger niet opvallen, omdat ze zo vanzelfsprekend zijn geworden.

Die negentiende eeuwse architectuur is aan een herwaardering toe. De aandacht voor de bouwstijlen van toen verdween al direct erna in het kabaal van afschuw dat de latere stijlgolven van de Amsterdamse School en het Nieuwe Bouwen erover afriepen. Ze werd, naamloos, in de geschiedenis bijgezet als zielloze opsmuk, niet getuigend van echte bouwkunst en visie, hoogstens ambachtelijk te waarderen.

De tentoonstelling, die vader & zoon Salm uit die anonimiteit licht, is ook een hartstochtelijk pleidooi voor een herwaardering van die bouwperiode en een correctie van het oordeel dat Berlage daar toen over afriep. Het pleidooi wordt in de tentoonstellingscatalogus aangevoerd door de kunsthistoricus Norbert Middelkoop en hoogleraar architectuurgeschiedenis Auke van der Woud, die Berlage verwijt dat hij bewust heeft bijgedragen aan een eenzijdig geschiedbeeld.

Berlage, luidt zijn oordeel, was een autoriteit, maar geen historicus. Hij was een architect met zakelijke en politieke belangen. Zijn strikte stijlopvattingen moeten wat dat betreft met een korreltje zout genomen worden. 'Zijn meningen over de negentiende eeuw kwamen niet voort uit een onbevooroordeelde weetgierigheid naar de omstandigheden van toen, maar uit de behoefte om zijn eigen werk, zijn persoonlijke architectuuropvatting te profileren.'

Met het herondekte werk van de Salms in de hand vraagt Van der Woud om een nieuw geschiedbeeld van de negentiende eeuw, waarin de architectuur de grote pluriformiteit terugkrijgt die ze toen had. 'Het is niet verstandig', zegt hij, 'dat architectuurhistorici zich blijven concentreren op vijftig jaar neogotische kerkbouw en het Rijksmuseum en de architectuur van winkels, warenhuizen, restaurants en talrijke andere bedrijfsgebouwen, villa's en herenhuizen verwaarlozen.'

Juist in die bouwtak waren de Salms gespecialiseerd. Hun archief, dat niet compleet is maar toch een goed overzicht van hun werk biedt, vouwt die verloren geraakte bouwgeschiedenis weer open. Vader Salm begreep de geest (en de vraag) van zijn tijd en begon in die bij opdrachtgevers geliefde stijl te bouwen. De zoon, die een tijdlang van zijn vader in het hernieuwde Parijs had mogen rondkijken, zette dat voort en paste het aan.

Er zit een aandoenlijk smeekbede van zoonlief in het archief om naar Parijs te mogen gaan, tegen de achterdocht van vader voor die wufte stad. 'Stel ik ben in mijn vrijen tijd', schreef zoon aan vader, 'welnu, ik kan 't heele jaar door in Parijs telkens nieuwe straten wandelen en elke wandeling brengt interest op. Ga ik eens een enkel keer naar comedie of zoo iets, dan wordt 't stuk bijzaak en 't gebouw hoofdzaak.'

De Salms gaven, met al die andere vergeten architecten, Amsterdam een nieuw gezicht. Je kan er, gezien het futuristische statement van Berlage's Beurs, schouderophalend aan voorbijgaan. Maar ze bepalen nog altijd, in hun onopvallende aanwezigheid, het stadsbeeld. Misschien is dat hun stille kracht.

Vader en zoon ontwierpen Artis een deel van de statige Plantage en Weesperzijde. Ze bouwden drie kerken en twee synagoges, waarvan Paradiso en de Keizersgrachtkerk de markantste zijn. Overal in de toenmalige stad is hun handschrift nog te lezen.

Een van die grachtontwerpen springt er uit, het naar een Loire-kasteeltje gemodelleerde dubbelpand waar sinds vorige maand het RIOD zetelt. Het opvallende ervan zal aan de opdrachtgever gelegen hebben, een puissant rijke Deli-planter in ruste voor wie niets te veel was. Salm jr. bouwde het grachtenkasteeltje, maar eerde er wel zijn vader nog mee door in de rijke ornamentiek van de zandstenen gevel een speels stamwapen van twee gekruiste zalmen te hakken.

Hij ontwierp niet alleen het gebouw, maar ook het complete interieur dat grotendeels, hoewel het gebouw vele functies heeft gehad, bewaard is gebleven. Het RIOD is er zeer verheugd mee, om vele redenen. Het ziet, met een knipoog, vele parallellen in de geschiedenis van het gebouw met zijn eigen bestaansgrond.

Het tabaksplanterskasteel werd voor de oorlog bankgebouw en kreeg een kluizenkelder, die nu een ideale archiefruimte bleek te zijn. Na de oorlog zetelde er een tijd een Tribunaal van de Bijzondere Rechtspraak, daarna werd het aangekocht door het ministerie van Financiën, dat er het Grootboek van de Nederlandse Schuld vestigde, een betiteling die het RIOD wel aanspreekt.

Het is een ongekend rijk versierd huis, waar heel die huisstijl van de Salms in terug te vinden is. Ornamenten in het weelderige trappenhuis verwijzen naar gevelversieringen elders in de stad, lichtkronen naar gevelkrullen, lambrizeringen naar erkerontwerpen. Heel het kunnen van Salm jr. komt hier samen - tot in de details van plafondschilderingen, deuromlijstingen, glas-in-loodontwerpen en een bizar groots marmeren bad, dat via balkondeuren uitzicht biedt om de immense hal - en vindt het hoogtepunt in zijn gevoel voor ruimte in het trappenhuis en de hal.

Het is, in dit familieoeuvre, een uitzondering. Het opvallende van het werk van vader & zoon is juist dat het zo weinig opvalt. Ze gaven, op een bijna vanzelfsprekende manier, op vele plekken de negentiende eeuw een harmonieus gezicht in een zeventiende eeuwse stad.

Bouwmeesters van Amsterdam, G.B. Salm en A. Salm GBzn. Gemeentearchief Amsterdam, Amsteldijk 67, tot en met 30 november. Catalogus ¿ 49,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden