Bizar monument van kolonialisme

Ooit wilden de Franse kolonialisten van de Mekong een drukke handelsrivier te maken. Watervallen zaten de scheepvaart dwars. Een spoorlijn over twee eilanden moest uitkomst bieden....

'Onze boot, de Bassac, had vanochtend Stung Treng verlaten en voer een verdronken bos binnen. Niets kon de mysterieuze sfeer evenaren die van deze reis uitging. Onder de groene koepel van de dichte Cambodjaanse jungle leek onze boot verdwaald in een labyrint', schreef Madame Bassenne over haar reis op de Mekong in 1909. Een paar uur later had het stoombootje zijn eindbestemming Don Khon bereikt, een van de duizenden eilanden in de vijftien kilometer brede rivier.

Voor de Franse doktersvrouw ging de reis verder in een open spoorwagon naar de noordkant van het eiland, waar een andere boot klaarlag. 'De trein trok ons zwoegend, knarsend en met het gekletter van staal over het eiland dat bedekt is met teakbomen en bamboe waarvan de takken in ons gezicht zwiepten. De temperatuur was extreem hoog en de zon die door de bomen filterde deed verrottings-en koortsdampen uit de verstrikte onderbegroeiing opstijgen. Mijn haar plakte van het zweet onder mijn koloniale hoed. De hitte roosterde mijn armen door mijn kleren heen en de muskieten profiteerden van mijn lusteloosheid en vielen me aan, ik was overgeleverd aan hun genade.'

Hoewel er geen meter rails meer ligt, is het taluud van het lijntje over Don Khon nog duidelijk te herkennen. Ik loop het spoordijkje af. Waterbuffels staren me aan vanuit uitdrogende poelen tussen de stoppels van de braakliggende rijstvelden. Aan de zuidkant is het taluud omgeven door dicht beboste heuvels. Het eindigt bij de oever van de Mekong waar Madame Bassenne aan land stapte. Ik kijk vanaf een betonnen kade uit over de rivier die er bezaaid is met op wilgenbosjes gelijkend struikgewas. Op de oever aan de overkant patrouilleren zwaar bewapende Cambodjaanse grenswachters. In de verte zwemmen een paar zeldzame Irrawaddy-dolfijnen sloom hun dagelijkse rondjes, vanuit een vissersboot bespied door een groepje toeristen.

De kade is gedeeltelijk bedolven onder aangeslibd zand, maar de trappen met katrollen waarover ladingen en kleine boten omhoog werden getakeld liggen bloot. Verder resteren van het havenspoor het gekantelde voorstuk van een locomotief en een verroeste brandstoftank. Vlakbij ligt het eerste houten huis annex eetstalletje van een gehucht. Als ik er achter een kom bamisoep zit, duiken twee moderne Madames Bassenne op de spoordijk te voorschijn, gekleed in luchtige zomerkleren en zwoegend op te kleine rammelende huurfietsen – studentes uit Dublin die genieten van het Laotiaanse platteland.

Sinds het xenofobe Laos tien jaar geleden zijn grenzen opende, groeiden Don Khon en het aangrenzende Don Det uit tot populaire reisbestemmingen. De grote trekpleisters zijn twee indrukwekkende watervallen en het observeren van de dolfijnen. Als springplank dient een honderdtal eenvoudige hutten van hout, bamboe en gevlochten palmbladeren. 's Avonds turen de rugzaktoeristen vanaf het balkon van hun hut uit over de Mekong terwijl de laatste vissersprauwen aanmeren. Rond een uur of tien stopt het gepruttel van de aggregaatmotoren. Op het in duister gehulde eiland domineert dan het gedreun van de Somphamit-waterval, vijf kilometer verderop.

Voorbij het schilderachtige Ban Khon Tai loopt een pad over het terrein van de boeddhistische dorpstempel, waar novieten als in trance afgevallen bladeren op een hoop vegen. Brokstukken van een 1200 jaar oude Khmer-tempel liggen achteloos verspreid. Het pad slingert door dicht bamboebos waar hagedisjes en kukri-slangetjeswegschieten onder verdord bamboeloof. Ik slaag erin een slangetje met een stok tegen de bodem te drukken, hij krult zijn staart met oranje buikzijde dreigend omhoog. In zijn latijnse naam Oligodon mouhoti wordt natuurvorser Henri Mouhot vereeuwigd, de grote Franse ontdekkingsreiziger van Indo-China dat midden negentiende eeuw nog terra incognita was. Mouhot zette als eerste westerling voet in Luang Prabang. Iets buiten de oude koningsstad stierf hij aan hersenmalaria, wat ertoe bijdroeg dat hij in Frankrijk een volksheld werd. Zijn reisverslag inspireerde Francis Garnier, de grote drijfveer achter de Franse Mekong-expeditie van 1866-1868.

Voorbij het bamboebos zwelt het geruis van de waterval aan tot een huiveringwekkend gedreun. Het wordt duidelijk waarom de kapitein van de Bassac niet verder stroomopwaarts voer. Aan de anderekant van Don Khon vormen de Khon Phapheng-watervallen een vergelijkbare barrière. 'Alles in dit gigantische landschap ademt kracht en heeft verpletterende proporties', schreef Garnier. De watervallen waren voor de Mekong-expeditie een bittere teleurstelling. Ze wilde juist aantonen dat de Mekong dé commerciële verbinding was met de rijke markten van Zuid-China. De commandant liet het Franse bestuur in Saigon meteen weten dat zonder gigantische constructiewerken scheepvaart bij Don Khon onmogelijk was. Ook Garnier realiseerde zich dat ze een onneembaar obstakel vormden. Maar uit zijn eindrapport uit 1873 spreekt vreemd genoeg weer hoop, al leek die slechts te berusten op vage suggesties de watervallen met een spoorlijn of kanaal te omzeilen.

Nadat Frankrijk zijn wonden van de nederlaag tegen Pruisen had gelikt, kreeg koloniale expansie prioriteit. Met ongekend optimisme experimenteerde men met stoomvaart op de Mekong. In 1887 ging het eerste stoombootje voor anker in de Don Khons Margueritte Baai, zo gedoopt ter ere van de vrouw van de hoogste ambtenaar aan boord. Na vergeefse pogingen stoombootjes door andere doorgangen dan de twee watervallen langs het eiland te manoeuvreren, werd in 1893 begonnen met de aanleg van een spoorlijn.

De twee stoombootjes die in Saigon voor dit doel werden bestemd moesten over Don Khon worden geheveld om in het gewenste vaarwater te kunnen patrouilleren. In 1894 bereikten ze de Margueritte Baai: op Don Khon lag het spoorlijntje al gereed. Maar een boomstam ramde een van de boten die al half op een wagon was getakeld. Toen de ontsporing was hersteld, was de waterstand zo ver gedaald dat opnieuw takelen onbegonnen werk was. Luitenent Georges Simon liet zijn koelies het spoor afbreken en opnieuw aanleggen vanaf een lagere oever, maar vanaf dit punt was het twee kilometer verder naar de noordkust. Halverwege het eiland moesten de achterliggende rails worden opgebroken om voor de wagons weer te worden opgebouwd. Het stortregende, tropische ziekten braken uit, de koelies probeerden te ontsnappen. Maar rail voor rail schoven de kanonneerboten voorwaarts, na twee weken lagen ze weer in de Mekong.

Enkele jaren later werd een permanent traject en een kade met door stoom aangedreven kranen aangelegd. In 1920, elf jaar na de reis van Madame Bassenne, werd de lijn doorgetrokken naar Don Det, dat met een stenen brug met Don Khon werd verbonden. De spoorbrug met zijn vijftien bogen en pijlers, een soort Pont d'Avignon over de Mekong, vormt naast een oude locomotief een bizar monument van koloniale expansie in het eenvoudige platteland en de indrukwekkende natuur.

In de namiddag wandelen de kinderen van Don Det in hun schooluniformpjes over de brug naar huis. Een uur later nemen de jonge wereldreizigers er positie in om over de Mekong te turen. De brug is vooral een symbool van desillusie over de onmogelijkheid van de Mekong een handelsroute te maken. De watervallen bij Don Khon waren overwonnen, maar de tocht van Saigon naar Luang Prabang duurde nog altijd vijf weken, waarbij men zeven of acht keer op een andere boot moest overstappen. Van Saigon naar Marseille ging sneller. Na 1940 raakte de spoorlijn in onbruik. Stukken van het smalspoor vind je hier en daar terug als bruggetjes over greppels en kreekjes.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden