BIJNA VOLMAAKT BEELD VAN EEN EEUW PROSTITUTIE IN AMSTERDAM De eer van hoeren en hoerenlopers

IN HAAR TWEE weken geleden aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam verdedigde proefschrift Het Amsterdams hoerdom vertelt de historica Lotte van de Pol op een gegeven moment het verhaal van een zeventiende-eeuwse burgemeester van Harlingen, die tijdens een uitstapje naar Den Haag in moeilijkheden raakt....

De burgemeester had blijkbaar op hoog niveau overleg gevoerd: van Harlingen naar Den Haag was in 1641 een hele reis, die je niet voor een wissewasje ondernam. Zijn missie volbracht staat hij op de kade de schuit op te wachten om de thuisreis aan te vangen. Dan moet hij plotseling nodig - hij moest zijn 'gevoug' doen, meldt de notariële akte waaraan Van de Pol haar geschiedenis ontleent. Hij schiet een steegje in, hurkt neer, zijn broek op zijn hielen, maar wordt tijdens zijn geconcentreerde en private bezigheden gestoord door een drietal vrouwen, die hem zijn hoed en zijn jas afnemen. Ik houd het erop dat hij die had uitgedaan en afgezet om zichzelf niet te bevuilen, want anders is het een beetje vreemd, hoed en jas ineens weg.

De dames schieten met hun buit een huis in, de burgemeester er achteraan, maar het huis blijkt een hoerenkast. De aanwezigen waarschuwen de schout, die komt kennelijk terstond en eist, samen met zijn rakkers en met de employees van het bordeel, een geldelijke vergoeding van de burgemeester. Als hij niet betaalt, is hij de klos: dan zullen ze in heel Den Haag rondbazuinen waar ze hem hebben aangetroffen. De schout vraagt de man zelfs naar zijn beroep en zet hem daarmee onder druk, 'omdat ik u vuyt u ampt can stooten, want gy sydt infaam en eerloos, en sulcke moet ick meer straffen als slechte luyden'.

Een burgemeester uit de provincie op stap in de grote stad, vermoedelijk dronken van vreugde over zijn onderhandelingsresultaten en daardoor iets te zelfverzekerd - en, jawel, de bloemetjes buiten zetten, een grote mond, en de problemen zijn niet meer te overzien. Onwillekeurig dwalen de gedachten af van het jaar 1641, waarin zich dit voorval afspeelt, naar 1988: Faber en Smallenbroek in Zwolle, de burgemeesters van Hoogeveen en Drachten in wat verhoudingsgewijs voor hen evenzeer de grote stad moet zijn geweest als Den Haag dat indertijd voor de burgemeester van Harlingen was.

De schout troggelde de Harlinger burgervader 185 gulden zwijggeld af en de toezegging mettertijd nog een half vaatje boter te ontvangen - wat dat betreft zijn de mannenbroeders er drieëneenhalve eeuw later een stuk voordeliger van afgekomen. Maar de burgemeester krijgt onderweg naar Leiden spijt van zijn kostbare poging zichzelf voor praatjes te vrijwaren, verzamelt al zijn verontwaardiging en gaat terug naar Den Haag om er bij de notaris zijn weergave van de feiten te laten vastleggen. Daardoor weten wij nu wat er gebeurd is.

Het is een amusant en leerzaam stuk: die man liegt dat hij barst, dat zie je zo. Beetje wezen feesten, en achteraf geschrokken van de gevolgen. Zelfs de stompzinnige en doorzichtige smoezen, de aanvankelijke paniek en het daar even later op volgende hartzeer over de kosten en het gedraai zijn van alle tijden.

Van de Pol is een veel te gedisciplineerd historicus om zich aan dergelijke geamuseerde bespiegelingen over te geven; voor haar telt de leerzaamheid van het document. Over slappe smoesjes en de onuitroeibaarheid van schuinsmarcheerderij onder ambtsdragers heeft zij het niet. Voor haar telt de zeggingskracht die het stuk heeft waar het om de eer gaat. En om die eer is het haar begonnen: die vormt het antropologische raster waarmee zij de positie van hoeren en hoerenlopers in het vroegmoderne Nederland probeert te begrijpen.

Uit dit en talloze andere archivalia bouwt zij even gewetensvol als gedreven een bijna volmaakt beeld op van wat de 'prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw' in de lage landen inhield en betekende (bijna volmaakt, want haar boek wordt ontsierd door te veel zetfouten, waarvan de interessantste de verwijzing is naar de Leidse historica 'N. Maud' die in werkelijkheid N. Mout heet: hoe zou zo'n fonetische misslag eigenlijk ontstaan zijn?).

Gaandeweg wordt dat beeld niet alleen het op zichzelf staande verhaal van verdrongen gebeurtenissen en vergeten mensen, maar een achteraf beschouwd onmisbaar complement op de grote geschiedenis van die periode. Het Amsterdams hoerdom is daardoor te lezen als de geschiedenis van de Gouden Eeuw van onderop beschreven. Het verhaal van de grachten, de doorgaande straten en de pleinen, het laden en lossen aan de kaden, de glorie en de verdiensten was al talrijke malen gedaan. Daar is nu het verhaal van de duisterste steegjes en de kleine verdiensten bij gekomen, van die smoezelige scharminkels vlak achter de kade 'langs het wijde, glinsterende water, en de snelle schepen die erover glijden met hun hoge zeilen, die als grote witte vlerken zijn, of als ijle, zachte nooit vervulde dromen'.

Om die dromen en hun barre werkelijkheid is het Van de Pol begonnen. We hadden in recente jaren het beeld gekregen van The Embarrassment of Riches en Het kopergeld van de Gouden Eeuw, maar de verlegenheid waarin gebrek aan rijkdom mensen bracht, en de geschiedenis van het nikkel waren nooit eerder zo systematisch en intelligent in kaart gebracht.

Dat mooie resultaat werd bereikt doordat Van de Pol niet alleen een onwaarschijnlijke hoeveelheid archivalia heeft doorgewerkt, geëxcerpeerd en geordend, maar vooral doordat ze dat met hersens deed. Haar uitgangspunt waren de Amsterdamse confessieboeken uit de periode 1650-1750, de registers waarin de bekentenissen zijn opgetekend van mensen die onder het stadhuis op de Dam in voorarrest zaten. Zij heeft daaruit alles verzameld wat raakte aan de prostitutie, en dat is naar haar bevinding in eenvijfde van de 38 duizend processen-verbaal het geval.

Die gegevens heeft zij steekproefsgewijs vergeleken met gegevens uit enkele andere steden, ze heeft zichzelf vervolgens een leidraad verschaft door het werk van enkele buitenlandse historici van de prostitutie erbij te nemen en zich ten slotte bekwaamd in de theoretische noties van de historiserende antropologie en de strafrechtsgeschiedenis. Toen heeft Van de Pol dat materiaal weer naast andere archiefstukken (zoals de akte van die burgemeester) gelegd en naast de vaak wat ranzige of spottende literaire en literair-vulgaire bronnen en reisbeschrijvingen uit die periode. Uit die onafzienbare reeks individuele gevallen en beschrijvingen heeft zij haar geschiedenis opgetrokken.

Het is belangrijk je daar rekenschap van te geven, van de veelsoortigheid van haar bronnen en haar doordachte omgang daarmee. Een zo compact en compleet beeld van een belangrijk facet van de sociale geschiedenis als Het Amsterdams hoerdom biedt, is niet op een verantwoorde manier te geven zonder bestudering van een ongehoorde hoeveelheid op zichzelf stom materiaal. Maar het is even nietszeggend het bij het inventariseren en reproduceren van dat materiaal te laten.

Het gaat pas leven als de historicus er iets mee doet, zichzelf een manier van lezen en interpreteren, van opletten en begrijpen kiest, die tot iets leidt. Voor Van de Pol is dat het eerbegrip, gevoed en verfijnd vanuit de antropologische, sociologische en mentaliteitshistorische literatuur die daarover de afgelopen 25 jaar verscheen. Door daar zo nadrukkelijk voor te kiezen en dat in een voorbeeldig essay - het derde hoofdstuk van haar boek, dat heel goed als een methodologisch handvest voor andere onderzoekers gelezen kan worden - te motiveren, heeft zij haar materiaal op een zinvolle manier kunnen ordenen.

En zo marcheren ze allemaal gedisciplineerd langs, de hoeren in al hun bonte verscheidenheid, de hoerenlopers van hier en van heinde en verre, de zedenmeesters, de bestuurders en de chirurgijns met hun bezwaren, de schouten en de rechters, de voogden van het spinhuis en de hoerenmadammen. Hun beroepsopvattingen, beroepsuitoefeningen en gedrag worden niet alleen beschreven en inzichtelijk gemaakt, tot en met de economie van de bedrijfstak toe, maar ze worden vooral ook begrijpelijk gemaakt. Begrijpelijk in de context van, vooral, die snel groeiende stad Amsterdam, met zijn zeelui en vreemdelingen, met zijn pleziertjes en verdriet - en met een bestuur dat steeds opnieuw moest uitzoeken hoe moest worden omgegaan met nieuwe bewoners, nieuwe meningen en nieuwe behoeften. In dat opzicht is Van de Pols Het Amsterdams hoerdom ook de exemplarische geschiedenis van een facet van het beschavingsproces.

Michaël Zeeman

Lotte van de Pol: Het Amsterdams hoerdom - Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw.

De Wereldbibliotheek; 493 pagina's; ¿ 59,50.

ISBN 90 284 1750 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden