boekrecensiebiografie van Heutsz

Biograaf Van de Loo toont dat er meer te zeggen is over ‘de slachter van Atjeh’ ★★★★☆

Zeker: Jo van Heutsz heeft Atjeh met harde hand ‘gepacificeerd’. Maar hij wilde ook Indonesiërs en vrouwen een (bescheiden) aandeel geven in het bestuur van Nederlands-Indië. Biograaf Vilan van de Loo heeft zich gelukkig niet laten intimideren door de afkeer die Van Heutsz oproept.

Beeld Silvia Celiberti

Het vertrek van J.B. (Jo) van Heutsz als gouverneur-generaal van voormalig Nederlands-Indië, in 1909, maakte alom gevoelens van opluchting los. ‘OEF!’, luidde de bondige kop boven het afscheidsartikel in Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië. Dit sentiment hing maar ten dele samen met de hardvochtige wijze waarop Van Heutsz het Nederlands gezag in de Oost had uitgebreid (het onderdeel van zijn conduitestaat waarmee hij nu het meest wordt vereenzelvigd). Nee, de Indische elite zag Van Heutsz’ vooral zo graag vertrekken vanwege diens meritocratische nieuwlichterij: hij wees functies toe op basis van kwaliteit, en niet op basis van het aantal dienstjaren – zoals in Nederlands-Indië tot zijn benoeming de gewoonte was. Hij had dus veel ambtenaren beroofd van de zekerheid dat ze na een ‘rustigen dommel’ vanzelf ‘door gebrek aan zwaarte’ omhoog zouden vallen. En daar maakte je geen vrienden mee in de gesloten ambtenarenkaste van Batavia.

Vilan van de Loo, auteur van Uit naam van de Majesteit, de jongste biografie van Jo van Heutsz (1851-1924), heeft zich ten doel gesteld om een man te portretteren die, net als zijn verre voorganger Jan Pieterszoon Coen, met vereende krachten op de mestvaalt van de geschiedenis is gedumpt. Van Heutsz? Dat was ‘de slachter van Atjeh’. De man die de ‘buitengewesten’ van voormalig Nederlands-Indië met harde hand heeft ‘gepacificeerd’. Iemand die bij uitstek een fout verleden belichaamt.

‘Wat moet je met die man?’ werd haar dan ook tijdens een lezing gevraagd ‘vanuit het veilige donker’. In die vraag ligt de modieuze opvatting besloten dat de historicus het verleden aan de hedendaagse moraal moet toetsen. In het geval van Van Heutsz zou dit betekenen dat hem geen biografie toekomt. En al helemaal geen goede biografie. Want daarin blijkt de hoofdfiguur niet alleen een houwdegen te zijn, maar ook een verlicht bestuurder – naar de maatstaven van zijn tijd althans.

Van die nuance – de academische variant van het ‘bothsidesism’ in de journalistiek – is niet iedereen gediend. Maar gelukkig heeft De Loo gedaan wat een historicus tot voor kort werd geacht te doen: ‘zijn tijd begrijpen en daarmee deze periode van de nationale geschiedenis (het kolonialisme in de late 19de eeuw, red.) in beeld brengen’. Dit betekent geen eerherstel voor Van Heutsz. Evenmin dat hij in zijn eigen tijd niet omstreden was, of dat hij o zo sympathiek blijkt te zijn geweest. Maar wel dat er over hem heel veel meer te zeggen is dan dat hij in Atjeh zo heeft huisgehouden.

De Volkskrant Boeken
Mooie romans, spannende non-fictie, interviews en pittige recensies: alles over de wereld van de letteren.

Met het optreden dat geen genade kan vinden bij het nageslacht en waarmee hij in zijn eigen tijd al enige weerstand wekte, meende Van Heutsz niet alleen de Nederlandse belangen te dienen – die wogen voor hem altijd het zwaarst – maar ook die van de bevolking van de te onderwerpen gebieden. Atjeh, de noordpunt van Sumatra, was al decennia het toneel van vruchteloze maar bloedige oorlogen toen Van Heutsz er in 1898 gouverneur werd. Daarbij zouden tussen 1873 en 1880 zo’n 30 duizend Atjehers en 7.500 militairen van het koloniale leger om het leven zijn gekomen. Aan deze permanente oorlogstoestand wilde Van Heutsz een einde maken. Met gerichte militaire acties, gevolgd door een militaire bezetting en de sociale en economische verheffing van de inlanders.

Hard ingrijpen was voor Van Heutsz geen doel op zichzelf, maar een noodzakelijk kwaad als de omstandigheden daarom vroegen – geredeneerd vanuit de koloniale verhoudingen van dat moment. ‘Wij zullen optreden als beschermers van alle goedgezinden, van de have, het goed en de eigendommen van de geheele bevolking’, hield hij zijn troepen voor. Alleen bewapende Atjehers zouden als vijand worden beschouwd. Die taakopvatting achtte hij alleszins verenigbaar met de ‘ethische visie’ die hij was toegedaan.

Met die ‘ethische visie’ wekte hij als gouverneur-generaal meer weerstand dan hij als militair had gedaan met zijn optreden in Atjeh. Zo benoemde hij een Indonesische notabele tot aspirant-controleur op Java en Madoera. Volgens zijn critici zou hij daarmee de bijl aan de wortels van het Nederlands gezag leggen. Het was tenslotte niet de bedoeling dat de ‘overheerschten hunne beheerschers’ zouden gaan commanderen. Als het bij die ene benoeming zou blijven, was de ramp nog te overzien. Maar als er eenmaal één Indonesische aspirant-controleur was, zouden er ongetwijfeld meerdere volgen en buldert op den duur ‘de stortvloed den polder in’. ‘Wij Hollanders willen hier dus blijven’, vatte Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië de bezwaren samen. ‘En wij willen de baas blijven.’

Om die reden wekte de gouverneur-generaal ook weerstand met de afschaffing van het verplichte eerbetoon van Indonesiërs aan Nederlandse gezagdragers. Verder zag Van Heutsz het niet als zijn taak om het christendom in Indië te verspreiden, waar minister van Koloniën Idenburg juist voor had gepleit. ‘Uit eisch van Christelijk beginsel’ zou ‘de godsdienstige overtuiging van alle onderdanen’ geëerbiedigd moeten worden, betoogde Van Heutsz. ‘Zoolang zich die niet uit op eene wijze in strijd met de openbare orde of zedelijkheid.’

Van dezelfde rekkelijkheid getuigde zijn welwillende reactie op het verzoek van een vrouw, Laura Ellinger, om het ‘groot ambtenaarsexamen’ af te leggen. Van Heutsz werd weliswaar van hogerhand teruggefloten, maar met zijn mislukte poging om ‘begaafde vrouwen’ toegang te verlenen tot het Indische bestuursapparaat, had hij velen tegen zich in het harnas gejaagd. In de herensociëteiten van Batavia en Soerabaja en in de Indische kranten werd naar hartelust over Van Heutsz gekletst en geroddeld. Daarbij ging het over de wreedheden waarmee de ‘pacificatie’ van dat buitengewest gepaard was gegaan, over uiteenlopende vormen van zelfverrijking waaraan Van Heutsz zich zou hebben bezondigd, en – niet in de laatste plaats – over buitenechtelijke affaires.

Doorgaans liet Van Heutsz het ‘laaghartig gelaster’ van anonieme zegslieden – die Van Heutsz als ‘de ploertige men’ omschreef – onweersproken. Maar soms waren de geruchten zo taai en zo talrijk dat de minister van Koloniën om opheldering vroeg. Met betrekking tot een van zijn veronderstelde maîtresses – ‘eene bijzonder gedistingueerd, lieftallig persoontje’ – schreef Van Heutsz dat zij ‘nooit de geringste aanleiding gaf om op die wijze besproken te worden en die door haar zeer gevoelige aard daaronder ongetwijfeld veel zal hebben geleden’. ‘Met flirt en dergelijke heb ik mij nooit opgehouden’, verzekerde hij de islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje. ‘Werkelijke vriendschap sloot ik in Indië nooit.’

De gouverneur-generaal zelf was dus ook allerminst rouwig om zijn vertrek uit het broeierige Nederlands-Indië. Op gezag van een hoge ambtenaar schreef een krant dat hij er slechts één gelukkige dag had gekend, en ‘dat is de dag van zijn aftreden’. Van Heutsz snakte niet alleen naar het einde van zijn ambtelijke loopbaan, maar sprak in een brief aan ‘een goede kennis’ (want vrienden had hij niet) ook de wens uit ‘Nederland en zijne koloniën’ de rug toe te keren. Op huldebetoon voor bewezen diensten stelde hij evenmin prijs. Na toekenning van weer een nieuwe onderscheiding liet hij de minister van Koloniën weten ‘persoonlijk’ aan decoraties geen waarde te hechten ‘en nog gaarne den tijd zou beleven dat die dingen worden afgeschaft’.

In die verzuchting lag wellicht vooral valse bescheidenheid besloten. Want Van Heutsz hengelde wel degelijk naar erkenning en wilde zijn maatschappelijke succes graag onderstrepen met uiterlijk vertoon. Zo kocht hij na zijn terugkeer een groot huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam, waarin hij ook zijn kinderen en kleinkinderen zou kunnen huisvesten. Hier schermde hij zich allerminst af van de buitenwereld – hij had er geen bezwaar tegen gemaakt dat zijn adres en telefoonnummer (101109) in de krant werden vermeld. Hij nam actief deel aan het sociale leven in de hoofdstad en verbond zijn naam aan goede doelen, zoals de invoering van het vrouwenkiesrecht. Jazeker.

Ook maakte hij zijn prestige te gelde. ‘Er zullen nu wel eenige vette commissariaten komen’, voorzag De Sumatra Post. ‘En zoo zal het huishoudboekje in het eind wel weer kloppen.’ De landelijke pers, die de gangen van Van Heutsz met aanhoudende belangstelling volgde, vroeg zich af of het bedrijfsleven wel een passende bestemming was voor ‘een hoog ambtenaar in ruste’. Maar Van Heutsz zag het, naar eigen zeggen, als zijn plicht om ondernemingen ‘met raad en daad ter zijde te staan’.

Meestal waren die bemoeienissen voor beide partijen profijtelijk. Maar niet altijd. Zo heeft hij een vereniging die de luchtvaart in Nederland wilde bevorderen niet kunnen behoeden voor een faillissement. ‘De oud-Gouverneur-Generaal zal dus hebben gemerkt dat het gemakkelijker is om Atjeh te pacificeeren, dan om een wankelende maatschappij staande te houden’, smaalde De Sumatra Post.

Na verloop van tijd verdween de naam van Van Heutsz uit de krantenkolommen. De vergetelheid waarnaar hij eerder nog zou hebben verlangd, stemde hem nu bitter. Nog één keer figureerde hij prominent in het nieuws. In november 1918 bezocht hij de Duitse keizer Wilhelm II in diens hoofdkwartier in Spa. Dat bezoek zou wellicht onopgemerkt zijn gebleven als de keizer twee dagen later geen asiel had aangevraagd in Nederland. Uit de gang van zaken maakte de pers in binnen- en buitenland op dat Van Heutsz, als adjudant van koningin Wilhelmina, de vlucht van de keizer had voorbereid. Deze suggestie, die niet overtuigend kon worden gepareerd, droeg bij aan de dubieuze reputatie van Nederland als heimelijke bondgenoot van Duitsland.

Na zijn dood, in 1924, werden zijn verdiensten als ‘vredesstichter’ in Atjeh in herinnering geroepen. Zijn herbegrafenis in Amsterdam (Van Heutsz stierf in het Zwitserse Montreux en was daar in eerste instantie begraven) was aanleiding voor een nationalistische toogdag. In Amsterdam en Coevorden – Van Heutsz’ geboorteplaats – werden te zijner nagedachtenis standbeelden opgericht. Maar zijn heldenstatus heeft hem niet lang overleefd. De NSB heeft gepoogd Van Heutsz postuum in te lijven en bracht zijn reputatie daarmee grote schade toe. Zijn oudste zoon Jan droeg daar het zijne aan bij door in 1941 toe te treden tot de Waffen-SS. In de jaren zestig werden de standbeelden van Van Heutsz doelwit van linkse activisten – onder wie Relus ter Beek, de latere minister van Defensie.

Vilan van de Loo heeft zich door de morele afwijzing van Van Heutsz door het nageslacht niet laten intimideren. En zij heeft het oordeel van tijdgenoten over hem voor zichzelf laten spreken. Zo schreef de latere minister-president Hendrik Colijn: ‘De heer Van Heutsz is geen bekwaam man in de dagelijksche zin van het woord; geen man van studie; ook geene man die over belangrijke vraagstukken diepe en oorspronkelijke gedachten heeft. Van politieke beginselen heeft hij geen notie. (…) Hij is gul in zijn beloften en, dikwijls, even gul in het niet nakomen ervan.’ Daar stond – niet onbelangrijk – ‘de moed der verantwoordelijkheid’ tegenover. Met zulke bronnen – waaruit zij dan ook uitputtend citeert – heeft Van de Loo zelf geen streng oordeel over Van Heutsz hoeven vellen.

Beeld Prometheus

Vilan van de Loo: Uit naam van de majesteit – Het leven van J.B. van Heutsz, 1851-1924. Prometheus; 367 pagina’s; € 29,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden