InterviewBiograaf Nescio

Biograaf Lieneke Frerichs: ‘Ik kijk steeds meer met Nescio’s ogen’

Onvermoeibaar bracht Lieneke Frerichs de afgelopen decennia het werk van Nescio onder de aandacht. Met succes: zijn werk is nog altijd geliefd en veelgelezen. Over het schrijven van zijn biografie heeft ze lang geaarzeld. Tot ze nieuw materiaal in handen kreeg.

Edam. In de serre van het huis van de vrouw achter de grote schrijver Nescio staat een kleine versie van het beeld van Hans Bayens in het Amsterdamse Oosterpark. Het zijn de Titaantjes, de aardige jongens met het wat vage idealisme die worden beschreven in het gelijknamige verhaal en die, het was te voorzien, uiteindelijk niet waren opgewassen tegen de hoge heren.

Lieneke Frerichs: ‘Dat het een gecom­pliceerde man was, daar keek ik niet van op. Maar ik wist niet dat hij zó met het bestaan wor­stelde.’ Beeld Erik Smits
Lieneke Frerichs: ‘Dat het een gecom­pliceerde man was, daar keek ik niet van op. Maar ik wist niet dat hij zó met het bestaan wor­stelde.’Beeld Erik Smits

Hoyer zit links, Bavink (‘die mal geworden is’) in het midden, Koekebakker rechts. Lieneke Frerichs laat haar ogen langs het beeldje glijden. ‘Prachtig hè.’

Het beeldje was een verjaarscadeau van haar aan Enno Endt, de neerlandicus met wie ze was getrouwd en met wie ze een grote liefde deelde voor Nescio, de meester van de melancholie. Endt overleed in 2007, plotseling. De biografie die zijn weduwe schreef, Nescio Leven en werk van J.H.F. Grönloh, is aan hem opgedragen.

De Titaantjes, een kleine versie van het beeld van Hans Bayens in het Amsterdamse Oosterpark. Beeld Erik Smits
De Titaantjes, een kleine versie van het beeld van Hans Bayens in het Amsterdamse Oosterpark.Beeld Erik Smits

‘Dat vond ik fijn om te doen. Ik denk dat hij het heerlijk zou hebben gevonden dat ik het heb aangedurfd en dat ik het heb volbracht. Hij hield ontzaglijk veel van Nescio.’

Onder de naam Nescio verrijkte Frits Grönloh (1882-1961) uit Amsterdam-Oost de Nederlandse literatuur met onder meer De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Lieneke Frerichs (77) was zijn gedoodverfde biograaf. Zij is ook neerlandicus, en tekstediteur. Ze volgde Endt al tijdens zijn leven op als de zakelijke vertegenwoordiger van de erven van Nescio. Al veel eerder had ze Nescio’s werk leren kennen, als student Nederlands in Amsterdam in de jaren zestig.

‘Ik zou graag vertellen dat ik op het gymnasium in Velsen helemaal verrukt van het werk was, maar dat was niet zo. Ik kende het niet.’

Werd u als student overvallen door een gevoel van opwinding?

‘Eerlijk gezegd weet ik dat niet meer. Ik vond het prachtig, dat zeker. Het wonderbaarlijke is natuurlijk dat ik er al die jaren zo intensief mee bezig ben geweest en dat ik het nog steeds met plezier lees.’

Met zijn kleine, maar uiterst vitale oeuvre houdt Nescio al ruim een eeuw stand. Voor een deel is Frerichs daar verantwoordelijk voor. Ze heeft Nescio de afgelopen halve eeuw gestaag onder de aandacht gebracht, in een constante stroom boeken en artikelen. Nadat ze was afgestudeerd, in 1977, maakte ze voor het Letterkundig Museum een inventarisatie van de literaire nalatenschap van Nescio. Ze had inmiddels een zoontje met haar eerste man, journalist Gerard van Westerloo (Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer).

Haar proefschrift schreef ze over de ontstaansgeschiedenis van De uitvreter en over de figuur van Japi, de wonderlijke kerel die in Nijmegen van de Waalbrug stapte. Frerichs stelde de bundel Over Nescio (1982) samen, bezorgde het verzameld en nagelaten werk en het Natuurdagboek (1996), Brieven uit Veere (2010) en Buitenland is geen land (2019).

Na tien jaar gewerkt te hebben bij een van de letterenfondsen en vijf jaar als hoofdredacteur van het Verzameld werk van Karel van het Reve, begon ze in 2012 ‘in een heel kalm tempo’ aan de research voor een volgend, volkomen logisch project: de biografie. Ze had zich lang tegen het idee verzet, ondanks de aandrang van de twee uitgevers die het werk van Nescio in beheer hebben, Nijgh & Van Ditmar en Van Oorschot.

In de eerste plaats was er de vrees dat er onvoldoende materiaal zou zijn voor een levendige biografie. Nescio zelf zou het met haar eens zijn geweest. ‘In later jaren is hij nog eens begonnen aan een korte poging om zijn levensgeschiedenis te schrijven’, schrijft Frerichs. ‘Hij zette het woord tussen aanhalingstekens omdat hij vond dat zijn uitwendige leven in feite van weinig belang was geweest en dat zijn ware ‘ik’ in zijn werk te vinden was.’

Frerichs: ‘Dat is geen fijn uitgangspunt voor een biograaf. Zijn leven was niet spectaculair. Hij was het hoofd van een gezin en werkte ruim veertig jaar voor dezelfde exportfirma, de Holland-Bombay Trading Company. In de periode tussen 1920 en 1930 bijvoorbeeld werkte hij alleen maar en schreef hij niet. Hij had een depressie en was lang overspannen. Hij leefde als een soort automaat, dus ik dacht: wat moet je daar nou over schrijven? Nescio had vooral een intern leven. Om die reden zou je het niet moeten doen.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Maar u heeft het wel gedaan.

‘Ik had toen besloten dat het een echte schrijversbiografie moest worden; de focus moest liggen op zijn schrijverschap. Hij is beroemd om zijn verhalen, niet vanwege zijn kantoorbaan of zijn maatschappelijke belangrijkheid. Dat is één.

‘Het tweede was dat er nieuw materiaal beschikbaar was. Ik kreeg de brieven in handen die hij aan Bob stuurde, de dochter die in Groningen woonde. Daardoor kon ik een hoofdstuk schrijven over de bezettingstijd in Amsterdam en over de Hongerwinter. Hij bleef schrijver, hij zocht een uitweg voor zijn taligheid met die brieven. Een kleinzoon heeft ze heel genereus beschikbaar gesteld.’

De dochters hadden altijd grote bezwaren gehad tegen het publiek maken van het persoonlijke leven van hun vader. Met het overlijden in 2007 van de laatste van de vier dochters van de schrijver, Miep Boas-Grönloh, werd de sfeer meer ontspannen.

‘Dat was een belangrijk moment. De kleinkinderen hebben natuurlijk meer afstand. Ik had altijd het meest te maken met Miep, zij was de vertegenwoordiger van de familie. Als er op uitgeversgebied iets moest gebeuren, werd ze heel zenuwachtig. Onze vader is altijd erg terughoudend geweest ten opzichte van de buitenwereld, was de redenering, dat moeten wij voortzetten.’

Heeft u het met haar weleens over een biografie gehad?

‘Nee. Het was uit den boze om eraan te denken. Van Miep kreeg ik altijd te horen: waarom wil je dat weten? Ik moest voorzichtig zijn. Ik was bezig met de voorbereiding van het verzameld werk, ik kon niet het risico lopen dat ik Miep zou bruuskeren. Maar dat betekende wel dat ik niemand kon spreken die hem nog goed gekend had. Dat is achteraf wel jammer.

‘Haar dochter Atie Blok-Boas nam het over van haar moeder. Toen kwam er meer ruimte, bijvoorbeeld voor het uitgeven van brieven. Dat was eerder volstrekt taboe.’

Honderden brieven uit het familiearchief kreeg Frerichs tot haar beschikking, onder meer door Grönloh verstuurd tijdens een zakelijke rondreis van vijf maanden in Brits-Indië. ‘Ik was verbaasd over de vertrouwelijkheid. Ik kan me niet voorstellen dat mijn vader mij zulke brieven zou hebben geschreven, ze zijn heel persoonlijk. Het is bijzonder. Tegelijkertijd is het erg typerend voor Nescio, een gesloten en eenzame man die toch open kon zijn tegenover intimi.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Wat is het sensationeelste wat u in handen hebt gekregen?

‘Dat is zo’n typische journalistenvraag.’

Maar u bent toch ook een soort schatzoeker?

‘Ja. Ik vond het bekijken van de originele, handgeschreven manuscripten van zijn verhalen sensationeel. Maar die kreeg ik al in handen toen ik met de voorbereiding van het verzameld werk bezig was.’

Een dag na het interview mailt ze met een aanvulling. ‘Vanmorgen schoot me iets aardigs te binnen: de vondst van de eerste briefjes die Grönloh en zijn latere vrouw Agathe Tiket met elkaar wisselden. En de verrassende ontdekking dat die voorgeschiedenis zo precies beschreven staat in Dichtertje. Ik vond dat nogal roerend.’

U houdt zich al decennialang met Nescio bezig. Heeft u hem desondanks beter leren kennen?

‘Ja, zeker. Ik had me niet eerder zo grondig verdiept in zijn wel en wee. Ik ben in de eerste plaats een tekstediteur. Ik geef teksten uit, ik ben geen schrijver. Niet echt in elk geval. Ik kan wel goed schrijven, maar het vloeit niet makkelijk uit mijn pen.’

Dat is niet te merken.

‘Daar heb ik ook erg mijn best voor gedaan. Het moest helder zijn en up to the standard van Nescio. Kan ik dat wel, dacht ik. Kan ik het voor elkaar krijgen? In 2017 heb ik mezelf ertoe gezet om te gaan schrijven. Ik huurde een kamer in Amsterdam, in de Kerkstraat, en begon, drie dagen per week.’

Lieneke Frerichs: ‘Nescio twijfelde aan alles, maar op zijn beste momenten was hij er zeker van dat zijn stem het waard was om gehoord te worden.’ Beeld Erik Smits
Lieneke Frerichs: ‘Nescio twijfelde aan alles, maar op zijn beste momenten was hij er zeker van dat zijn stem het waard was om gehoord te worden.’Beeld Erik Smits

U heeft hem beter leren kennen, zegt u. Wat wist u bijvoorbeeld nog niet van hem?

‘Veel voelde ik al wel aan; dat hij een ingewikkelde, gecompliceerde man was, vooral. Daar keek ik niet zo van op, die tweespalt zit in al het werk. Maar dat hij zó worstelde met het bestaan, dat wist ik niet. Uit het Natuurdagboek en ook De uitvreter kende ik zijn natuursensaties. Die ben ik meer gaan doorvoelen.’

Frerichs deelt inmiddels de grote ergernis van Nescio over de verloedering van het Nederlandse landschap. Het is onmogelijk om niet te denken aan de voetnoot die hij in 1942 toevoegde aan het verhaal Kortenhoef. Het ging over het ‘aardige wipbruggetje’ aan de ’s-Gravelandseweg dat was verdwenen. Het schitterende slot: ‘God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’

Frerichs: ‘Nederland is inmiddels ongelofelijk verknoeid, er zijn alleen nog wat kleine reservaten met natuur over. Ik ga steeds meer met zijn ogen kijken. Dat is de handicap als je steeds met zijn werk bezig bent. Net zoals hij deed, wind ik me enorm op over de aantasting van het landschap, met overal zonnepanelen, windmolens, geluidsschermen, industrieterreinen en andere lelijkheid. De arme man, als hij dat toch eens zou zien.’

Bent u hem als schrijver meer gaan waarderen?

‘Ik waardeerde hem altijd al. Maar ik heb diezelfde kracht van schrijven nu ook gezien in zijn brieven. Die dragen de biografie. Hij heeft zo’n krachtige stem, niet alleen in de bekende verhalen. Ook uit de brokstukken, de voorstudies en de losse fragmenten stijgt iets op waar je meteen door wordt gepakt.

‘In zijn werk zit een soort gecondenseerdheid; het is geen voorraad losse zinnetjes. Het bevat een essentie en dat herken je goed als lezer. Hoewel hij het fleurig heeft aangekleed, met al die dialogen van die vrienden, zie je dat er hartebloed in zit. Hij heeft écht de behoefte om zijn kijk op de wereld te delen, hij vindt dat hij iets te zeggen heeft. Dat komt duidelijk in het werk naar voren, maar als lezer merk je het nauwelijks. Er zit een onderstroom in waar de lotgevallen van de personages zo’n beetje overheen zijn gelegd.’

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

Het werk houdt stand, na honderd jaar is hij nog steeds geliefd.

‘Schrijvers getuigen nog steeds van hun schatplichtigheid aan Nescio. En er zijn veel lezers. Hij is mensen dierbaar. Dat had hij zelf wel gedacht, gehoopt, maar het is ook echt uitgekomen. De uitgave van het verzameld werk in 1996 was een markant moment. Voor iedereen, de familie, de lezers en de uitgevers, was het een evenement. Een schrijver die al zo lang dood was en van wie het belangrijkste boek in 1918 was verschenen, bleek nog steeds populair te zijn. Het is niet veranderd. De bundel met De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje en Mene Tekel is dit jaar toe aan de 46ste druk.’

Hoe kan dat?

‘Ja, hoe kan dat. Als je gaat kijken wie van de oude schrijvers het hebben overleefd, begin je met Multatuli. Het geluid dat uit zijn werk naar voren komt is ook buitengewoon eigenzinnig. Het is nog steeds goed leesbaar. Willem Elsschot, zelfde verhaal. Nescio dus ook. En misschien Carry van Bruggen, Louis Couperus ook wel. Piet Paaltjens, alias François Haverschmidt, hoort er ook bij, en Annie M.G. Schmidt.’

Maar wat is de verklaring?

‘Zij schrijven niet in de geest van hun tijd, maar hebben een volstrekt eigen, authentiek geluid. Dat maakt dat hun stemmen nog goed herkenbaar zijn. Het werk is nog steeds fris. Van schrijvers uit onze tijd kun je nog niet vaststellen hoe de appreciatie over twintig jaar zal zijn. De waardering verandert na de dood van de schrijver. Dan is zijn eigen gestalte er niet meer, de man of vrouw die het werk moet dragen. Als de auteur wegvalt, moeten de bundels het doen. Bij Nescio doet het werk het.’

Hij worstelde met het bestaan, zei u. Vindt u hem ook een tragische figuur?

‘Er zit een tragische kant aan hem, ja. Maar dat is niet de slotsom van zijn leven. Hij was niet zielig.’

Wat is de slotsom dan wel?

‘Hij stond niet makkelijk in het leven. Hij zat gevangen in zijn kantoorbaan, maar hij heeft zich krachtig teweergesteld tegen de moeilijkheden van het bestaan. Ik ben de biografie enigszins hoogdravend geëindigd. Nescio wist dat zijn werk onvolmaakt zou blijven, in de letterlijke betekenis van dat woord. Maar hij is blijven bouwen aan wat hij zijn kathedraal heeft genoemd, en dat is het grote geluk van zijn leven geweest.

‘Hij twijfelde aan alles, maar op zijn beste momenten was hij er zeker van dat zijn stem het waard was om gehoord te worden, dat hij als groot schrijver zou worden erkend. En dat zijn onvoltooide kathedraal ook na zijn dood nog steeds zou staan schitteren in de zon.’

Jongens waren we

Frits Grönloh, Nescio, is óók de componist van twee van de beste en meest beklijvende openingszinnen uit de Nederlandse literatuur. De eerste is: ‘Jongens waren we, maar aardige jongens’ (Titaantjes). De tweede: ‘Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter’ (De uitvreter). Nescio had een andere beroemde schrijver in gedachten, Frederik van Eeden. Die schreef ooit: ‘Als den dag van gisteren heugt het mij hoe ik de Sarphatistraat de mooiste straat van Amsterdam vond.’

Japi, de uitvreter, pleegt zelfmoord door in de Waal te springen. Ook daarom is de beginzin van een eerdere versie van De uitvreter zo opvallend: ‘Behalve de man die zich in de Waal verdronken heeft, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.’

Lieneke Frerichs: Nescio – Leven en werk van J.H.F. Grönloh. Van Oorschot; 656 pagina’s; € 39,50.

null Beeld Van Oorschot
Beeld Van Oorschot
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden