Bloedende handen voor Star Wars

Het toeval hielp de Amsterdamse ontwerpster Claudy Jongstra aan de opdracht vijftig meter stof te ontwerpen voor de nieuwe Star Wars-film van George Lucas....

JA, DAT MOET de stof zijn', fluistert ontwerpster Claudy Jongstra opgewonden. 'Het is zo donker in deze scène, je ziet het bijna niet. . . Maar de lap was bestemd voor de Jedi-kostuums, en dit zijn toch de Jedi's? Zwartbruin was ie, en die mantel is zwartbruin, ja toch?'

De adrenaline 'gierde door haar keel', zal ze achteraf zeggen. Tweeënhalf jaar geleden ontwierp Jongstra 50 meter zware, vilten stof voor The Phantom Menace - Star Wars Episode 1, het lang verwachte nieuwe deel van de succesvolle Star Wars-cyclus van George Lucas, dat donderdag in Nederland in première gaat. En nu, tijdens een persvoorstelling in een muf bioscoopzaaltje in Amsterdam-West, kan ze eindelijk zien wat er van haar creatie is geworden. In de scène waarin de Jedi's bij elkaar komen om te beslissen over het lot van het begaafde jongetje Anakin Skywalker, heeft Master Qui-Gon Jinn zijn bruine toga verruild voor een donkere mantel met puntmuts van echt Jongstra-vilt.

Ze had geen idee. Na het afleveren van de stof nóóit meer wat van de kostuumontwerpster en haar staf gehoord. Ja, ze kreeg een afrekening, waarop voor het eerst stond vermeld welke karakters gehuld zouden gaan in haar 'Star Wars-lap', zoals ze de stof had gedoopt: de Jedi's en Sith Darth Maul. Dat was het. Geen toelichting, geen bedankje, laat staan een uitnodiging voor de première. 'Inmiddels weet ik dat het altijd zo gaat. Als stofontwerpster lever je je spullen en blijf je verder anoniem. Daar heb ik erg aan moeten wennen.'

Jongstra tuurt ingespannen naar de aftiteling. Zou zij misschien toch, ergens. . .? Maar nee. Op het scherm verschijnt alleen de naam van Trisha Biggar, de kostuumontwerpster. Ze is er niet minder tevreden om. Nog wat verdwaasd na het high-tech beeldenbombardement op de vroege ochtend, moet zij concluderen dat het 'moralistische science-fiction verhaaltje weliswaar niet zo veel voorstelt', maar dat de aankleding prachtig is: 'Die decors! Er is zoveel aandacht voor details. In elke scène ontdek je weer wat nieuws. Al is het maar een bizar vormgegeven vaas in een hoekje. En de kostuums zijn geweldig. Biggar heeft heel luxe stoffen gebruikt. Zuivere zijde, linnen, echte wol. Dat zie je. De nomadische, natuurlijke aankleding vormt een mooi contrast met de kunstmatige, veelal met de computer gemanipuleerde omgeving.'

Het was 'puur toeval'. In februari 1997, ze was net een jaar voor zichzelf begonnen, had Jongstra een werkgesprek bij het Royal Opera House in Londen. Ze legde haar stalen met vilt-varianten op tafel - van dikke, zware stoffen tot ijle, transparante doeken -, toen er een jongen voorbijwandelde die stoffen bewerkte voor de kostuumontwerpster van Star Wars. 'Hij vertelde dat hij mijn stoffen te gek vond, en me bij Biggar zou aanbevelen. Ik zei: oké, goed hoor. Wist ik veel. Ik had weleens zo'n film gezien, maar het is alweer 16 jaar geleden dat de laatste uitkwam en Star Wars leefde toen nog helemaal niet. Ik had geen idee van de gekte die later in Amerika zou losbarsten.'

De volgende dag belde Biggar. Of ze direct wat kon laten zien. Jongstra reisde met een vriendin naar Londen, waar het productieteam in een zwaar beveiligde vliegtuigloods aan de kostuums werkte. 'Overal stoffen en naaimachines, een gigantisch restaurant voor het personeel alleen. We waren totaal overdonderd door de proporties.' Omdat tot de première niets over de film naar buiten mocht komen, deden de medewerkers allemaal 'supergeheimzinnig'.

Jongstra: 'Normaal kun je voorstellen doen als je met een klant overlegt. Je kunt zeggen: misschien is dit wat voor dat karakter? Maar Biggar stond de hele tijd met haar assistente in een hoekje te smoezen.'

De kostuumontwerpster maakte een selectie, er moesten wat testen worden gedaan - Master Qui-Gon Jinn gaat ermee te water -, en al snel lag de order op de mat: binnen twee weken moest er vijftig meter vilt van Karakul-wol geleverd worden (à 400 gulden per meter), 'een Afrikaanse geit met een mooie, bijna zwarte kleur'. Jongstra zei ja, hoewel haar productieapparaat absoluut niet was ingesteld op zo'n grote bestelling. 'Er was echt paniek.'

De mogelijkheden van vilt ontdekte ze zo'n vijf jaar geleden op een expositie in het Textielmuseum. Bij vilt dacht ook Jongstra tot die tijd allereerst aan biljartlakens, hoeden en sloffen. 'Het imago was natuurlijk nogal oubollig.' Zij had nooit vermoed dat het dikke, stugge materiaal van de nomadentent op de expositie zó mooi kon zijn. En wie wist dat je vilt ook zover uiteen kan rafelen dat een bijna transparante, sensuele stof ontstaat? Jongstra raakte geïntrigeerd door het handmatige proces van vilt maken, een oeroud procédé waarvan ze het geheim niet wil verklappen. 'Je hebt wol nodig, heet water en wrijving. Meer kan ik er, vanwege de concurrentie, niet over zeggen.'

Ze sloeg aan het experimenteren, nam ontslag bij het commerciële confectieatelier waar ze als kledingontwerpster werkte - 'ik werd doodongelukkig van die zinloze overproductie' -, en richtte een eigen bedrijfje op: Nót Tom, Dick and Harry (vrij vertaald: Niet Jan, Piet en Klaas). Inmiddels heeft ze vilten stoffen geleverd aan belangrijke ontwerpers als Galliano en Donna Karen, is werk van haar aangekocht door het Nederlands Textielmuseum, het Stedelijk Museum en het Haags Gemeentemuseum, en verkoopt ze kleding van haar hand in Maastricht, Londen, Milaan en Japan. De stof, het vilt, vormt daarbij steeds het uitgangspunt: 'Als je stof verkoopt aan een ontwerper zie je het vaak helemaal versneden terug. Dat vind ik zonde. Ik probeer op vorm te vilten, en heb soms helemaal geen naden meer nodig.'

In haar atelier in een stokoud Amsterdams pandje laat ze voorbeelden zien. Er hangen ragfijne, crêmekleurige zomerjurkjes, maar ook dikke, harige jassen-als-vloerkleden. 'Vind jij het extravagant, nee toch?' Vanwege de hoge prijzen (5000 gulden voor een jas), verkoopt ze vooral in het buitenland. 'Het is jammer, maar voor de Nederlandse markt is het niet geschikt. In Engeland of Italië zeuren ze niet en betálen ze gewoon.'

Haar bedrijfje is snel gegroeid. Jongstra heeft sinds vorig jaar een eigen kudde schapen, zodat ze de kwaliteit van de wol in eigen hand heeft. 'Een vriendin wilde altijd herder worden, dus dat kwam mooi uit.' Dertig Drentse heideschapen houden ze in Friesland, en een enkele Gotland Pels, 'een heel grappig schaap met grote rastakrullen'. Het productieproces is, mede dankzij haar inventieve vader, voor 80 procent gemechaniseerd.

Hoe anders ging dat 2,5 jaar geleden, na dat telefoontje van Biggar. Jongstra viltte alles nog zelf, met de hand. Hoe moest ze in godsnaam in twee weken 50 meter afkrijgen? 'Mijn grootste klus tot dan toe was 4 meter voor het Textielmuseum, en dat vond ik al heel wat.'

Alle vrienden werden opgetrommeld, de grote, altijd trouwe Limburgse familie gealarmeerd. In een provisorisch atelier in Utrecht kon iedereen die een uurtje overhad aan de slag. Haar broers, in het dagelijks leven werkzaam in de computerbusiness en de autotechniek, bleken verrassend genoeg 'ongelooflijk goed' te kunnen vilten. Moeder Jongstra hield alles schoon - 'het wordt altijd een enorme harenbende' -, en vader, van oorsprong ingenieur, dacht na over nieuwe en handigere technieken.

Jongstra: 'Iedereen kreeg meteen een contract onder zijn neus geschoven: er mocht tot de première níets over Star Wars naar buiten worden gebracht. Daar stonden vrienden wel even van te kijken. Maar ik moest me er nu eenmaal aan houden.' Voor de sfeer was die geheimzinnigheid uiteraard bevorderlijk. 'Het was wij en de film, heel spannend.' In ploegendiensten werd dag en nacht doorgewerkt. De één legde de wol uit, de ander wreef. Bij gebrek aan stromend warm water in het atelier, stonden de hele dag waterkokers te borrelen. 'Er was echt geen tijd om een geiser te installeren.'

Tamelijk primitief, achteraf bezien. 'Door dat vilten gaan je handen stuk, soms tot bloedens toe. Goddank vond een Willie Wortel-achtige vriend van me op de valreep een soort machine uit, nee ik zeg niet welke. Hij heeft ons gered.'

Na twee weken kon ze vijftig meter zwartbruin vilt van de Afrikaanse Karakul-geit per expres naar Londen sturen. Daarna werd het stil. Er kwam die rekening, met de aanwijzing dat de stof bestemd was voor de kostuums van de Jedi's en Darth Maul. En later, na het publiciteitscircus rond de première in Amerika, kwam er de bewondering van vooral buitenlandse journalisten: 'Heb je aan Star Wars meegewerkt, wat goed!'

In Nederland werd minder enthousiast gereageerd, zegt zij. 'Wij zijn hier zo matig, zo bang ons nek uit te steken. Maar ik vond het echt geweldig om te doen. Binnenkort ga ik met iedereen die aan de stof heeft meegewerkt naar de film, en dat wordt vast een feest.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.