Bop zonder vrees

Bud Shank, was dat niet die lievige West Coast-dwarsfluitist? Vorig jaar verraste de 72-jarige studioveteraan met een zinderend optreden in Amsterdam....

HET WAS zo'n avond die elke Nederlandse jazzfan kent: het Rein de Graaff Trio treedt op met Amerikaanse gastsolisten - in dit geval de West Coast-saxofonisten Pete Christlieb en Bud Shank. In het publiek heersten de gemengde gevoelens die vaak bij zo'n avond horen: dankbaarheid dat De Graaff toch maar weer zo'n tour organiseert, en spijt dat zijn trio de solisten nooit eens echt achter de vodden zit.

Op dit West Coast Wailers-concert - 1 oktober 1998 in Amsterdam - klonk Christliebs tenor comfortabel, maar zonder verrassingen. De West Coast-sound geldt niet voor niets als de soundtrack van het relaxte Californische leven. Bud Shanks zangerige dwarsfluit leverde in de jaren vijftig een belangrijke bijdrage aan die stijl. Maar wie iets dergelijks verwachtte van zijn optreden met De Graaff, kreeg een schok: Shank speelde uitsluitend altsax, en elke solo was: wow!

Shanks spel refereert aan de bebop, maar in Amsterdam had zijn spel een originaliteit en frisheid die je nog maar zelden in die stijl hoort. Zijn lijnen pasten netjes in de akkoorden, maar zaten vol rare hoeken, zonder een enkel bopcliché. Hij liet zijn zinnen op onverwachte plaatsen beginnen en eindigen, zijn klank en timing waren glashelder, en alles klonk alsof hij het ter plekke verzon. Het was het geluid van iemand die de trossen los gooit, zonder vrees. Voor wie wist dat Shank 25 jaar in de Hollywood-studio's doorbracht - een plek die jazzmusici doorgaans hersendood verlaten - was de vreugde in zijn spel dubbel aanstekelijk.

Bud Shank herinnert zich die avond in oktober, maar niet als een erg bijzondere. Het was het eerste uit een rij van veertien concerten, hij was net geland en moest nog wennen aan het tijdverschil en de andere muzikanten. Later in de tour ging het pas echt goed, zegt hij.

Toen hij na de tour met De Graaff weer thuis zat in Seattle, kwam er telefoon uit Amsterdam. Huub van Riel van het Bimhuis confronteerde hem met een 'uitdaging', zoals Shank het noemt. Voelde hij ervoor op 15 april met pianist Misha Mengelberg, bassist Ernst Glerum en drummer Han Bennink op te treden?

'Ik zei: hell yes.' Kent hij het drietal? Niet echt, nee. Weet hij dat Han Bennink nogal luid kan zijn? 'That's okay.' De 72-jarige Shank is een snelle prater. Hij heeft een volle witte baard en een waterval van wapperend wit haar: een West Coast-Sinterklaas.

'Ik houd van avontuurlijke ritmesecties. Ik heb veel met Stan Tracey (een Monk-achtige pianist) gespeeld in Londen, en pas me makkelijk aan mijn omgeving aan, al sinds ik met gitarist Laurindo Almeida speelde.' Dat is Bud Shank in een notendop: zeker van wat hij kan, en in staat zich aan te passen aan anderen .

Een nieuwe heruitgave op vijf cd's van Pacific-Jazzopnamen uit 1956-'61 met Shank als leider, valt op door het ontbreken van typische West Coast-trekken: geen ragfijne, in contrapunt spelende blazers, geen bleke, vriendelijke melodietjes, geen lichte, beleefde swing. Shank speelt hier pure bop, op alt althans (de fluit laten we hier maar buiten beschouwing). Maar zodra Shank werkte met vrienden uit Los Angeles als arrangeur Shorty Rogers en tenorist Bob Cooper, werd hij meegetrokken in de West Coast-richting. Met Cooper speelde hij zelfs duetten op fluit en hobo.

Een andere heruitgave uit de jaren vijftig, van sessies met topsaxofonist Bill Perkins, bewaart heel precies het midden tussen cool en hot. Shank is een snelle lezer, en zijn smetteloze techniek heeft geen enkele moeite met het veeleisende materiaal. Indien nodig laat hij zijn spel een paar graadjes in temperatuur zakken, zoals in zijn opnamen vanaf 1952 met de klassieke gitarist Almeida.

In deze stukken speelt Shank geen bossanova (die moest nog worden uitgevonden), maar de Brazilianen die een paar jaar later die stijl introduceerden, waren onmiskenbaar door deze en andere West Coast-platen geïnspireerd. Zoals Shank zachte saxlijnen als een zuchtje over Braziliaanse ritmen laat zweven, en soms over simpelere akkoorden solieert dan onder de melodie liggen, zo steken ook Stan Getz' bossanova-hits van rond 1962 in elkaar. Getz maakte zijn eerste bossanova-plaat op advies van de gitarist Charlie Byrd, en reken maar dat Byrd die Shank/Almeida-stukken kende.

Shank: 'Misschien is dat zo. Ik heb er nooit over nagedacht. Ik heb later veel met Byrd gespeeld, maar dáár hadden we het nooit over. Het eerste kwartet met Laurindo Almeida was trouwens een idee van Harry Babasin, de bassist. Als iemand de bossanova heeft bedacht, dan is hij het.'

Zoals veel grote namen van de West Coast-jazz, kwam Shank oorspronkelijk van de oostkust: hij groeide op in Ohio en North Carolina. Als kind speelde hij klarinet, en op zijn twaalfde, voor hij op altsax begon, besloot hij dat hij muzikant wilde worden. Maar op de universiteit stapte hij toch over van muziek op bedrijfskunde - de beste beslissing die hij ooit nam, vond hij later. (Zijn stomste zet was, naar eigen zeggen, het afslaan van een aanbod van Duke Ellington, omdat hij het te druk had met andere zaken. Dat was in de jaren zestig, toen jazz nog nauwelijks verkocht, hij blij was met zijn studiobaan en platen vulde met flauwe fluitversies van California Dreaming en andere popsongs.)

Vlak voor hij naar de West Coast vertrok, in 1947, leende hij honderd dollar van zijn vader en kocht hij een dwarsfluit. Het was het begin van een veertigjarige, diepe ambivalentie. De fluit verzekerde hem van werk in de studio's, maar werd ook een soort reserve-apparaat. Als hij tijdens concerten het gevoel kreeg dat het publiek er niet helemaal bij was, zorgde hij met een fluitsolo dat ze weer wakker werden.

'Ik ben heel vaak voor fluitsolo's in de platenstudio gevraagd - wat niet nog betekent dat het goeie platen opleverde, of dat ik er plezier in had. Ik heb geen hekel aan de dwarsfluit, maar de kwestie is: is het een echt jazzinstrument? Ik vraag het me af.

'In de jaren tachtig vond ik dat ik een besluit moest nemen. Ik wilde altsax spelen, maar voor fluit moet je elke dag twee uur studeren. Daarom stopte ik in 1985. De twee uur extra studietijd investeerde ik voortaan in de altsax. That made a hell of a lot of difference. De vraag was simpel: hoeveel uur heeft een mensenleven, en hoe maak je er het beste van?'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden