Review

Boeken van de week

Recensies

Virginie Despentes schetst een treurigmakende dwarsdoorsnede van Parijs, Jenny Erpenbeck wil onze empathie voor vluchtelingen vergroten en Jess Walter bekommert zich om figuren in de marge.

Beeld thinkstock

Despentes zit de samenleving op de huid

In de bonte stoet van ex-muzikanten, ex-pornosterren, ex-verslaafden, reactionairen, self-kickers, coke-snuivers, mislukkelingen en neo-nazi's in de roman Het leven van Vernon duikt opeens een vertrouwd personage op: de Hyena. We kennen deze keiharde dame uit het vorige boek van Virginie Despentes (1969), Apocalyps baby. Inmiddels heeft de Hyena haar werk als privé-detective verruild voor iets makkelijkers en lucratievers: ze brandt reputaties af op internet. Met behulp van uitgewerkte profielen kan ze ook een hype creëeren, maar een 'medialynchpartij' is makkelijker. Door een filmproducer is ze ingehuurd om Vernon Subutex op te sporen.

Vernon Subutex was platenhandelaar. Maar nu is de verse vijftiger al een paar jaar werkloos. Zonder dat hij het door heeft, glijdt hij af. Als zijn maat, de wereldberoemde zanger Alexandre Bleach, overlijdt, is er ook niemand meer om de huur te betalen. En op een dag wordt hij zijn huis uit gezet. Hij grist de video-banden mee die Alex bij hem thuis van zichzelf heeft opgenomen, enkele maanden voor zijn dood. Via Facebook legt hij contact met vroegere vrienden om hun om een logeerplek te vragen.

Per hoofdstuk ontmoeten we deze kennissen. Zo ontstaat er een dwarsdoorsnede van de Parijse bevolking à la Despentes. Ze laat personages eerst als ik-verteller optreden, maar op het moment dat je een beeld van ze hebt, kantelt dat volledig wanneer het perspectief weer bij Vernon of iemand anders komt te liggen. Dat werkt: op enkele figuren na, worden het echte mensen. Vrolijk word je er niet van. Frustratie is de grote gemene deler. Te weinig geld, te weinig seks, te weinig liefde, te weinig zelfvertrouwen: bijna iedereen is ontevreden.

Met dit boek zit Despentes de westerse samenleving nog meer op de huid dan in haar vorige. De sfeer is competitief en ronduit agressief. Aan het verdwijnen van de punk-rock als underground muziek wordt gerefereerd als een scharnierpunt. Nadat de grunge-band Nirvana van de ene op de andere dag mainstream is geworden, is de wereld veranderd. Despentes' generatie verloor haar idealen.

Aan het einde ligt Vernon ijlend van koorts, voor dood op een bankje, terwijl er op internet een ware klopjacht op hem gaande is. De Hyena gaan we zeker terugzien: deel 2 is in het Frans al uit.

Door: Wineke de Boer

Virginie Despentes

Het leven van Vernon Subutex, deel 1
Fictie
Uit het Frans vertaald door Jan Versteeg.
De Geus; 381 pagina's; 22,95 euro

Mooie biografie van pionier

Hij is minder bekend dan Christiaan Huygens of Jan Oort, maar hij kan beschouwd worden als de grondlegger van de 20ste-eeuwse Nederlandse sterrenkunde: Jacobus Kapteyn (1851-1922). En dat terwijl hij het als hoogleraar astronomie zonder sterrenwacht moest stellen daarvoor ontbrak het geld.

De Groningse astronoom Piet van der Kruit publiceerde twee jaar geleden al een dikke Engelstalige academische biografie over Kapteyn; bij Amsterdam University Press is nu zijn veel toegankelijker Nederlandse versie verschenen.

Na een studie wis- en natuurkunde legde Kapteyn zich in Groningen toe op het onderzoek naar de structuur van ons Melkwegstelsel. Zo mat hij handmatig de posities op van ruim 450.000 sterren op foto's die in Zuid-Afrika gemaakt waren door de Schotse astronoom David Gill. Later zette hij zijn eigen (internationale) waarnemingsprogramma op.

In 1908 brachten Kapteyn en zijn vrouw Elise Kalshoven voor het eerst een bezoek aan de Mount Wilson-sterrenwacht in Californië, waar het echtpaar tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog jaarlijks zou terugkeren. Zijn nauwe samenwerking met Amerikaanse sterrenkundigen legde de basis voor de sterk internationaal georiënteerde positie van de hedendaagse Nederlandse astronomie.

Uiteindelijk publiceerde Kapteyn in zijn sterfjaar 1922 zijn model van de bouw van de Melkweg. Kort daarna bleek dat er weinig van klopte: hij had de absorberende effecten van kosmisch stof onderschat.

Van der Kruit schetst niet alleen een mooi en compleet beeld van Kapteyns leven en werk, maar ook van de academische wereld in Nederland en van de astronomische kennis rond de voorlaatste eeuwwisseling.

Door: Govert Schilling

Pieter C. van der Kruit

De inrichting van de hemel - Een biografie van astronoom Jacobus C. Kapteyn
Non-fictie
Amsterdam University Press; 267 pagina's; 24,95 euro

Te vette boodschap in roman over vluchtelingen

Als er al een typisch Europees personage bestaat, is het Richard, de hoofdpersoon van Gaan, ging, gegaan. Professor in de filologie, net met pensioen, kent zijn Herodotus en Shakespeare. Vergeleken met de academische personages van Houellebecq c.s. staat Richard net aan de goede kant van het morele spectrum, al heeft hij wel eens een scheve schaats gereden.

Bij de Duitse Jenny Erpenbeck (1967), die vorig jaar de Europese Literatuurprijs won met Een handvol sneeuw, weten we dat zo'n archetype zeer bewust gekozen is. Deze schrijver heeft een agenda.

Richard voelt zich verloren in de tijd, nu hij niet meer hoeft bij te dragen aan de samenleving. Ergens tussen het repareren van de schuurdeur en het doen van boodschappen raakt hij geïnteresseerd in het lot van een groep uitgeprocedeerde Afrikanen. Met de smoes dat hij onderzoek doet, begint hij er een aantal regelmatig te bezoeken, in het bejaardentehuis dat tijdelijk dienst doet als opvangplek.

Terwijl de dramatische verhalen van Osarobo, Rashid, Rufu en anderen langzaam boven tafel komen, snappen we dat Richard verwantschap voelt met de verschoppelingen. Net als zij heeft hij niets om handen, net als zij heeft hij, voormalig DDR-burger, ooit een muur beklommen. De Europese burger staat dichterbij deze gelukszoekers dan we denken.

Erpenbeck geeft dit eigentijdse verhaal literair vorm, met bijvoorbeeld het subtiel gebruik van metaforen en een onsentimentele toon, die het oorlogsgeweld een tegenwicht biedt. De techniek blijft echter zichtbaar. Het is te duidelijk: Erpenbeck doet een moreel appèl, haar roman wil onze empathie vergroten. Waren Richard en zijn nieuwe vrienden iets minder braaf geweest, dan zouden ze misschien wel beklijven.

Door: Persis Bekkering

Jenny Erpenbeck

Gaan, ging, gegaan
Fictie
Uit het Duits vertaald door Elly Schippers.
Van Gennep; 320 pagina's; 22,50 euro

Krachtige verhalen over marginale figuren

Jess Walter eindigt zijn meedogenloze, bij vlagen ontluisterende verhalenbundel We leven in water (We Live in Water) met een tekst die 'Sociaaleconomisch profiel van mijn woonplaats Spokane, Washington' heet.

Ik gebruik het woord 'tekst', omdat het op het eerste gezicht een opsomming lijkt van een reeks feiten, die Spokane schetsen als een van de meer armoedige steden van de VS, saai, provinciaal, conservatief, gewelddadig. Een stad waar hij al sinds zijn 13de weg wil, maar op zijn 51ste nog altijd woont.

Maar wie de vijftig tekstblokjes leest, merkt al snel dat het om het dertiende verhaal in de bundel gaat, onconventioneel van vorm, maar op een treffende manier overkoepelend en thematiserend.

De verhalen in We leven in water zijn alle gesitueerd in Spokane en worden stuk voor stuk bevolkt door figuren die zich in de marge van de samenleving bevinden.

Walter schetst hun levens in kaal maar krachtig taalgebruik. De plots zijn verraderlijk eenvoudig, maar de beste verhalen virtuoos van compositie.

Het titelverhaal, waarin een jonge, getroebleerde advocaat naar Spokane afreist om te achterhalen wat er met zijn nietsnut van een vader is gebeurd, is misschien wel het hoogtepunt van de bundel. In twee verhaallijnen, gesitueerd in respectievelijk 1958 en 1992, beschrijft Walter hoe de vader in kwestie zich levensgevaarlijk in de nesten werkt, daaraan onverhoopt weet te ontsnappen, maar uiteindelijk uit liefde voor zijn zoon toch het risico van zijn eigen ondergang tegemoet gaat.

Jess Walter laat zijn personages nooit hun beperkingen ontstijgen. Maar hun pogingen daartoe schrijft hij wondermooi op.

Door: Hans Bouman

Jess Walter

We leven in water
Fictie
Uit het Engels vertaald door Nicolette Hoekmeijer
Marmer; 208 pagina's; 17,95 euro

Een Jezus zonder ballen

Vanaf 1904 tot diep in de jaren vijftig van de vorige eeuw kregen Amerikaanse senatoren bij hun beëdiging een boek cadeau. Het was De Jefferson Bijbel, een versie van het Nieuwe Testament samengesteld door Thomas Jefferson, de auteur van de Declaration of Independence en de derde president van de VS. Het was een dun boekje. Jefferson had namelijk alle wonderverhalen uit de tekst verwijderd, en ook alle opmerkingen die suggereerden dat Jezus de zoon van God was. Wat hij daarmee overhield, was één lang betoog maar volgens Jefferson was dat nu juist waar het om draaide. Jezus was een denker geweest, een filosoof. Die wonderen waren later verzonnen en toegevoegd, net als alle verwijzingen naar zijn goddelijke status. Wie al die onzin schrapte, hield de kern van Jezus' boodschap over althans, dat dacht Jefferson.

Hij stond daarin zeker niet alleen. Jefferson werd geïnspireerd door Verlichtingsfilosofen als John Locke, Thomas Paine en vooral Joseph Priestley. Zij waren er allemaal van overtuigd dat iedere mens op rationele gronden tot de conclusie kon komen dat er een God moest bestaan. En dat was dus ook de boodschap van Jezus geweest. Die was nog steeds te vinden in de Evangeliën mits je alle onzin verwijderde. Jefferson voegde de daad bij het Woord al durfde hij het resultaat niet te publiceren.

Het is een begrijpelijk en dus hardnekkig misverstand: als je alle ongeloofwaardige elementen uit de Evangeliën verwijdert, kom je bij de echte boodschap van Jezus. Menige zoektocht naar 'de historische Jezus' is op deze veronderstelling gebaseerd. Maar klopt dat wel? Het probleem is dat het helemaal niet zo duidelijk is welke verhalen in de evangeliën 'vroeg' of 'laat'' zijn. Waarschijnlijk moeten we de aanpak van Jefferson volledig omdraaien. Juist de wonderverhalen (en een handvol apodictische uitspraken) vormen de oudste laag in de Evangeliën, terwijl de ethische en theologische beschouwingen later zijn toegevoegd (en dat vaak uit Joodse bronnen). Het is niet voor niets dat in het Johannesevangelie, dat als laatste tot stand is gekomen, Jezus vrijwel voortdurend op 'verheven' toon aan het woord is. Juist deze zelfingenomen, babbelzieke, zeer vermoeiende Jezus klinkt sterk door in Jeffersons 'schoongepoetste' versie van het Nieuwe Testament. Het is geen verbetering. Het origineel is veel leuker.

Door: Marcel Hulspas

Thomas Jefferson

De Jefferson Bijbel
Non-fictie
Uit het Engels vertaald door Sadije Bunjaku en Thomas Heij
ISVW Uitgevers; 224 pagina's; 19,95 euro

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.