Bloemenman

Hij heeft een bloeiend bedrijf, kleedt Jeroen Pauw en Beau van Erven Dorens en zijn vrouwenkleren zijn met ingang van dit voorjaar ook te koop in de VS....

Daar zat hij vorig jaar, in het Hyatt Hotel in Tokio, lost in translation, en niets omhanden. Hij was er op uitnodiging van de Europese Unie, die hem en 38 andere Europese ontwerpers wilde voorstellen in Japan, om zo de Europese mode-industrie een zetje te geven. Die uitnodiging kwam op een goed moment voor Hans Ubbink (48). Met 64 verkooppunten voor zijn vrouwenmode en 130 voor zijn mannenmode was het in Nederland voor hem ‘op’ – ‘ik wil het wel een beetje exclusief houden’ – en daarom richtte hij zijn blik al een tijdje op het buitenland.

Eerder dat jaar was hij daarom ook naar Hongkong gegaan, met een Nederlandse modedelegatie, uitgezonden door Economische Zaken. ‘We hebben daar wel wat gesprekken gevoerd met winkels, maar dat waren niet de juiste voor ons. Kan gebeuren. Tokio was een ander verhaal: een compleet fiasco.’

Wat ging er mis? ‘Niets was goed geregeld. We hadden van tevoren gevraagd: willen jullie niet wat fotomateriaal hebben? Nee, dat was niet nodig, werd ons verteld. We moesten kleding opsturen voor een gezamenlijke brochure. Ze hadden in Brussel specialisten die precies wisten wat de Japanse markt nodig had, zeiden ze. Die folder was zo was abominabel, het zou verboden moeten worden. Er was een beursje in het hotel. Daar kwam niemand. Er zouden voor iedere ontwerper afspraken geregeld worden. Niets. Voor niemand. In het verleden spanden de ambassadeurs zich nog wel in om contacten te leggen, maar dat mag niet meer, omdat dat niet eerlijk is voor de mensen uit landen waarvan de ambassades niet hun best doen.’

Denk je dan niet: ik zit nu toch in Tokio, ik geniet ervan en kijk eens goed om me heen, wellicht doe ik een paar leuke ideeën op?‘Nee, dat kan ik niet. Ik heb me lopen opvreten. Ik zat midden in mijn ontwerpproces toen ik wegging, maar ik moest en zou erbij zijn. We zijn met z’n drieën gegaan, terwijl de kosten maar voor één persoon werden betaald. Het heeft mij 20 duizend euro gekost, en dan nog al dat geld van de Europese Unie dat erin is gestoken – en dat levert dan niks op. Een aanfluiting.’

En toen, een half jaar later, belde opeens Qelavi. Qelavi? Een nieuwe Amerikaanse winkelketen die in het voorjaar van 2010 opent met 23 filialen tegelijk en die voornamelijk Nederlandse mode zal gaan verkopen: onconventioneel, goed gemaakt, uniek en niet te trendy, in de optiek van eigenaar Miray Kafardian. Kinderkleren van Bengh en van Imps & Elfs, tassen van Oilily en, zo was het plan, de vrouwenmode van Hans Ubbink, over wie ze via via had gehoord. ‘De eerste keer dat ik de collectie bekeek’, mailt Kafardian, ‘kreeg ik het gevoel dat ik mijn eigen creativiteit verbeeld zag. Bijna surrealistisch, om kleren te zien die zo goed bij je passen.’

Qelavi plaatste een bestelling van 1 miljoen dollar. Ubbink en zijn broer Taco, die de zakelijke leiding heeft over het bedrijf, werden naar Los Angeles gevlogen om uitleg te geven aan de winkelmanagers. ‘Ik had nooit gedacht dat Amerika onze markt zou zijn’, zegt Ubbink. ‘Mijn kleding is bedoeld als een communicatiemiddel, iets waarmee je uitdrukking geeft aan wie je bent en waardoor je hopelijk in contact komt met mensen die bij je passen. Amerika zag ik als een land waar mensen mode als een schild gebruiken. Maar ik heb mezelf een standje gegeven: ik bleek vol vooroordelen te zitten. Ook over de maten. Amerikaanse vrouwen, de vrouwen die in de betere modezaken komen, zijn eerder klein en smal dan dik. Ik heb voor het eerst maat 34 moeten laten maken.’

Ubbink houdt kantoor in een voormalig Fokker-fabriekspand in de buurt van Schiphol. In de enorme hal heeft hij een kleinere, maar nog altijd imposante ruimte laten bouwen.

De rekken in de glanzend witte showroom zijn op deze decembermiddag leeg: de zomercollectie voor 2010 is weg, de monsters voor najaar 2010 moeten nog uit de fabrieken komen. Er klinkt Miles Davis, op tafel staat een zwarte doos met tien soorten thee van het hippe merk Mr. Jones. Ubbink, slank, het haar nog natuurlijk bruin, draagt een zwart smokingjasje van eigen hand. De kraag is gemaakt van pluizig mohair. ‘Typisch zo’n detail waarvan ik hou.’ De bovenste twee knopen van zijn zwarte overhemd zijn open, om zijn hals een sjaaltje met een wit en rood dessin, zo strak in elkaar gedraaid dat het een ketting lijkt.

Ruim een week voor het gesprek is zijn vader op 82-jarige leeftijd overleden. Als topman van – toen nog – Melkunie was hij ooit de bedenker van het Monatoetje. ‘Maar als je hem vroeg wat hij deed, zei hij: ‘Melkboer.’. ‘Ik had me altijd voorgenomen niet zo hard te werken als hij. Dat is me niet gelukt. Hij moest daar erg om lachen.’

Als kind was Ubbink al ‘erg bezig met kleding’. Na de havo meldde hij zich aan bij de modeafdeling van de kunstacademie in Arnhem. Omdat hij voor de dagopleiding niet gemotiveerd genoeg werd gevonden, ging hij naar de avondopleiding. Hij werkte voor Nederlandse merken als Soap Studio en Van Gils (‘daar heb ik geleerd hoe een pak gemaakt moet worden’) voor hij in 1991 zijn eigen mannenmerk begon, JC Rags – JC zijn zijn initialen (Johan Christoffel), rags is Engels voor vodden. De relatie met zijn geldschieter liep binnen een jaar stuk vanwege een zakelijk geschil – ‘een typisch blauwe-ogenverhaal van mijn kant’ – en het merk ging zonder hem verder.

Nog datzelfde jaar begon hij het mannenlabel Book’s. De naam is een verwijzing naar zijn liefde voor het gedrukte woord. Ubbink noemt zich een ‘vrouwenboekenlezer’: Het lelietheater van Lulu Wang leest hij momenteel. Zelf geeft hij jaarlijks een boek uit: het Hu.man holidays vakantiedoeboek, een vakantieboek voor volwassenen met verhalen van Nederlandse schrijvers en journalisten, recepten en puzzels. Op de labels in zijn kleren staat altijd een Engelstalig zinnetje. Meestal uit de wereldliteratuur; in een jasje uit de nieuwe voorjaarscollectie 2010 staat bijvoorbeeld een citaat van Denis Diderot (1713-1784): ‘Only passions, great passions, can elevate the soul to great things.' Een enkele keer zijn ze van Ubbinks eigen hand: ‘The best you can become: yourself.’

Voor Book’s werkte Ubbink samen met Secon, een grote Nederlandse modegroep. Book’s liep heel aardig en verkocht ook in Scandinavië, Duitsland en Frankrijk, maar na een paar jaar trok Secon, dat zelf in financiële problemen was geraakt, de stekker eruit. In 1999 begon hij het naar hemzelf genoemde label, dat hij tot anderhalf jaar geleden samen met zijn vriendin Ans bestierde – ze zijn al bijna dertig jaar samen en hebben twee tieners. Zij, opgeleid aan de hotelschool, bemoeide en bemoeit zich met de ‘regelkant’, al noemt ze zich, in de traditie van Ubbink senior, graag ‘vrouw van’.

In 2008 werd Ubbinks jongere broer, een econoom die tot dan toe werkte bij een groot confectiebedrijf, aandeelhouder. In die periode huurde Hans Ubbink ook voor het eerst een ontwerpassistent in. Geen overbodige luxe: elk seizoen hangen er twaalfhonderd nieuwe ontwerpen in de showroom. Daar zijn wel alle materiaalvariaties op een ontwerp bij inbegrepen, maar niet alle kleuren waarin een ontwerp kan worden gemaakt. ‘Ik heb te veel beelden in mijn hoofd.’ Eenvijfde van al die ontwerpen vindt uiteindelijk zijn weg naar de winkels.

De stijl van zijn mode omschrijft Ubbink als ‘casual gekleed’. ‘Ik refereer aan een geklede stijl, maar ik houd me niet aan conventies. Het moet ontspannen zijn, niet te gepoetst.’ Op zijn jasjes zitten bijvoorbeeld geen borstzakjes, en knopen aan een mouw vindt hij niet nodig. ‘Ik heb een keer op een beurs in Milaan gestaan. Ik had altijd gedacht dat het water naar de zee dragen was om daar met pakken naartoe te gaan, maar toen ik het toch een keer heb gedaan, merkte ik dat Italianen dat soort details niet durven weg te laten omdat ze vastzitten in de traditie. Als Nederlander kun je veel grotere stappen maken.’ Nee, verkocht heeft hij er niet: ‘Daarvoor moet je dat zeker vier keer achter elkaar doen, en ik wil nu eerst dat Amerika goed gaat.'

In zijn mannencollecties deinst Ubbink niet terug voor frivole, soms bijna vrouwelijke accenten: pakken met gebloemde of anderszins opvallende voeringen, fluwelen jasjes met borduursels erop, bontkraagjes, glittersteentjes. De vrouwenkleren hebben juist vaak een masculiene snit. ‘Vrouwenkleren zijn meestal minder goed gemaakt dan mannenkleren. Ik maak de jasjes voor vrouwen op de mannelijke manier, ik doe ook gewoon de sluiting links over rechts.’

Zijn grootste succes is het gebloemde mannenoverhemd, niet meer weg te denken uit het Nederlandse straatbeeld. Hij begon ermee in de tweede collectie van Hans Ubbink. ‘Het was een reactie op de eeuwige streepjes- en unihemden. Ga naar een Italiaanse wever en je ziet het verschil niet tussen de collecties van nu en die van tien jaar geleden. Winkeliers hebben me er in het begin om verketterd. Ze zeiden: ‘Daar gaat geen vent in lopen.’ Ik verkoop hem nog steeds heel veel – een op de tien overhemden van mij is gebloemd. Maar soms heb ik er spijt van dat ik hem heb bedacht.’

Waarom? ‘Iedereen maakt ze nu. Er zijn zo veel lelijke, met van die grote boorden. Arbeiders-chic, vind ik dat. En iedereen denkt dat die van mij zijn.’

Je wordt de Nederlandse Paul Smith genoemd – de Britse ontwerper die ook zo dol is op kleuren en dessins en jasjes met bijzondere voeringen. ‘Ik heb lang gedacht: van streepjes blijf ik af, want die zijn van hem. Maar op een gegeven moment zei Ans: ‘Doe het nou maar, want dat bén jij gewoon.’ Ik zie trouwens weinig van hem. Ik zie sowieso bijna niks. Een middag per seizoen bezoek ik een paar vaste winkels in Parijs – het materiaalgebruik van Marithé & François Girbaud vind ik inspirerend – en dat is het dan. Modetijdschriften lees ik niet meer. Ik word onrustig van dingen van anderen. Dan denk ik: die en die heeft al een rond kraagje, dus kan ik dat niet meer doen.’

Het is toch goed om op de hoogte te zijn van wat er in de mode gebeurt? ‘Ik denk dat Zara en H & M daar het best in zijn.’

Marc Jacobs geeft gewoon toe dat hij zich laat beïnvloeden door Comme des Garçons. ‘Ik worstel daarmee. Ik vind het lastig om te bepalen of ik iets maak omdat ik dat uit mezelf haal, of bijvoorbeeld uit een oude film, of omdat ik dat bij een ander heb gezien. Dat kan ik niet terughalen. Ik ben nu een paar seizoenen bezig met wijde kleren. Geen idee waarom ik dat doe. Het slaat nog niet aan, trouwens.’

Tot de fans van Ubbink behoort een inmiddels indrukwekkende groep bekende Nederlandse mannen. Ubbink kleedt, onder anderen, Michiel Borstlap, Bart Chabot, het cabaretduo Veldhuis en Kemper, Daniël Boissevain, Beau van Erven Dorens, Ronald Giphart, Jeroen Pauw en Matthijs van Nieuwkerk. Wijlen Martin Bril verruilde Paul Smith voor Ubbink omdat hij die laatste, zo vertelde hij in 2007 aan HP/De Tijd, ‘leuker en speelser’ vond en zijn ‘kont er goed in uitkomt’. ‘Op het moment dat ik een pak van hem paste’, zei Bart Chabot in datzelfde artikel, ‘voltrok zich een wonder. Ik voelde me groeien, voelde mij er te gek in, kreeg de neiging om weer rechtop te lopen. Ubbink geeft mij een avontuurlijk gevoel.’ En Remco Veldhuis: ‘Zijn overhemden maken van mij een Romeinse god, ze hebben zo’n snit dat ik twee maten slanker lijk.’

Sponsoring wil Ubbink het niet noemen. ‘Ik geef niks weg’, zegt hij. ‘Ik geloof niet in het kopen van gezichten. Ik leg ook geen verplichtingen op.’ De volle mep betalen hoeven de mannen echter niet: ze betalen slechts een fractie van de winkelprijs. ‘Martin heb ik zijn eerste pak wel gegeven. Daarna kwam hij terug.’

Hoe komt zo’n contact tot stand? ‘Zij benaderen mij, nooit andersom. Jan Mulder had een pak van me gekocht en belde me: ‘Hans, kan ik langskomen, ik wil niet meer zonder je kleren.’

‘De styliste van Beau heeft negen maanden achter ons aan gezeten: als jullie wat kleding opsturen kan hij het aan bij RTL Boulevard. Hij was indertijd de koning van Nederland, maar wij zeiden: ‘Wij vinden hem een leuke vent, maar zo werken wij niet. Als hij tijd heeft, is hij welkom.’ Toen hij eenmaal kwam, was het binnen tien minuten bekeken. Beau is de enige die onze kleren van voor naar achter draagt, altijd. Matthijs draagt ons de laatste tijd minder; hij heeft te vaak gasten aan tafel die ook kleren van mij aanhebben.

‘Als iemand voor de eerste keer komt, kijk ik eerst of het een leuk iemand is. Want ik besteed veel aandacht en tijd aan de mensen die ik kleed. Ik vraag ze: ‘Wie ben jij eigenlijk? Wat doe je, wat wil je?’ Dat doe ik ook bij winkeliers. Qelavi kwam hier binnen met zo'n houding van: wij hebben een dikke portemonnee en we komen zaken doen. Ik wil graag geld verdienen, maar wel op een leuke manier. Het moet klikken.’

Zeg je na zo’n kennismaking wel eens nee? ‘Dat is een paar keer gebeurd.’

Want het bleek geen leuk persoon. ‘Nee, maar dat komt dan van twee kanten. Dan vindt zo’n man het te extravagant, of hij verwacht dat hij van alles krijgt. Maar ik zeg ook weleens meteen nee. Vaak zelfs. Ik wil eigenzinnige, rebelse, jongensachtige mannen.’

En vrouwen? ‘Zangeres Wende Snijders, tv-presentatrice Mirella van Markus. Vrouwen zijn lastiger te vinden. Er zijn minder serieuze vrouwen op de Nederlandse tv. Ze zijn er vooral voor de borsten en de billen, en als dat niet zo is, moeten ze meestal in lange galajurken. En die hebben wij niet.’

Vorig jaar kleedde Ubbink de Britse band Duran Duran voor hun jaarlijkse kalender – de foto’s daarvoor worden gemaakt door een fotografe die ook voor hem werkt. Zij nam vijftien outfits mee naar de shoot, die bijna allemaal werden gebruikt, en later door de bandleden aangeschaft. ‘Ik ben daarna uitgenodigd voor een concertje en heb een keer geluncht met Nick Rhodes, om even bij te kletsen.’

Ondanks zijn succes – zelfs in het crisisjaar 2009 groeide zijn bedrijf – voelt Ubbink zich in de Nederlandse mode ‘een vreemde eend in de bijt’. ‘Mode in Nederland is óf zo klein dat alles bij wijze van spreken thuis op de naaimachine moet worden gemaakt, of het is zo groot dat het alleen maar over marketing en aantallen gaat. Ik val daartussen.’

Vind je dat je genoeg waardering krijgt in de modewereld? Na een lange stilte en een diepe zucht: ‘Nee. Ik ik ben daar eerlijk in. Er gaat meer aandacht naar de kleine, jonge merken. Ik heb soms het idee dat, doordat ik vanaf het begin redelijk succesvol ben geweest, er niet meer goed wordt gekeken naar mijn kleren. Ik ben commercieel, dus geen goede ontwerper.’

Je kunt ook denken: mijn kleren worden gedragen op tv, ik verkoop goed, binnenkort zelfs in Amerika, wat kan het mij verder schelen. ‘Ik vind erkenning ook heel belangrijk. Ik drink niet, ik houd er niet van om op feestjes te staan, dat kan er ook iets mee te maken hebben.’

Je ontwerpen zijn lang niet altijd vooruitstrevend. ‘Dat heeft te maken met mijn doel. Als je meegaat met de laatste hype, kun je niet volhouden dat je mensen wilt helpen een eigen stijl te ontwikkelen. Je kunt wel extreme dingen laten zien op de catwalk, maar ik vind innovatie pas innovatie als het daadwerkelijk wordt gedragen; ik laat in een show niets zien dat niet te koop is.

‘Ik vind dat ik op die manier een hoop heb bereikt. Mannen in Nederland zijn zich de afgelopen tien jaar anders gaan kleden: eleganter, onderscheidender, eigenzinniger. Ik heb daaraan enorm bijgedragen. Voor vrouwen kan ik het nog niet zo goed aanwijzen. Maar ik maak al twintig jaar mannenmode en ik ben pas negen jaar bezig met vrouwen, dus wie weet wat er nog gebeurt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden