Blije gezichten, schone muziek

Nashville heeft de naam, maar de échte hoofdstad van de countrymuziek heet Branson, een pretcentrum in het uiterste zuiden van Missouri....

ZOALS HET vanzelfsprekend mag heten dat je Las Vegas het best doorkruist met een blonde stoot in een felgekleurde, open, Amerikaanse slee, zo rijd je idealiter de stad Branson binnen in de hoedanigheid van een kleine, onschuldige plattelandsjongen. Zo'n country boy uit een Norman Rockwell-illustratie: blozend van de zeep en de opwinding op de achterbank van daddy's pick-up truck, en al weken tevoren helemaal hoteldebotel van de great fun en de spectaculaire shows en attracties die in Branson voor de hele familie in het verschiet liggen.

Hé, kijk daar, het theater van Melinda, the first lady of Magic! En, ooo, daar: het affiche van de witte tijger van Kirby Van Burch, the Prince of Magic! En daar, het Legends Family-theater van de Hughes Brothers ('wanted for having too much fun'). En, poehwwwwie!, daar, de toegang tot het heiligdom van Andy Williams! En dat van de Lennon Brothers! En Silver Dollar City!

Een dergelijke kinderlijk-opgetogen grondhouding (Wow!) is het perfecte paspoort voor een bezoek aan de in de Ozark Mountains in Missouri gelegen Music Capital of the World, al was het maar omdat de gemiddeld zeven miljoen Amerikanen die er jaarlijks een of meer dagen uit hun bol gaan, zich net zo naïef gedragen. Behalve voor de muziek, voor het glitter-theater en voor het vele goedkope eten, komen ze namelijk vooral in Branson om uitbundig hun Amerikaan-zijn te vieren. Of, preciezer: om er te vieren dat ze witte, godvrezende, hardwerkende en hartstochtelijk aan gezin, volk, vaderland en country-muziek verknochte, blije Amerikanen zijn.

'Mensen, wat mogen we blij zijn dat we Amerikanen zijn', zegt de import-Amerikaan en twee meter lange violist-entertainer Shoji Tabuchi dus net als alle andere country-sterren die hun eigen vaste podium in Branson hebben tijdens een intermezzo tegen zijn dolenthousiaste publiek. 'Jeetje, je hoeft maar éven een stap over de grens te zetten om te weten hoe great en wonderful we het hier met ons allen hebben.' (Waarna een in stars and stripes uitgedost podiumkoor America the Beautiful aanheft.)

Branson lijkt in die zin op andere pretsteden als Orlando en Las Vegas dat er voor een bevolking van slechts 4500 autochtonen maar liefst 42 theaters met 73 verschillende dagelijkse voorstellingen en zo'n 55 duizend beschikbare plaatsen voorhanden zijn; en alle stuk voor stuk bestemd voor de liefhebbers van countrymuziek en aanverwant familie-entertainment. Dat er meer dan vierhonderd gift shops op slechts een paar vierkante kilometers zijn. Dat uit meer dan 180 hotels met dertigduizend bedden kan worden gekozen. Dat er kilo's bladgoud zijn verwerkt in de retirade van het Shoji Tabuchi-theater. En dat er in het overige aanbod gegarandeerd ook van alles véél te veel is; of het nou gaat om het gewicht van de plaatselijke T-Bone-steaks en het beleg op de kalkoensandwiches, of om de cupmaten van de eigenaresse van theater-restaurant The Dixie Stampede (Dolly Parton).

Het enige wat Branson onderscheidt van andere beroemde en beruchte lustoorden in de Verenigde Staten, is het feit dat de amusementsindustrie er op zuiver christelijke grondslag is gefundeerd.

In tegenstelling tot wat er in de moderne countrysongs uit Nashville en omgeving zoal aan eigentijds huiselijk leed (echtscheiding, geweld, goddeloosheid en alcohol) te beluisteren valt, bieden de cowboys en hillbillies van de heartlands van Missouri positive country en dito gospel. Wat in Branson zoveel betekent als dat, in een sfeer van good morals and good clean fun, de lof wordt gezongen van het eerlijke buitenleven, van de banjo dan wel de fiddle als betrouwbare metgezel, van het familie-ideaal en moeder-de-vrouw zonder wie het artistieke succes uiteraard achterwege was gebleven, van de onwrikbare conservatieve waarden en normen, en niet in de laatste plaats natuurlijk van de Here.

Hoewel waarschijnlijk weinig bezoekers van Branson er zich op zullen kunnen beroepen dat ze álle 73 vaste, twee en soms drie maal daags opgevoerde shows in de stad hebben bijgewoond, is het daarom toch niet moeilijk om ze in grote lijnen over één kam te scheren. Alle bovengenoemde religieuze en patriottische ingrediënten horen steevast tot het basisrecept, terwijl ook het geboden entertainment zich van deur tot deur nauwelijks onderscheidt, of je nu naar Andy Willams, Boxcar Willie, Roy Clarke, Moe Bandy, The Presley's, Jim Stafford, Kenny Rogers, Johnny Cash, Ronny Milsap of de Baldknobbers Hillbilly Jamboree Show gaat.

Op het programma van elke Branson-artiest staan een paar van zijn eigen golden oldies, een boeketje evergreens die de hele zaal kan meezingen, wat humor afgewisseld met een enkele sentimentele of tot nadenken stemmende overpeinzing (Well folks, as my daddy used to say. . .), en een forse dosis spektakel, want op een paar centen meer of minder wordt totaal niet gekeken.

Shoji Tabuchi, de Japanner die zich conform de Branson-legende in zijn nieuwe vaderland ooit met hondenvoer op de been moest houden, is inmiddels zo gefortuneerd dat hij zich tot de kostbaarste producties en rekwisieten (een Japanse trom van een paar honderdduizend gulden) kan laten verleiden.

Jim Stafford heeft zijn eigen vliegende schotel die hij door zijn zaal laat zweven. En The Osmond Brothers bedachten als uitsmijter een glamoureuze Jezus-film op cinemascope-formaat, tegen de achtergrond waarvan ze zingend, nee bijna huilend hun geloofsbelijdenis verkondigen. Het voelt alsof je André Rieu voor een zaal met vierduizend mensen snikkend zijn liefde hoort verklaren aan de Heilige Jomanda - zoiets.

EEN BEGRIP als 'smaakvol' vervluchtigt in Branson net zo snel als een babyscheet in een mesthoop, maar daar staat dan weer veel originele Amerikaanse gekkigheid tegenover. Te pas en te onpas worden veteranen gemaand uit het publiek op te staan om zich ovationeel voor hun inzet voor de natie te laten lauweren.

Country-ster Glen Campbell vergast toeschouwers bij de ingang van zijn theater op portretten van Nancy en Ronald Reagan. Jim Stafford heeft zowel zijn peuterdochter als zijn vijfjarige zoontje om elf uur 's avonds nog op de bühne staan om ze hun kunstjes te laten vertonen. En Tabuchi presteert het rustig om een groepje in witte pijen gehulde, blanke vrouwen te laten doorgaan voor swingende zwarte gospelzangeressen - met alle on-soepele bewegingen die daar traditiegetrouw bijhoren.

Zeker zo verbazingwekkend is de nazit die elke Branson-show host voor zijn fans in de foyer van zijn theater organiseert. Bepakt met T-shirts en prullaria met daarop de afbeelding van hun favoriet staan vaders, moeders en kinderen gauw anderhalf uur achtereen geduldig op een hand en een handtekening te wachten, waarbij dan tevens van de gelegenheid gebruik wordt gemaakt om hem of haar de gezinssamenstelling, de wederwaardigheden van de familie en de normale dagelijkse bezigheden voor te schilderen.

'Glad you could make it, buddy', zegt een allerwegen geliefde topper als Jim Stafford dan vriendelijk, en alle tientallen keren waarop hij het vervolgens herhaalt, blijft het gemeend en hartelijk klinken.

Toch is het allemaal niet alleen maar om te lachen of om je als buitenstaander over te verwonderen. In zijn reisgids Branson!, the complete guide to what's good and what's bad in the nation's newest Music Capital (Macmillan Travel, $ 13,95) vermoedt Arthur Frommer dat er in Branson werkelijk sprake is van een 'fundamentalistische samenzwering'.

Sinds de boom van de stad in de laatste twintig jaar zouden de autoriteiten van Branson er strikt op toezien dat de monocultuur intact blijft. Artiesten die iets anders willen dan met witte mensen witte muziek maken voor witte toeschouwers krijgen daartoe absoluut de kans niet, aangezien ze onmiddellijk hun vergunningen zouden kwijtraken.

Aan die theorie werd in 1994 in de zondagbijlage van The New York Times voedsel gegeven door country-superster Merle Haggard, toen hij uitlegde waarom hij in Branson niets te zoeken heeft: 'Branson en ik verdragen elkaar nou eenmaal niet. Als je geen born-again Christian bent en je niet bereid toont om daar op het podium getuigenis van af te leggen, zullen ze je niet eens het geld lenen om er een theater neer te zetten. Als je hun geloof niet aanhangt, dan lig je er al bij voorbaat uit.'

Voor Frommer zijn het racisme en de intolerantie de twee grootste kwaden van Branson, maar hij kan zich ook gruwelijk ergeren aan het gedoe met vlaggen, oud-Vietnam-soldaten en rechts-Republikeinse propaganda, en aan de ongekende speculatie- en geldzucht die het plaatsje in een ijzeren greep hebben.

WANNEER DE stad zich, zoals de folders willen doen geloven, inderdaad al met Broadway (minder theaters), Las Vegas en Orlando (bijna evenveel publiek) wil meten, dan zullen de beslagen ramen tóch een keer helemaal open moeten, voorziet Frommer. Al was het maar om economische redenen, want eens, ooit, some day, zou hij denken, moet het toch afgelopen zijn met de natuurlijke aanwas van oude, snuivende hillbillies die van country houden en met cowboyhoeden of caps op en gekleed in tuinbroeken naar Branson komen.

In 1995 zag de vermaarde Amerikaanse nestor van de reisjournalistiek de nieuwe dageraad reeds voorzichtig gloren in Branson. Immers, kort daarvoor had de eerste zwarte country-superster Charley Pride er de deuren van zijn gloednieuwe theater op 775 Gretna Road geopend.

Drie jaar later blijkt dat die doorbraak in Branson geen zoden aan de dijk heeft gezet. Pride's theater is gesloten, en de naamgever vertrokken. Branson is voor zolang het duurt weer all white.

Nu ja: er zijn bezoekers die het in pimpelpaars, goud en zilver gedecoreerde showpaleis van Shoji Tabuchi toch enigszins teleurgesteld verlaten. Het patriottische gehalte van de ten gehore gebrachte standards was niet datgeen ze ervan verwacht hadden.

Er is door de violist en zijn gezelschap veel te veel uit oude Broadway-musicals gespeeld ('in New York wonen helemaal geen Amerikanen'), wat ernstig ten koste ging van het aandeel van hillbilly-muziek en country. En nog érger: er was iemand die een Janet Jackson-song in het repertoire had opgemerkt.

Janet Jackson, zeg nou zelf! 'Een Janet Jackson-song in Branson - no, it won't go.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden