Recensie Johan Cruijff – De biografie

Biograaf Auke Kok toont Johan Cruijff in al zijn gedaanten ★★★★☆

Van Johan Cruijff wisten we alles al, en nu nog meer. Biograaf Auke Kok liet zich niet verblinden door zijn eigen bewondering en toont de held mét zijn talloze gebreken.

Beeld Max Kisman

Een van de beste observaties over Johan Cruijff in de biografie Johan Cruijff is van een vrouw die in 2015, een jaar voor zijn dood, een portret van hem schilderde in het tv-programma Sterren op het doek. Biograaf Auke Kok citeert haar met graagte en instemming: ‘De winnende kunstenares Kuin Heuff getuigde van een uitstekend observatievermogen toen ze over haar model zei: ‘Hij heeft iets rustigs en vriendelijks, maar er zit wel een hele laag buskruit onder.’

Buskruit: Kok (1956) gaat het niet uit de weg in zijn poging het leven te reconstrueren van Johan Cruijff (1947-2016), de Amsterdammer uit Betondorp die over zichzelf vaststelde dat hij ‘in zekere zin’ onsterfelijk is. Dat klopt, maar Cruijff was een held met gebreken. Talloze gebreken zelfs.

Kok koos de uitspraak van Cruijff over diens eigen onsterfelijkheid als motto van een boek waaraan hij drie jaar werkte. Hij voerde meer dan 160 gesprekken, onder meer met (jeugd)vrienden en neven en nichten, vertrouwelingen als Jan de Deugd (De Telegraaf) en Cees van Nieuwenhuizen (Het Parool) en – daarover later meer – een blonde minnares. Daarnaast raadpleegde hij honderden geschreven en audiovisuele bronnen.

Dat schept verwachtingen, ook om andere redenen. Het boek wordt aangeprezen als dé biografie. Bij De Wereld Draait Door mocht Kok de afgelopen drie jaar vijfmaal verslag doen van zijn bevindingen. Op Cruijff, met Rembrandt en Vincent van Gogh de bekendste Nederlander aller tijden, hebben bovendien al talloze schrijvers zich gestort. In meer dan veertig boeken is hij de hoofdpersoon. De voetballer, de trainer, de zakenman, de emigrant in Spanje, de woordkunstenaar, de Amsterdammer, de weldoener, de filosoof: ze zijn allemaal al ruim aan bod gekomen.

De eerste, flinterdunne biografie, Oog in oog met Johan Cruijff van de Leidse journalist Frank Bonte, verscheen al in 1967, drie jaar nadat Cruijff zijn debuut had gemaakt voor Ajax. In 2016 bracht een van zijn vertrouwelingen in de journalistiek, Jaap de Groot, een autobiografie op de markt. Eerder deze maand verscheen nog een boek waarin Arthur van den Boogaard het laatste seizoen van Cruijff als voetballer beschrijft, bij Feyenoord.

Kok bewees zijn kwaliteiten als onderzoeker eerder met een handvol sportboeken, onder meer de omvangrijke en nauwgezette reconstructie van het wereldkampioenschap dat Nederland met een trauma opzadelde, 1974 – Wij waren de besten. Deze keer moest hij een diepe valkuil zien te ontwijken.

Geur van bewondering

Uit bijna alle boeken die de afgelopen eeuw over Cruijff verschenen, walmt de geur van bewondering. In zijn inleiding steekt ook Kok zijn adoratie voor hem niet onder stoelen of banken. Als hij terugkijkt op de keer dat hij Cruijff interviewde, in 1999, vergelijkt hij zichzelf met een kind op Sinterklaasavond.

In een van de laatste hoofdstukken wordt het dilemma van de biograaf letterlijk onder woorden gebracht. Het gesteggel over een eventuele aanstelling als coach van het Nederlands elftal, met zeurende onderhandelingen over premies en irreële eisen van de kandidaat, is in 1994 in volle gang als Johan Cruijff in de pers een vraag stelt. ‘Hoe groot vinden we dat Johan Cruijff mag zijn?’

Heel groot, is het antwoord van Kok, maar zijn kritisch vermogen laat hem niet in de steek. Wonderkind en volksjongen Cruijff is in de biografie óók een nerveuze nagelbijter, een tragikomische figuur die denkt dat het leven te vergelijken is met gebeurtenissen op een voetbalveld. Hij is een maniakale roker die de ene na de andere sigaret opsteekt om spanningen te onderdrukken, een twijfelaar die na de dood van zijn vader altijd op zoek is gegaan naar vaderfiguren, tobde met een ‘lage prestatiemotivatie’, baat had bij gesprekken met psychologen en getrouwd was met een vrouw, Danny, die voetbal en vooral de wereld van het voetbal haatte en hem zowel stimuleerde als ontmoedigde.

Johan Cruijff maakt een omhaal tijdens een wedstrijd van Ajax tegen DWS, 1971. Beeld ANP

Zwart-witdenker

Een zwart-witdenker, noemt Kok hem. De man die in de jaren negentig de trainingskampen van Barcelona in Drenthe organiseerde en bevriend raakte met Cruijff, Jan Wardenburg, zegt over hem dat hij een ander nooit, maar dan ook nooit gelijk kon geven. Fiscalist Harry van Mens maakt gewag van wat hij een ‘magisch zelfbeeld’ noemt. Cruijff meende dat hij onder invloed stond van het bovenaardse, dat zijn leven was uitgestippeld en dat hij werd gadegeslagen door zijn overleden vader.

Wat het pijnlijkst is, is dat hij weinig plezier beleefde aan wedstrijden. Ze vielen hem zwaar, hij zette zichzelf onder zware druk. Een paar keer valt het woord faalangst. Tot zijn 17de was hij zorgeloos, daarna niet meer.

‘Tot zijn debuut in de eredivisie’, schrijft Kok. ‘Tot waar het gelazer begon. Tot de verwachtingen van de buitenwereld hem onder druk zetten. Tot de ruzies ontstonden, de spanningen, de blessures, de misverstanden, de teleurstellingen, de problemen thuis vanwege zijn veelvuldige afwezigheid.’

De onthullingen die Kok doet zijn waardevol voor de geschiedschrijving. Hij ontzenuwt de mythe dat Cruijff, nadat hij in 1980 de tribune was afgedaald en naast trainer Leo Beenhakker was gaan zitten, Ajax naar de overwinning leidde. Danny Cruijff was verliefd op Michel Basilevitch, de man die door verkeerde investeringen bijna het hele familiekapitaal verspeelde.

Door zijn Foundation liet Cruijff zich een miljoen euro per jaar uitkeren. (Er stonden miljoenen aan inkomsten voor de stichting tegenover.) Saillant zijn de voorzichtig geformuleerde beschrijvingen van Cruijffs buitenechtelijke avonturen, onder meer met de blonde ‘Carla’. Monogaam was hij niet, de familieman, zoals Kok uit meerdere bronnen vernam. Vooral journalist Johan Derksen klapt uit de school, onder meer over een ontmoeting in een bordeel.

Van Johan Cruijff wisten we alles al, en nu nog meer, dankzij een levendige en klassieke biografie waarin een namenregister helaas ontbreekt. Er wordt geen nieuw licht op Cruijff geworpen, maar de man die het voetbal als geen ander veranderde, de magistrale nummer 14, is in al zijn gedaanten nog beter zichtbaar geworden.

Auke Kok: Johan Cruijff – De biografie
Hollands Diep; 640 pagina’s; € 26,99.

De beste Cruijff-boeken

Jaap ter Haar: Boem (1975)

Veertig uur lang sprak kinderboekenschrijver en historicus Jaap ter Haar voor een dubbele autobiografie met Johan en Danny Cruijff. Het initiatief was genomen door (schoon)vader Cor Coster. De gesprekken met Ter Haar in Barcelona waren openhartig – te openhartig, oordeelde het echtpaar Cruijff. Vooral Danny had grote spijt. Coster zorgde ervoor dat er geen tweede druk kwam, Ter Haar vernietigde de opnamen van de gesprekken.

Nico Scheepmaker: Cruijff, Hendrik Johannes, fenomeen (1972)

Schrijver en journalist Nico Scheepmaker boog zich over álle aspecten van Cruijffs leven. Dat leverde een alternatieve (en tijdloze) biografie op waarin wordt uitgelegd met welke componist Cruijff het best is te vergelijken (Bach) en Scheepmaker het geboorteregister raadpleegt om voor eens en voor altijd duidelijkheid te krijgen over de spelling van zijn achternaam (met ij).

Edwin Winkels: Johan Cruijff in Barcelona – De mythe van de verlosser (2016)

Anders dan veel mensen denken of hopen, is Cruijff in Spanje nooit El Salvador (De verlosser) genoemd. Dat doen alleen Nederlanders. Het was Rien Robijns, verslaggever van Het Vrije Volk, die in 1973 de bijnaam verzon, ontdekt Winkels. Het is lang niet de enige fijne anekdote in deze schets van het leven van de familie Cruijff in Barcelona.

Johan Derksen, Jaap de Groot e.a.: Johan Cruijff (2007)

Onder anderen Johan Derksen, Jaap de Groot en Matty Verkamman schreven teksten voor een biografie die verscheen met goedkeuring van de Johan Cruyff Foundation. De rijkdom van het kolossale boek schuilt in de foto’s. Wie deze schatkamer bewondert, ziet dat Cruijff niet alleen de beste Nederlandse voetballer aller tijden was, maar ook de meest fotogenieke.

Pieter van Os en Friso van der Oord: Johan Cruijff – De Amerikaanse jaren (2007)

Een van de meest onderschatte boeken over Cruijff, en een van de minst opgemerkte bovendien. Over zijn verblijf in Los Angeles (Aztecs) en Washington (Diplomats) van 1979 tot 1981 was in Nederland nauwelijks iets bekend. Beste anekdote: Cruijff die de chauffeur van de spelersbus van de Diplomats instructies geeft hoe hij moet rijden. De ploeg is op trainingskamp in Florida, Cruijff is er niet eerder geweest.

Henk Davidse: Je moet schieten, anders kun je niet scoren (1998)

Het eerste citatenboek – er zouden er nog een paar volgen. Aan de hand van thematisch gerangschikte uitspraken van Cruijff wordt zijn loopbaan geschetst. Met klassiekers als ‘Ik maak eigenlijk nooit fouten, want ik heb enorme moeite me te vergissen’ en ‘Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen’.

Sytze de Boer: Het Amsterdam van Johan Cruijff (2018)

Volgeling Sytze de Boer is de gids in de stad waar Cruijff opgroeide en tot 1973 woonde. De gevarieerde rondleiding voert onder meer langs scholen, winkels, garages, de ‘Shoetique’ van Danny en Johan (Kinkerstraat 12 A) en de discotheek waar ze elkaar hebben ontmoet (Can-Can, Leidsekruisstraat 18).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden