Boris en mijn schaduw

In het boek Jeugdhelden beschrijven 25 auteurs de fascinatie uit hun jeugd voor een bepaald persoon. Boris Becker, en zijn service....

Michiel de Hoog

In 1988 was ik voor het slapen gaan bang voor inbrekers, wilde ik dat mijn ouders hetzelfde vonden als ik, en praatte ik televisiecommentatoren na. Dat laatste deed ik het meest.

Wij woonden in Duitsland, dus het ging om Duitse televisiecommentatoren. Ik leerde woorden als Glanzparade, Supersaison, Flügelflitzer, en nog veel meer. Dus toen ik de trainer van de E’tjes belde om te vertellen dat hij me als keeper nu toch echt het volledige vertrouwen diende te geven, hij niet thuis was en ik zijn vrouw aan de lijn kreeg, legde ik haar dan maar uit dat ik de Nummer Eins moest zijn, en niet die andere dikke jongen die wilde keepen.

In de eerste week van december waren de Duitse televisiecommentatoren en ik optimistisch gestemd over de vorm van Boris Becker. Die week deed hij mee aan het Masterstoernooi, en Becker was weer helemaal de oude. Becker was een beetje van slag geweest, vonden de media (en ik), want hij had twee maanden geleden een wedstrijd verloren. Maar nu was er iets veranderd. Hij had geen ruzie meer met zijn coach, had al twee wedstrijden op rij geen woedeaanval meer gehad, en hij had een nieuwe vriendin met kort haar die advocaat ging worden.

Ik had de opgewekte reportages die week al een keer of negen op televisie gezien. Ik zei tegen mijn vader: ‘Hij heeft rust in zijn privéleven, en dat zie je natuurlijk terug in zijn prestaties op de baan.’

Mijn vader keek mij allang niet meer verbaasd aan. Eerder had ik hem al eens een college gegeven over de hoge cijfers die Steffi Graf ondanks al haar gesport toch had gehaald op de middelbare school. En zo verklaarde ik nog meer dingen over Becker, tot twee uur later de wedstrijd begon. Becker speelde tegen Henri Leconte, op een blauwe tennisbaan, en won het eerste punt met een backhand langs de lijn. Mijn vader zei: ‘Keurig, Becker.’

Hij had nog nooit zoiets gezegd. Als er een voetbalwedstrijd op televisie was en ik hem vroeg voor wie hij was, zei hij altijd: ‘Voor degene die wint’, of: ‘Voor de beste’, of dat het hem niets uitmaakte. Ik kon daar niet tegen. Ik wilde dat hij ook voor iemand was, en dat het dezelfde was als voor wie ik was.

Maar nu zei hij: ‘Keurig, Becker.’ Hij sprak de eerste lettergreep lang uit, met een toon die goedkeuring van de backhand inhield. Ook sprak eruit dat hij niet had verwacht dat Becker deze bal zou slaan, en tegelijkertijd zat er een bevestiging in, van mij en mijn held, in één lettergreep. Dat was knap van mijn vader.

Boris, de Duitse televisiecommentatoren en ik hadden hem overtuigd. Het voelde als een compliment; ik had mijn best gedaan voor mijn favoriet en mijn vader gaf zijn goedkeuring. Ik kreeg er kippenvel van. Vanaf die dag was Becker definitief mijn held.

Het belangrijkste onderdeel van mijn Becker-verering in de komende jaren was het nadoen van zijn servicebeweging.

Die gaat ongeveer zo. Becker staat aan de baseline, met een bal in zijn linkerhand. Hij steekt met zijn rechterarm zijn racket iets vooruit, en haalt hem terug tot achter zijn lichaam. Als het racket langs zijn heup komt, laat hij de bal in zijn linkerhand, die hij iets voor zich had uitgestoken, op de grond stuiteren. Dit is zo getimed, dat de bal terugkomt in de hand vlak voor het moment dat het racket weer terug is gekomen voor het lichaam. Op dat moment zet hij de bal met zijn voorste vingerkootjes tegen het hart van het racket.

Deze vloeiende beweging gaat verder door het racket, met de bal tegen het hart, naar voren te steken. Hij maakt een wiegende beweging met racket en bal, net als daarvoor, toen hij het racket naar achter stak, maar dan korter – de bal blijft immers tegen het rackethart aangeduwd. Terwijl deze wiegende beweging zich afspeelt, schuifelen de voeten van Becker in de juiste positie. Als de voeten goed staan, steekt hij het racket, met de bal nog steeds tegen het rackethart, voor de laatste keer naar voren – hoger dan de eerste keer, hoger dan de twee of drie wiegjes, alsof hij een aanloopje neemt om de arm sneller terug te laten keren. Als het racket terugkeert bij de heup, verlaat de hand het rackethart, om de bal op te gooien, terwijl de linkervoet bij de tenen omhooggaat en iets van de baseline af wordt neergezet, tot bijna parallel.

Tegelijkertijd met het opgooien van de bal draait Becker zijn lichaam weg van de baseline. Maar hij let alleen op de bal, die hij van rechts van zijn lichaam naar iets linksvoor ervan gooit, en buigt zijn knieën als de bal zijn hand verlaat, als een veer inkrimpend.

Als de bal zijn hoogste punt bereikt, zet Becker de slag in – de veer ontspant. Hij slaat de bal terwijl hij omhoog en naar voren springt, zijn romp weer van het publiek afgekeerd, richting de tegenstander, een beweging die slecht moet zijn voor zijn ruggengraat. Zijn rechterbeen eindigt voor de linker, zodat hij eigenlijk een enorme sprong heeft genomen.

Het imiteren van deze beweging bracht nadelen met zich mee. De meest in het oog springende daarvan was dat ik jarenlang tenniswedstrijden verloor.

Die servicebeweging was namelijk zo moeilijk, dat ik de bal amper nog goed kon slaan. Ik brak mijn rug bijna. Ik gooide de bal veel te ver naar links, zo ver, dat ik er eigenlijk nog maar net bij kon. Maar een Becker-service moest hard zijn, dus ik kromde mijn rug nog wat verder zodat ik ook kracht kon zetten.

Richting geven aan de bal was niet meer aan de orde. En het gebeurde vaak dat ik na het slaan van de bal tegen mijn rechterscheenbeen sloeg, omdat ik net zoals Becker wilde opspringen.

Zelfs als de bal in het servicevak belandde, verloor ik het punt meestal. Net als Becker rende ik na het serveren meteen naar het net, en als ik de eerste volley al terug kon slaan, sloegen ze die bal dan weer langs me. Het handjevol punten dat ik in de stijl van Becker wel won, vond ik dan weer zo mooi, dat ik volhardde in de tactiek. Verder zou de fysiotherapeut later zeggen dat mijn rug aan het vergroeien was.

Het voordeel was dat ik op Becker leek. Ik eerde mijn held in het openbaar, getrainde ogen zouden Becker in mij herkennen. Als mensen naar mij zouden kijken, zouden ze moeten denken aan Becker. Nu was het dus zo dat ik niet zoveel wedstrijden won, dus gebeurde het ook niet heel vaak dat er mensen naar mijn wedstrijden keken.

Maar op die vervelende situatie had ik wat bedacht: ik ging iedereen vragen om naar mijn servicebeweging te kijken. Als vriendjes vroegen of ik postzegelverzamelingen kwam vergelijken of kwam computeren vond ik dat goed. Tussendoor vroeg ik altijd wel een keer: ‘Wil je mijn servicebeweging zien?’ Ik kan me niet herinneren dat iemand daar ooit ‘ja’ op antwoordde. Ook kan ik me niet herinneren dat ik de beweging daarop niet alsnog voordeed.

Eén keer riep een oudere zus van een buurjongen meteen spottend: ‘Haha, net als Boris Becker!’ Ze vond Becker maar een eikel. Altijd verdedigde ik Boris Becker tegen mensen die hem maar niks vonden, maar deze keer niet.

‘Vind je?’ zei ik, voordat ik gelukkig naar huis ging.

Niet populair

Niet populair
Hij bezette in mijn leven algauw een plek die niet meer door anderen in te nemen was. Agassi was cooler, Edberg speelde aanvallender en Ivanisevic serveerde harder. Pete Sampras was zelfs beter. Het was allemaal waar, maar ze waren niet Boris Becker.

Niet populair
Later, toen we naar Nederland terugverhuisden, was het bovendien fijn dat Becker niet populair was. Dat was voor mij juist weer reden om voor Becker te zijn – want net als hij was ook ik anders, uiteraard. Hij won niet zo vaak dat veel mensen hem bewonderden, en ik hem met veel anderen moest delen. Het ging juist heel vaak slecht met hem, zo leek het. En na een tijdje kwam hij dan geweldig terug, en versloeg hij iedereen. Net als ik, dacht ik. Misschien word ik wel gepest op school, maar wacht maar. Wacht maar.

Niet populair
Becker werd meer dan een tennisser. Mijn ouders zeiden dat als Becker won de televisiecommentatoren het over de Duitser hadden, en als hij verloor over Becker. Ze wilden daarmee iets zeggen over mijn oude vrienden, de Duitse commentatoren, maar ik zag er vooral de tragiek voor Becker in. Nóg zwaarder had mijn held het.

Niet populair
Hij had ook een donkere vriendin, en had met haar naakt voor een blad geposeerd. Dat vond ik maar vreemd, maar ik stemde wel in met het oordeel van mijn ouders dat het moedig was van Becker om in Duitsland met een donkere vrouw te gaan (in die tijd dacht iedereen nog dat Nederland het toonbeeld van tolerantie was). Er waren altijd genoeg redenen om Becker te imiteren.

Niet populair
Regelmatig sloeg ik in onze huiskamer een mimebackhandreturn langs een door de voortuin opstormende Stefan Edberg, of serveerde ik bij 7-7 in de tiebreak van de vijfde set tegen Ivan Lendl en plaatste ik ter hoogte van de eettafel een dropvolley. Vaak was dat niet nodig, omdat ik meestal aces serveerde als ik Becker nadeed. Soms sloeg ik echter de eerste service in het net om daarna, onder druk, een onverwacht scherpe tweede te serveren, en de zwakke return makkelijk weg te volleren. Zoals ik het Becker zo vaak had zien doen.

Niet populair
Mijn loyaliteit was onbeperkt. Maar er waren wel eens problemen. Als hij reclame maakte voor Mercedes, vond ik Mercedessen de beste auto’s. Als dan na een paar maanden bleek dat hij zijn contract niet had nageleefd door in Porsches te rijden, was ik in verwarring. Ik had altijd gedacht dat Mercedessen de beste auto’s waren, want Becker maakte er reclame voor, en hij was in zijn alomvattende echtheid een type dat geen reclame zou maken voor dingen die hij zelf niet zag zitten. Dat dacht ik.

Niet populair
Een ander probleem was dat hij eens op het trainingscomplex waar ik zelf twee keer per week trainde, was geweest. Een zwart-witfoto aan de muur bewees het. Met een zwart leren jack liep hij langs diezelfde muur. ‘Boris Becker, 1986’, stond eronder. Ik kon het wel wegredeneren: dat foute jasje had hij vast geleend van iemand omdat hij hier haastig heen was gekomen. Waarom hij op het complex was geweest waar ik ook elke week kwam, kon ik niet verklaren. Het was gelukkig lang geleden, zo’n vijf jaar, maar toch: wat had Boris Becker in Valkenswaard te zoeken?

Niet populair
Het vele trainen had overigens niet zoveel resultaat. Ik werd wel beter, maar de anderen werden sneller beter. Ik was eigenlijk meer bezig met het vormen van littekenweefsel bij mijn ruggengraat dan met beter leren tennissen.

Woedend

Woedend
Dat ik helemaal niet op Becker leek, ontdekte ik in 1994.

Woedend
Het was eind juli, mijn tennisvriendje van 2 meter 10 en ik waren op de club. Een jaar eerder waren we bevriend geraakt toen me opviel dat hij de Spaanse tennisser Alberto Berasategui nadeed. ‘Hee!’ riep ik. ‘Berasategui!’ ‘Ja!’ riep mijn nieuwe vriendje terug.

Woedend
Die dag in juli hadden we een uur of zes staan spelen, toen ik bedacht naar mijn schaduw te kijken terwijl ik serveerde. De zon had sinds de ochtend vrij recht boven ons gestaan, het was een uur of vier en de schaduwen werden iets langer, maar tekenden zich af op het gravel. Misschien dat ze me daarom opeens opvielen, en ik naar mijn schaduw ging kijken.

Woedend
Al na enkele bewegingen zag ik het: ik leek helemaal niet op Boris Becker. Dat kon niet kloppen. Waarschijnlijk had ik het verkeerd gezien of was ik niet geconcentreerd genoeg bij het serveren. Ik serveerde nog een keer, en weer leek het er niet op. Ik was verdrietig en woedend en moest een beetje huilen, maar ik wilde me niet aanstellen, al was er wel iets verdrietigs gebeurd. De beweging die de hoeksteen was van mijn heldenverering was weggevallen. In plaats daarvan smeerde ik mijn gezicht in met een plukje van een conifeer, om mezelf te straffen door de ellende te vergroten.

Woedend
Ik bleef het proberen. Vier uur later was ik op de lijn van ‘helemaal niet zoals Boris Becker’ naar ‘exact zoals Boris Becker’ een stuk opgeschoven, tot dicht bij het punt ‘bijna een heel klein beetje lijkend op Boris Becker’. Dat was niet ver genoeg. We stopten twee uur eerder dan gepland met tennissen. Mijn maat van 2 meter 10 begreep het. Voordat hij Berasategui had gevonden, had hij drie jaar vergeefs geprobeerd Medvedev na te doen.

Woedend
Die nacht kon ik niet slapen. Ik haatte mijn schaduw, en mezelf.

Woedend
Al die jaren had ik voor niets geoefend. Pas nu wreekte zich dat ik nooit had geoefend voor de spiegel. Dat had ik vermeden, omdat ik vermoedde dat ik niet genoeg op Boris Becker zou lijken om mezelf tevreden te stellen. Zonder de spiegel kon ik urenlang Becker zijn.

Woedend
Dit bleek nu echter onterecht. Ik had mezelf jarenlang wijsgemaakt dat ik op Becker leek, en bij de eerste keer dat ik het controleerde, bleek het niet waar.

Woedend
Dat almaar verliezen begon ook wel te vervelen, en als ik er toch niet uitzag als Becker, dan zou ik best iets anders kunnen proberen – hoewel er met de forehands van Becker en mij niets mis was.

Woedend
Dus probeerde ik Sampras, Forget, Chang, Agassi, Stich (daarmee kon je hard serveren), Rosset, Bruguera, Haarhuis, Medvedev, Ivanisevic, Krajicek, Courier (zijn forehand werkte goed), Ferreira, en Magnus Larsson.

Woedend
Maar het meeste succes had ik met Stephanie Rottier (ik probeerde van alles). Zij had de gewoonte om de bal iets links van haar op te gooien, waardoor ze de bal naar rechts gooide.

Woedend
Mijn rug deed niet meer pijn. Ik won een toernooi, en de week erna speelde ik het toernooi van mijn eigen club. Daar waar mijn Becker-imitatie niet op waarde werd geschat. Ik haalde de finale, op diezelfde baan waar ik een jaar eerder nog een conifeer in mijn gezicht had gewreven. Onze dominee keek toe hoe ik Stephanie Rottier nadeed en hoe ik – bijna – won.

Woedend
Later dat seizoen won ik nog twee toernooien. Een geweldig seizoen dus, maar er klopte iets niet. Ik denk dat ik niet wilde lijken op een Nederlandse tennisster met rode blosjes op haar wangen. Nu deed ik haar niet zo nauwgezet na, zoals ik Becker dacht na te doen; ik probeerde mannelijkheid in die beweging van haar te stoppen. Maar het was wel met haar in gedachten, dat ik veel beter speelde dan ooit. En dat was gewoon niet cool genoeg. Stephanie Rottier. Best leuk hoor, ongekend succes en zo, maar dit kon dus niet. Drie maanden later stopte ik met tennissen.

Loopje

Loopje
In 2003 besloot Becker om weer eens mijn richting op te komen. Ik moest erheen voor mijn werk, maar had er eigenlijk geen zin in. Het kon alleen maar tegenvallen.

Loopje
Het viel tegen, en ook weer niet – ik heb er geen bijzondere herinneringen aan. Het was hem echt, bij de persconferentie, en ik was er ook, op de derde rij, veinzend dat mijn opnameapparaat het niet deed.

Loopje
Op de baan bewoog hij nog als altijd, met hetzelfde loopje, hetzelfde kuchje, dezelfde manier om ballen te vragen aan de ballenjongens, en de geconcentreerde blik in de verte. En natuurlijk was er nog zijn service. Vrijwel onveranderd, alleen wat minder wiegbewegingen, waarschijnlijk omdat hij ook wel begreep dat hij niet meer al te serieus moest ogen. En plots zag ik – niet heel goed zichtbaar, maar toch: terwijl Becker serveerde, leek zijn schaduw niet op hem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden