Boefjes in West

JE DOET er schrijvers zelden een plezier mee, al bedoel je het lovend. Zeggen dat iemand 'een groot verteller' is....

Kees van Beijnum schreef vier romans, zijn nieuwste, De oesters van Nam Kee, meegerekend, die zeer verschillend van onderwerp en aanpak zijn. Wat ze gemeen hebben is dat het verhalen zijn die in precies het goede tempo worden afgewikkeld, dat de verteller scherp waarneemt hoe mensen praten en zich gedragen, en dat ze zeer persoonlijk zijn zonder het ego van de schrijver tot onderwerp te verheffen, zelfs niet het semi-autobiografische Dichter op de Zeedijk.

Als Kees van Beijnum al over zichzelf schrijft, dan langs de omweg van een herkenbare, maar niet zo vertrouwde wereld. Hij was eerder journalist en scenarioschrijver en hij beheerst de professionele verteltechnieken van beide: snel een scène neerzetten, inzoomen, terugwijken, snelle dialogen, pijnlijke stiltes, terloopse vooruitwijzingen, effectieve flashbacks. Hij past ze in zijn romans met grote vanzelfsprekendheid toe, onmerkbaar bijna; je wordt meegezogen en wilt niet weten hoe. Dat meesterschap maakt hem tot een groot verteller. En dat was hij al in zijn eerste boek, Over het IJ (1989), dat geen roman heette te zijn, maar een reconstructie van de 'brievenbusmoord' in Amsterdam-Noord.

Op dat boek lijkt De oesters van Nam Kee nog het meest, in ieder geval wat onderwerp betreft. Toen ging het over de boefjes in Noord, nu over de boefjes in West. De kansarme bleekneuzen heetten toen Ferrie en Ben; de jongens van Plein '40-'45 in Slotermeer Rachid, Jamal of Otman. Ze hebben meer geld, meer coke, en duurdere kleren dan de crimineeltjes uit Noord. Maar hun schoolloopbaan is net zo kort, de verveling even groot. En op een noodlottig moment wordt er een trekker overgehaald, of een steen geworpen.

Maar Berry Kooijman, de achttienjarige hoofdpersoon in Van Beijnums nieuwste roman, is geen allochtoon, zelfs niet eens kansarm. Hoe hij precies terechtkwam in het gezelschap van die drie losers - de inbreker Otman, de aan jeugdreuma lijdende voormalige Ajax-voetballer Jamal, die zich sinds zijn doodvonnis bewusteloos zuipt en snuift, en de met peperdure, gestolen Hugo Boss-jasjes en mobiele telefoons omhangen Rachid, ook wel De Laatste Mode, met zijn 'IQ van 48' en zijn gewoonte van iedere toevallige voorbijganger 'de kop te verbouwen' - hij kan het niet precies achterhalen.

Wel begon het ermee dat hij in Slotermeer woonde. Niet in een goedkope wederopbouwflat, maar in een van de villaatjes die een bovenmodale oase vormen in gedoemd West, met uitzicht op de Sloterplas, en op Schotelcity, de buurt met een woud van witte schotelantennes op de daken.

Niet lang voordat hij een fatale steen wierp, en twee schoten loste met Otmans revolver en in de Bijlmerbajes terechtkwam, vertaalde Berry nog Seneca en Plato. Hij werd opgevoed door twee vriendelijke alternativo's, vader cameraman bij de NOB, moeder hulpverlener bij de reclassering. Thuis klonk zijn moeders klassieke muziek en The Kinks en Bob Seger van zijn vader. Zijn moeder las hem en zijn oudere broer Rein elke dag voor. Op Jip & Janneke-laarsjes stapte hij met zijn moeder vrolijk rond op de kinderboerderij. Een paar jaar later was hij een veelbelovend tennistalent en kreeg hij een Cultureel Jongerenpaspoort.

In de zomer ging het gezin in de oude Mazda naar het vakantiehuisje in Frankrijk. Het is ook de plek waar Berry naartoe vlucht als de politie hem zoekt. Hij had er een eigen pony, New Shatterhand. Maar de pony stierf. Samen met zijn vader treurde hij, en samen takelden ze het lijk weg. Dat gedeelde verdriet was een van Berry's beste herinneringen. Maar kort daarna stierf ook zijn vader; de ambulance haalt het lijk weg.

En niet lang daarna begint Berry de duistere wereld van het andere West te verkennen. Al gauw zit hij dagelijks bij Fast Eddie hamburgers te eten die smaken als 'verschroeide cd's'. Hij raakt snel thuis in het beperkte jargon van 'kanker, tering, fuck fuck fuck man'. Met zijn van zijn moeder opgedane kennis van politie en justitie kan hij de jongens goede diensten bewijzen. Als zijn moeder naar kantoor is vertrokken, sluipt hij het huis weer binnen. Brieven van het Barlaeus-gymnasium worden vakkundig onderschept. Vol schaamte kijkt hij toe hoe zijn goedgelovige moeder zijn schooltas met vlag omhoog hijst. Dat diploma zou hij nog wel eens ophalen. 's Ochtends zit hij met een kater op de bank te zappen naar kinderprogramma's, in de hoop even zijn vader te horen, die wel eens 'stemmetjes' deed in kinderfilms. Zoals die van Thomas O'Malley, de stoere straatkat uit De Aristokatten, met zijn sonore: 'Dames in nood zijn mijn sterkste punt.'

Meisjes redden is ook Berry's sterkste punt - denkt hij. Alles lijkt anders te worden als hij Thera ontmoet. Mooie, lieve, volmaakte Thera, aan wie hij een koptelefoon met lichtgevende horentjes verkoopt. Elke dag eet ze gestoomde oesters, haar lievelingseten, bij de Chinees Nam Kee en Berry eet die slijmerige dingen dapper mee. Want ze is ook verliefd op hem. Ze noemt hem, Dirty Berry, Diablo. Als ze samen in de zon liggen op het dakje van het huis van een oude dame dat Thera tijdelijk bewoont, staat de tijd stil. Dan is het leven gezuiverd van alle leugen en mislukking. Thera, stripteasedanseres en pornomodel, droomt ook van een nieuw leven. Ze bedenken een geniaal plan om met het huis van het oude dametje steenrijk te worden. En daarmee maken ze hun leven definitief stuk.

De oesters van Nam Kee is, meer dan een roman over criminele jongeren, een liefdesverhaal. Dat verhaal krijgt op een zeker moment Turks fruit-achtige trekken, compleet met een serpent van een jaloerse schoonmoeder en een ernstige ziekte die Thera in de armen van een verkeerde, dit keer echt foute, man drijft. Van Beijnum gebruikt dit gegeven echter niet als tranentrekker, maar omdat Berry's wanhoop over zijn teloorgegane liefde het doorslagggevende motief is voor zijn wandaden.

Berry heeft nu eenmaal de neiging om op kruispunten in zijn leven nét de verkeerde weg in te slaan. Hij constateert zelf: 'Ik had besloten dat het een stommiteit en een rotstreek zou zijn als ik het Barlaeus niet afmaakte en ik ging van school. Ik was ervan overtuigd geraakt dat ik voorlopig beter bij Fast Eddie weg kon blijven en ik zat er trouw iedere avond. Ik was tot de conclusie gekomen dat het een pijnlijke vergissing zou zijn als ik zou uitzoeken waar Ben woonde en ik stelde alles in het werk om zijn adres te achterhalen.'

Berry hunkert naar zuivere liefde, naar die van Thera. Hij fotografeert de lucht, schuldeloze wolken die ieder moment van vorm kunnen veranderen. Zo zou hij ook willen zijn. Hij heeft een vader nodig die van hem houdt, zíjn vader, maar hij ontdekt dat alles wat mooi is een smerige keerzijde heeft. Zelfs zijn held, de vader over wie zijn broer iets onthult dat hij nooit had willen weten.

Dat is de 'verklaring' die Van Beijnum geeft voor de ontsporing van Berry. Zij is net zo romantisch en net zo weinig aannemelijk als de stelling die Berry's doodgoede moeder nog altijd op feestjes verdedigt: dat 'de maatschappij' met haar ongelijke kansen 'haar' bajesklanten - de zielige, niet haar welgevormde zoon - heeft misvormd.

Maar De oesters van Nam Kee is een roman, geen sociologische beschouwing, en geen levensechte reportage. Zij doet uiteindelijk geen uitspraak over 'de Berry's' in West, over pubers zonder grenzen, eenoudergezinnen en falend gezag, want daar is de literatuur niet voor. In die roman is het portret van deze jongen volstrekt overtuigend, en ontroerend. Van alle verhalen die in de zichtbare werkelijkheid besloten kunnen liggen, koos de verteller Van Beijnum dit ene. Hij deugt niet, deze Berry, dat is zeker, maar je kunt niet anders dan blindelings zijn partij kiezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden