Boksen, literatuur en Myriam

WAT WETEN WE van Paul Smaïl? Vrijwel niks. We weten alleen dat achter dit Europees-joods-Arabische pseudoniem een Franse schrijver schuilgaat....

Fred de Vries

Smaïl wil zijn dubbele identiteit behouden. Het gaat om het woord, niet om de schijnwerpers. 'Ik wil dat men mij puur op wat ik schrijf beoordeelt', legde hij uit in een brief aan zijn uitgever.

Een verkooptruc? In Frankrijk dacht men aanvankelijk van wel. Mede dankzij het waas van geheimzinnigheid rond Smaïl werd zijn debuut in 1997, Vivre me tue, een bestseller. Het wakkerde de nieuwsgierigheid verder aan. Maar de schrijver bezweek niet onder de druk. Integendeel. Hij gebruikte de misvattingen, speculaties en roddels over zijn persoon als literair middel in zijn tweede roman Casa, la casa. 'Daar, in de schijnwerpers van de pers', foetert hij in het boek, 'ben je geen schrijver, je bent - lichte nuance - een makaak die schrijft. En men wil je gebruiken, je dingen laten zeggen die je niet denkt. Je manipuleren. Je wordt de moor die in is, de moor van dienst, de mediamieke moor.'

Wat we van hem mogen weten, weten we uit zijn werk. Smaïl heeft drie autobiografische romans geschreven, waarvan er inmiddels twee in het Nederlands zijn vertaald. Hij presenteert zich daarin als een jonge (5 mei 1970) Parijzenaar van Marokkaanse afkomst, een wat melancholieke romanticus die verknocht is aan de armoedige immigrantenwijk Barbès, niet ver van Montmartre. Hij heeft drie grote passies: boksen, literatuur en Myriam, zijn 'joodse prinses'. Tot hij wordt ontdekt als schrijver, werkt hij als portier in de rosse buurt Pigalle, als pizzakoerier en als verkoper in een boekenzaak van een racistische Française.

We komen ook een en ander te weten over zijn familie. Een grootvader sneuvelde in de oorlog voor Frankrijk. Zijn vader werkte zich als immigrant uit de naad voor de Franse spoorwegen en stierf aan kanker. Een oom werd in 1961 tijdens een pogrom tegen de Arabieren in Parijs vermoord. En zijn jongere broer blies zijn lichaam op met anabole steroïden en overleed - ontroerend beschreven in Vivre me tue (vertaald als Leven doodt mij).

In deze opsomming ligt een kleine eeuw Frans (post)kolonialisme besloten. De verhouding tussen Frankrijk en zijn Noord-Afrikaanse ex-koloniën is altijd op zijn best moeizaam geweest. De wonden van de Algerijnse burgeroorlog met ruim een miljoen doden etteren nog altijd na. Tunesiërs, Marokkanen, Algerijnen, één pot nat voor de Fransen. Allemaal potentiële criminelen. In de voorsteden verblijven tienduizenden beurs (een geuzennaam voor tweede generatie Maghrebijnen, een verbastering van arabes) die geheel voldoen aan het clichébeeld van kansarme jongeren die worden geconfronteerd met diep ingesleten racisme en zich te buiten gaan aan geweld, misdaad en drugsgebruik.

Smaïl schrijft daarover, maar zijdelings, en niet op de geijkte manier. Zijn boeken zijn geen variatie op de succesvolle voorstadfilm La haine. Je komt in zijn werk wel de Algerijnse tragedie tegen, de fundamentalisten, het Franse racisme, de uitzichtloosheid, maar de verhalen spelen zich niet af rond de torenflats aan de randen van de stad, waar nihilistische rap over lege pleinen schalt en de hopeloosheid voorgoed heeft gezegevierd. Hij heeft een lichtvoetige, postmodernistische stijl (twee blanco bladzijden waar het een intiem moment met Myriam betreft). Ze past perfect bij de zware onderwerpen die hij, vaak terloops, aansnijdt. Hij is wars van politieke correctheid en van het geneuzel van de generatie van '68. De stoet geëngageerde intellectuelen, met Bernard-Henri Lévy voorop, krijgt er net zo subtiel van langs als zijn eigen hypocriete 'landgenoten' en de Arabische mentaliteit.

Casa, la casa gaat verder waar Smaïls debuut ophield. In het laatste hoofdstuk van Leven doodt mij vertrekt Paul naar Marokko om daar de as van zijn overleden broer uit te strooien. 'Misschien kom ik over een paar weken, over een paar maanden terug, enkele illusies armer. . . Maar welke illusies? Ik heb er geen. Ik weet dat daar alles even moeilijk zal zijn, maar op een andere manier. Ik vertrek op avontuur, punt uit. We zien wel.'

We zien wel. Casa (Casablanca en 'thuis') wordt een teleurstelling. Het is er smerig, bloedheet, de sloppenwijken zijn eindeloos, 'het Inferno'. Een rottende stad.

Vrouwen hebben niets te zeggen. Mannen met zonnebrillen houden iedereen in de gaten. De koning is alom aanwezig, middels portretten, stromannen en verklikkers. Iedereen is bang. Paul wordt doodziek nadat hij bedorven water heeft gedronken. Alleen een bundel van Rimbaud biedt troost. Ook al past hij zich aan en leert hij de zachtmoedigheid van de Marokkanen op den duur erg waarderen, van het Beloofde Land is geen sprake. 'Ik ben een vreemdeling in deze wereld van mannen (. . .) Ik ben een vreemdeling in deze verstikkende hitte.'

Hij keert terug naar Parijs, naar het vertrouwde Barbès, naar zijn familie en vrienden, naar de Frans-Arabische muziek van Faudel en het Orchestre National de Barbès. Hij heeft zichzelf voor de gek gehouden met de gedachte dat hij in Marokko zou kunnen aarden. Hij hoort in Frankrijk, met zijn onvolkomenheden, zijn racisten, zijn teleurstellingen. Hij hunkert naar de Franse vrijheid en privacy, waarvan hij zich de vanzelfsprekendheid nooit had gerealiseerd.

In Casa, la casa ontwaren we de contouren van de nieuwe stadsbewoner, het antidotum van het 'multiculturele drama'. Smaïl is op zijn best wanneer hij laat zien hoe zijn vrienden en vriendinnen, familie en kennissen bij elkaar zijn, terwijl ze onbekommerd genieten van drank, rookwaar, spijzen en elkaars gezelschap. Zoete geuren en muziek, vriendschap en hartstocht. Er spreekt een warmte uit zijn werk die wij, gehaaste, cynische 'blanke' Europeanen, al tijden kwijt zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden