Blokken en brokken Amsterdam

Het is symbolisch voor de grootste ommekeer: midden in het derde deel van de Geschiedenis van Amsterdam, waarin onder de titel Hoofdstad in aanbouw de jaren 1813-1900 worden beschreven, is een mooi katern opgenomen: ‘De gefotografeerde stad 1852-1900’....

Het fotokatern zit tussen de twee delen van het boek: de periode 1813-1851, geschreven door de Nijmeegse hoogleraar Remieg Aerts, en de periode 1851-1900, geschreven door de Amsterdamse hoogleraar Piet de Rooy (die van de twee de meest Amsterdamse trekken vertoont, al komt hij van elders). De twee delen verschillen grondig: het eerste beschrijft de zekere stilstand en heel trage vooruitgang van de stad, die in sommige opzichten een stad in haar nadagen lijkt; het tweede deel beschrijft, en dat zeer stimulerend, de snelle groei van Amsterdam tot echte hoofdstad – economisch, artistiek, wetenschappelijk – van Nederland.

Het eerste deel doet ook hierdoor oud aan: de illustraties zijn schilderijen en prenten, de gewone mensen (nooit in olieverf een levenskans geboden) niet meer dan figuurtjes op vaak idylliserende plaatjes. Alles is ver weg. De fotografie maakt het Amsterdam van het tweede deel nieuw en zeer dichtbij, realistisch, modern ook. Jacob Olie en Pieter Oosterhuis haalden de stad uit het verleden, George Breitner deed het, als fotograaf, met stad en mensen. Aan het slot van het tweede deel staat de stad er in zwartwit, en degenen die op de nieuwe kerkhoven worden begraven, zijn niet langer totaal dood. Het is haast tekenend dat het proza van De Rooy net iets levendiger is dan dat van Aerts. Misschien is ook dit bij-effect veelzeggend: met de directe herkenbaarheid en tastbaarheid krijgt ook de nostalgie van de latere kijker veel kansen; hij ziet ook zijn onbereikbare verleden.

De geschiedschrijving in dit derde deel is minder beschouwend, theoretisch voor mijn part, dan in de twee banden die samen het tweede deel vormen. (De overigens schitterende economiehoofdstukken in dat deel zijn kenmerkend.) Aerts en De Rooy hebben voor een weldadige vorm gekozen: de geschiedenis van de stad wordt in levendig beschreven belangrijke gebeurtenissen weergegeven. Het is een benijdenswaardig verhaal van blokken en brokken.

Superieur zijn bijvoorbeeld in de geschiedenis van de tweede helft van de eeuw de blokken over het ontstaan van de gereformeerde kerk en het socialisme, twee revolutionaire bewegingen en als zodanig een aanval op de gevestigde orde. In de dichte aandacht voor die twee bewegingen krijgt een nieuwe tijd gestalte. En met een al even goede weergave van de artistieke ontwikkelingen rond 1880 gaat de deur naar de nieuwe tijd – geen woord dat méér gebruikt wordt dan ‘nieuw’ – haast triomfantelijk open. Men kan zeggen dat De Rooy de Amsterdamse wereld van Aerts wegschrijft! (Hij lijkt zelf ook thuis te komen). De eerste helft van de 19de eeuw wordt in de geschiedenis van de tweede helft steeds meer een ver verleden.

Aerts geeft aan zijn deel een strakke indeling, die vrijheid in de onderdelen overigens niet uitsluit. ‘De stedelijke orde’, ‘De publieke orde’, ‘De maatschappelijke orde’, dat is de streng lijkende opzet. In het eerste hoofdstuk krijgen de stilstand en heel trage uitbouw van de stad (en de geest van waaruit naar het verleden werd gekeken) gestalte.

In het tweede deel gaan we de straat op, in onder meer – voortreffelijke – onderdelen over Artis en de Dam. In het derde komen de sociale en hygiënische wantoestanden zeer dichtbij – hier geen enkele mogelijkheid tot idyllen. Zonder meer uitstekend is de paragraaf ‘Hoofdstad der weldadigheid’. Hierin staan de beste zinnen van Aerts. Allereerst: ‘Wie materiële hulp vroeg, kreeg de dwingende zorg voor zijn of haar “zedelijke belangen” erbij.’ En: ‘Het stelsel van armenzorg verbond de belangen van diverse groepen. Het was voor de gevestigde orde een beheersingsstrategie, voor de armen een overlevingsstrategie.’

(In het eerste deel is – ietwat anachronistisch – een door Guido Hoogewoud samengesteld katern over de Amsterdamse kerken van Cuypers opgenomen, met zoveel mogelijk contemporaine foto’s. Wat een haast beangstigende documentatie van roomse expansie; Cuypers zal ook nog het Rijksmuseum en het Centraal Station bouwen en zo de stad gewijder doen lijken dan ze was.)

Centraal in de tweede helft van de 19de eeuw staat de aanleg van het Noordzeekanaal: Amsterdam krijgt een snelle verbinding met de zee, de haven begint een nieuwe leven. De economische bloei neemt snel toe. Het Centraal Station wordt aangelegd – nieuwe verbindingen over land, maar ook – een ‘geestelijk’ tegendeel van het materiële – het Vondelpark. In de welvaart van de nieuwe tijd beginnen nieuwe geesten zich te roeren, in de wetenschap – het Amsterdamse Athenaeum wordt universiteit –, in het onderwijs (ontelbare scholen werden gesticht), in de kunsten, in opstanden.

De Rooy heeft dat nieuwe leven in zijn greep: door de keuze van de deelonderwerpen, door de eenheid die hij daarin geeft aangebracht. De woeligste jaren zijn 1883-1893, sociaal, politiek en cultureel. De orde – zichtbaar in vele organisaties; de vakbonden ontstaan – keert in het laatste decennium terug. Dat is een tijd van bezinning op de nieuwe verworvenheden; in de kunst verdwijnt het individualisme voor grote leidende gedachten, voor de gemeenschapsbeleving ook. Nog altijd staat de beurs van Berlage daar als een monument van bezinning en van een hervonden traditie. Zelfs het koopmanschap kreeg een vergeestelijkte gestalte en werd daarmee binnen de gevestigde orde gebracht!

Aan het einde van dit derde deel is Amsterdam klaar voor de tweede gouden eeuw, die maar dertig jaar zal duren.

Dit derde deel heeft deze grote kracht: de lezer krijgt door de vitaliteit van de teksten de kans mee te leven naar de eeuwwisseling toe. Hij wordt deelgenoot in de geschiedenis. De triomfantelijkste passage staat op pagina 483, in het stuk van De Rooy dus. Geciteerd wordt een fragment uit het onbeschaamde en moreel opstandige proza van de heel jonge Lodewijk van Deyssel. Dit volgt op het citaat:

‘Dit was het nieuwe geluid in Amsterdam, aanvankelijk slechts te horen in het krassen van een pen op het papier, dan al wat luider maar nog overstemd door de cafégeluiden van lachende mannen, ketsende biljartballen en glasgerinkel, en ten slotte triomfantelijk uitgeroepen over stad en land als de revolutie in kunst en leven: De Nieuwe Gids.’

Dat is haast Tachtigers-proza, nog één keer tot leven gekomen.

Remieg Aerts en Piet de Rooy (red.): Geschiedenis van Amsterdam – Hoofdstad in aanbouw 1813-1900 Sun 636 pagina’s euro 44,50 ISBN 90 5875 139 2

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden